De ondergang der Eerste Wareld
W >>
Willem Bilderdijk >> De ondergang der Eerste Wareld
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 | 9 |
10 |
11 |
12
Het schijnt niet overbodig, bij het aanhalen van deze plaats te doen
opmerken, hoe B., zelfs in epische taal, geen bezwaar maakt de elisie
te gebruiken bij het woord men; daar tegenwoordig sommige critici
dit als een niet toe te laten vrijheid beschouwen. Deze uitspraak
heeft geen grond en is door geen onzer voornaamste dichters in acht
genomen. Reeds Vondel schreef, in Palamedes: (vs 520 v.L.)
--ook heeft m' er in betrokken
Het kerkelijk geschil.
en (vs 758 v.L.)
--was met een brief belaen
Die m' uit zijn boezem trok.--
en in Hippolytus, vs 637,
daer m' in verdwaelt.
Zoo Oudaan, aangehaald in het Woordenboek der N.T., op het woord
"aftintelen" en op het woord "onderdelven", Zoo Feitama, Telem. IVe
Boek, bl. 83 l. r.
--en nooit vermag m' er een
Dan jeugdig, hagelwit, en vlekloos aan te voeren
en wederom in het Ve Boek, bl. 99, rl 9 v. o.
Zoo Bilderdijk, Fingal IIe Zang:
Nog strijdt m' een korten wijl.
en in den IVen Zang:
Nu zag m', een wolk gelijk,--
in de Geuzen, XIXe Zang, 1e strofe:
En naauwlijks heeft m' aan wederzij--
en wederom in den XXen Zang, 15e str. en XXIVe Z. 13e str. in de
Ziekte der Geleerden, Ie Zang bl. 5 rl 8 v.o.
Men--stoot de kiel in flarden
Op de eene of andere plaat die m' overglijden mocht.
ald. bl. 13, rl 8 v.o. en op menige plaats in het Buitenleven, te veel
om aan te halen. Men kan hier nog plaatsen bijvoegen van v. Lennep,
aangeh. in het Woordenboek der N. T. op het woord "onderhoud" en van
Bogaers, aldaar, op het woord "afwenden".
Ie Zang, vs 324, bl. 10, rl 4 v.b.
--Terwijl zy uitkomst baden
Aan Goden, doof voor hun.
De goden, die de Kainieten aanroepen, worden niet gezegd "doof" voor
hen te zijn als ijdele spooksels en niet bestaande wezens, zooals
elders wel eens in zoodanig redeverband gemeend wordt; maar in de
bedoeling des dichters zijn de uit het Paradijs verdreven geesten,
die de hemellichten en de lucht tot verblijfplaats gekozen hebben en
zich door de menschen als goden laten aanbidden, "doof" d.i. ongenegen
de beden der Kainieten te verhooren, omdat deze strijd voeren tegen
de afkomst dier geesten, tegen de Reuzen. Verg. den IIen Zang, vs
511, volgg.
Ie Zang, vs 333, bl. 10, rl 13 v.b.
En, zucht voor 't vaderland, voor huwlijkskoets en kroost,
Maakt al wat wapen droeg den wissen dood getroost.
Deze plaats is opmerkelijk, om de door D. C. medegedeelde variante,
of liever verbetering des dichters. Hij had, den regel volgende,
in deze opvolging van substantiven, daar de twee laatste zonder
artikel waren, ook het eerste dus gelaten. Later gevoelde hij, dat
het eerste, als een bepaald voorwerp (het vaderland der Kainieten) het
lidwoord behoefde; terwijl de twee laatste, als eene in 't afgetrokken
beschouwde algemeenheid voorstellende, zonder lidwoord moesten blijven.
Ie Zang, vs 375, bl. 11, rl 14 v.b.
Wier koude stralen de aard het gift der Akonieten,
Bezwangerd van de dood, in nachtschade uit doen schieten.
Volgens de aanteekening van D. C. zou B. hier gedacht hebben aan de
"solanum" (nigrum), die bij ons "nachtschade" genoemd wordt. Maar dan
zou de dichter geschreven hebben: "en nachtschade"; of liever, hij
had moeten schrijven: "en der nachtschade". Doch het kan zijn dat,
door de vermelding der "akonieten", hem de naam der plant voor den
geest is geroepen, en hij daardoor op het woord gebracht is dat hij
bezigt. Het staat hier niet als geslachtsnaam, maar in de beteekenis
van "schaduw"; als zeide hij: "in de schaduw der nachten."
Ie Zang, vs 394, volgg. bl. 11, rl 5 v.o.
Gelijk ge, o morgenstar, op 't effen hemelspoor,
Den blonden dageraad, of 't heir der vaste starren
Ter heirbaan voorstapt om den slagboom los te sparren.
Min juist wordt, naar mij voorkomt, de Morgenstar gezegd de "vaste
starren" voor te treden op het hemelspoor, daar deze starren juist
met het klimmen van de Morgenstar van den hemel verdwijnen. Ook als
Avondstar kan zij niet beschouwd worden als aan 't hoofd der vaste
starren voorttredend; daar zij dan in 't Westen staat en de andere
starren het eerst in 't Oosten zichtbaar worden.
Ie Zang, vs 462, bl. 13, rl 9 v.o.
Zy heft de handen naar 't vergraauwend blaauw gewelf.
Waar reeds de morgenkim 't gestarnt schijnt op te jagen.
Da Costa heeft in deze verzen eene aanduiding van den morgen meenen
te vinden, en zich daardoor voor 't vervolg in moeielijkheden
gewikkeld. Het is de avond die beschreven wordt; zooals ook blijkt
uit de variante. De dichter had eerst geschreven: "'t verbleekend
blaauw gewelf". Dit zou den morgen hebben te kennen gegeven: daar met
het rijzen van den dag het donker-blauw van den hemelboog schijnt te
verschieten: hij verbeterde toen, zeer juist voor zijne bedoeling:
"'t vergraauwend". Immers de hemel neemt deze tint aan met het vallen
van den avond, en wel het eerst aan de "morgenkim"; d. i. in 't Oosten;
vanwaar het gestarnte als zoovele opschietende vonken te voorschijn
komt. Op dezen avond door den dichter beschreven volgt (Z. II, vs
1, volgg.) de nacht; en van deze lichtverwisselingen aan den hemel
wordt verder gezegd, (vs 11, volgg.) dat Elpine zoo gevoelloos door
overmaat van smart geworden was, dat zij deze veranderingen zelfs
niet bespeurd had.
Ie Zang, vs 467, bl. 13, rl 4 v. o.
Dan verft een nieuwe storm van woede haar de kaken,
Vliegt op, en wil een, eind aan 't foltrend leven maken.
Ik kan hier een in den tekst te maken verbetering aanwijzen die
authentiek mag genoemd worden. In een exemplaar van de eerste uitgave
van dezen Epos, op den kataloog der boekverzameling van onzen dichter
onder no. 1015 aangeteekend, thands in mijn bezit, had hij eenige
drukfeilen op de eerste bladzijde aangewezen, en onder deze dit 468e
vers dus verbeterd, dat men leze: "Vliegt ze op;" zooals volstrekt
noodzakelijk is; ofschoon deze fout van de eerste uitgave in al de
volgende is overgenomen.
IIe Zang, vs 135, bl. 19, rl 9 v. b.
En zwieren naar 't ons lust, verheven op den stroom
Des ethers, heemlen door, enz.
Zeer juist verbeterde B., in het door mij vermelde exemplaar:
"in den stroom", dat de kracht der zelfbeweging beter doet voelen.
IIe Zang, vs 148, bl. 19, rl 17 v. o.
Maar ach! wat schetse ik u den oorsprong van mijn vlam!
Hoor eerst de strenge wet des hemels.
Zeer opmerkelijk voor den beoefenaar der tekstkritiek is hier deze
verbetering door D. C. aangebracht, daar men in de eerste uitgaven
en in die haar volgden hier las: "Hoor eens": eene uitdrukking van
kinderlijke naiveteit, die in den epischen stijl, en hier op deze
plaats, wel allerminst te pas kwam. En echter was deze fout den dichter
bij het in gereedheid brengen van zijn werk voor de pers, en bij het
overlezen, zooals mij uit het gemelde exemplaar gebleken is, ontsnapt:
want er kan hier geen twijfel zijn, of D. C. herstelde zijne bedoeling.
IIe Zang, vs 165, bl. 20, rl 1 v. b.
't Gejammer bij de dood diens Abels, dien Gods liefde
Ter dood voerde, als hem 't staal zijns woesten broeders griefde.
De herhaling van het woord "dood" stuit hier niet; omdat er iets
treffends ligt in het ophalen van de oorzaak dier vroegtijdige dood,
gelegen in de liefde die God hem betoonde, en die den nijd zijns
broeders wekte. Eer zou ik iets min gepast vinden in het vermelden
van het "staal" dat Abel zou gegriefd hebben, dat mij hier te modern
voorkomt.
IIe Zang, vs 190, bl. 20, rl 11 v. o.
(Ons) was 't broederlijk geslacht allengskens vreemd geworden.
Uit de variante maak ik op, dat de dichter er over gedacht heeft
"allengs meer" te schrijven, misschien daarvan teruggehouden om het
in het volgend vers voorkomend "steeds meer".
IIe Zang, vs 208, bl. 21, rl 8 v. b.
Bekeerde, of hield zijn ziel dier gruwelen onbesmet
"Dier gruwlen" is hier de gebogen (3 e.) n. v., die in de plaats
treedt voor "aan die gruwlen", terwijl het b. v. n. "onbesmet" de
plaats, in dichterlijke taal, inneemt van "onschuldig."
IIe Zang, vs 276, bl. 23, rl 2 v. b.
En de Engel zweeg in 't hart, door 't maagdlijk schoon geroerd.
Deze vorm is virgiliaansch: Excussaque pectore Juno, wordt in de Eneis
(V. 679) gezegd van de booze inblazingen van Juno, die uit het hart
der trojaansche vrouwen geweken waren.
IIe Zang, vs 368, bl. 25, rl 15 v. o.
En dan, dan danke ik 't lot; het heeft mijn ramp volwrocht.
Uitdrukking van uiterste wanhoop aan den Orestes van Racine ontleend:
J'etais ne--
Pour etre du malhenr un modele accompli.
He bien, je suis content, et mon sort est rempli
Onze groote dichter schatte dit treurspel van Racine, de Andromaque,
zeer hoog, en noemde het mij eenmaal "het juweel van het fransche
tooneel".
IIe Zang, vs 389, bl. 26, rl 6 v. b.
Het kroost der englen zal met dat der stervelingen
Niet wriemlen over de aard.--
Met deze woorden worden niet de Paradijsgeesten bedoeld, als
D. C. meent, maar de Reuzen uit de Paradijsgeesten gesproten; welke
geesten hier door den minnaar van Elpine met trotsche zelfverheffing
"Engelen" genoemd worden: verg. vs. 405, volgg.
IIe Zang, vs 416, bl. 26, rl 6 v. o.
Zijn open oog vertrok.
Men zou "betrok" willen lezen; maar de dichter kan hier eene archaisme
bedoeld hebben met verwante beteekenis.
IIe Zang, vs 435, bl. 27, rl 14 v. b.
(Een opstand) die misschien
Geheel het menschdom, in dien gruwelbond begrepen
In 't eindeloos verderf onredbaaar mee zal sleepen.
Hier worden de gevolgen van de roekelooze voornemens van haar minnaar
door Elpine voorzien, zooals de dichter die in zijn gedicht meende
te ontwikkelen.
IIe Zang, vs 449, bl. 27, rl 9 v. o.
Neen, de almacht heeft voor ons--uw Eden toegesloten.
Hier op antwoordt, met aandoenlijke tegenstelling, wat in het 458e
vers gelezen wordt:
Dit zal zijn Eden zijn, dit is zijn eeuwig leven.
IIe Zang, vs 455, bl. 27, rl 3 v. o.
Verbeiden wij het uur, dat Gods geheimenis.
Onthult, en in de rij der toekomst zeker is.
Als variante wordt opgegeven: "Onthult, maar in de rij." In de
eerste uitgave staat "Onthuld". Ik vermoed, dat de variante niet goed
gelezen is, en dat de dichter er aan dacht te schrijven, met het oog
op Handel. I, vs 7:
"dat Gods geheimenis,--
Omhuld, maar in de rij der toekomst zeker--is."
IIe Zang, vs 468, bl. 28, rl 11 v. b.
--Aan 't stervend aardsch geslacht.
Deze uitdrukking herinnert het "moriturus" bij Horatius Od. I, 28, 6,
II 3, 4; en het treffend gezegde eener merkwaardige fransche vrouw,
op haar sterfbed: "je ne laisse ici que des mourants."
IIe Zang, vs 475, bl. 28, rl 18 v. b.
De wachter van het licht, heraut der uchtendstond.
Had reeds door Bethurs dal den nieuwen dag verkond.
D. C. denkt hier, in zijne aanteekening, aan den haan, die, naar ons
voorkomt, als verkondiger van het daglicht meer in de idyllische dan in
de epische wereld thuis behoort; en in deze laatste nog veel min gepast
optreedt met een zoo hoogdravende omschrijving. B. bedoelde, naar mij
voorkomt, de morgenster, die als een heraut den zonnewagen voortreedt,
als om zijn komst aan te zeggen. Zie den Ien Zang, vs 394, volgg.
IIe Zang, vs 480, bl. 28 rl 16 v. o.
Elpine voerde in 't hart haar nimmer heelbren grief
Door 't bloeiend palmwoud rond.--
Het rusteloos omdwalen van Elpine, dat, als ik heb doen opmerken,
haar eene overeenkomst geeft met de Ioe van Eschylus, en met kracht
beschreven is in den Ien Zang, vs 467, volgg. vond zijn oorsprong, als
de dichter met een enkele uitdrukking doet raden (ald. vs 457) in het
zoeken naar dien bovenmenschelijken minnaar: "die het hart de vlam der
liefde deed gevoelen, en nergens vindbaar is." Zoo was zij zuidwaarts
gedwaald tot de Ur (Ie Z. vs 478 en II, 2); en het was daar dat zij
dien minnaar had weergezien. Na hem voor eeuwig te hebben afgewezen,
schijnt zij weder noordwaarts teruggekeerd en zoo gekomen te zijn
in dezelfde streek waar het leger der Kainieten onder Argostan zich
had neergeslagen. Deze streek met juistheid op het door den dichter
ontworpen kaartje aan te wijzen is niet mogelijk. De vermelding van
"Rigons zoute vlieten," als de plaats waar het leger zich bevindt,
wanneer men dien vliet op de kaart zoekt, komt niet overeen met het
vervolg, en uit de variante "kronkelvlieten", die op vs 485 vermeld
wordt, maak ik op, dat B. wilde gelezen hebben:--"ter rechter zij van
Gihons "kronkelvlieten"". Immers is het ook van die "kronkelstroomen"
dat de dichter hetzelfde leger, na de gebeurtenissen in den IIen en
IIIen Zang beschreven, in den IVen Zang, vs 39, op doet trekken. De
Rigon en zijn zoute bron wordt wel weder gemeld in Z. III vs 482,
maar slechts als het uiterste punt van het door Segols leger te
bezetten landstreek. Moeilijker is met de vermelding van den rechter
oever van den Gihon te vereenigen die van het dal van Nival (vs 482
en 719), dat zich op de kaart aan de overzijde dier rivier bevindt,
die eerst in den IVen Zang, vs 40, wordt overgetrokken; zoodat ook
hier aan eene verzinning des dichters bij het ontwerpen van de kaart
schijnt te moeten worden gedacht.
IIe Zang, vs 601, bl. 31, rl 6 v. o.
Een gruwzaam reuzenrot, verwant aan hemelgeesten.
Argostan toont op deze plaats, en vs 630. volgg., het gerucht aan
te nemen dat aan de Reuzen een verwantschap met hoogere geesten
toeschreef, maar alleen om die geesten, wie ze ook zijn mogen, te
trotseeren. Zijn leger daarentegen verwerpt dit denkbeeld volstrekt;
(zie Ie Z. vs 391, volg.) althans wat hun afkomst aangaat van de
geesten die zij als goden aanbidden. Van daar de tweespalt tusschen
legerhoofd en leger, die met het verslaan van Argostan en de daaruit
voortvloeiende onderlinge slachting onder het leger eindigt.
IIIe Zang. vs 31, 33, bl. 36, rl 9, 11 v. b.
Men reikt zich--de handen, omhelst zich.--
Men ziet hier herhaaldelijk B. het wederk. v. n. gebruiken, waar,
in onze proza althans, elkander vereischt wordt.
IIIe Zang, vs 36, volgg. bl. 36, rl 14 v. b.
--De afgrond zag met onuitspreekbre smarten
Den vree herrezen; maar 't vooruitgezicht getroost,
Voorspelt zy uit dien vree 't verderf van Adams kroost.
Het verdient opmerking, hoe hier B. op het woord "Afgrond" het
vrouwelijk voornaamw. toepast, niet uit verzinning, zooals genoegzaam
blijkt uit den IVen Zang, vs 325; noch door gedachteverwisseling
met het woord "Hel"; maar omdat in het nederduitsch, daar waar de
persoonsverbeelding de woorden als belichaamt, zij bij voorkeur als
vrouwelijk verschijnen.
IIIe Zang, vs 37, bl. 36, rl 15, v. b.
--Maar 't vooruitgezicht getroost,
Voorspelt zy uit dien vree 't verderf van Adams kroost.
De Hel, ofschoon voor het oogenblik gekweld door het denkbeeld van
vrede, neemt het aan, althans wat hare meer verziende leden aangaat:
in "'t vooruitgezicht getroost" op de gevolgen van dien vrede, als
kunnende deze leiden tot een meer algemeen verderf over het menschdom
te brengen dan uit den ontvlamden burgerkrijg te wachten was.
IIIe Zang, vs 53, bl. 36, rl 9 v. o.
--We ontmoeten u als lot- en lotgenoot.
Eigenaardige spreekwijze, om te kennen te geven; "als deelgenooten
van uw lot, zooals gij het van het onze zijt."
IIIe Zang, vs 95, bl. 37 rl 4 v. o.
't Is afgrond, waar de spijt een hel in 't hart doet branden.
De "Spijt" is hier het juiste woord om den gekrenkten trots over het,
verbanningsvonnis uit te drukken. Maar de laatste verzen dier rede
zijn eens duivels, niet van een verbannen Paradijsgeest, en doen te
kort aan het onderscheid, dat in de schildering dier verschillende
wezens moest bestaan.
IIIe Zang, vs. 255, bl. 42, rl 5 v. b.
Bezadigdheid en list zijn veiligst.--
Hier wordt de aanleg van den knoop des gedichts aangekondigd. De
Kainieten zullen door de Hel met "list" worden bestreden, daar zij
door getal en schranderheid de Reuzen te sterk zijn. Die list zal hun
Vorst, Segol, tot werktuig kiezen; die eerst, in zijn slaap "bekropen"
zal worden door de eerzucht van naar den hoogsten rang te staan:
(zie vs. 336) die daarna, "misleid" en "bedrogen", tot een verdrag met
de Reuzen zal toetreden, en "vervoerd", door de eerst hem ontroofde,
later teruggegeven Zilfa, het bondgenootschap zal sluiten, door de
Paradijsgeesten tot behoud van hun af komst bedacht, en dat door de
Hel in een gemeenschappelijken opstannd tegen God zal worden verkeerd.
IIIe Zang, vs. 255, bl. 42, rl. 5 v. b.
Bezadigdheid en list zijn veiligst. 'k Ken dat wapen.
Bekruip in vriendenschijn den vijand onder 't slapen;
Mislei; bedrieg; vervoer!
D. C. merkt te recht op, dat deze werkwoorden in geen gebiedende wijs
staan; maar dan moet ook een minder leesteeken na het woord "wapen"
staan, en geen uitroepingsteeken na "vervoer".
IIIe Zang, vs. 267, bl. 42, rl. 17 v. b.
't Belang der hel alleen verbiedt me, uw grootsche daden
Te smoren.--
Welke zijn die groote verdiensten van Sadrach (of Zardach), die de
leider der helsche vergadering, in tegenwoordigheid van de luisterende
Paradijsgeesten, niet openlijk durft uitspreken? De verleiding dier
Geesten zelven door de schoonheid der dochteren van Kain.
IIIe Zang, vs. 302, bl. 43, rl. 16 v. b.
't Gruwzaam kroost der list.
De Hellegeesten, gereed de Kainieten met list aan te randen,
storten zich op het dal, waar hun leger zich heeft nedergeslagen,
uit. Terwijl hun hoofd, Sadrach het aanstaande legerhoofd, Segol,
met een gewaande geestverschijning nadert, om hem aan te sporen,
dat hij zich tot opperhoofd opwerpe, wordt het leger door allerlei
schrikken (vs. 359-370) ontrust, die het vooreerst tot bijgeloovige
vrees stemmen, maar ook de aanstaande oorlogsgevaren aankondigen,
waarvan de indruk deze moet zijn, dat zij, op zelfbehoud bedacht,
zich aan Segol onderwerpen.
IIIe Zang, vs. 311, bl. 43, rl. 16 v. o.
Zijn schedel nokt en schudt als 't schuddend popellover.
Het komt mij niet onmogelijk voor dat B. hier geschreven heeft of
bedoelde te schrijven: "nokt en schokt". Immers versmaadt hij zulke
klankherhalingen niet; als b.v. in den IVen Zang, vs. 153: "knarst
en barst". De herhaling van hetzelfde woord bij het voorwerp dat men
vergelijkt en bij dat waaraan men de vergelijking ontleent, is niet
zeer aannemelijk; en men hoort, naar de lezing die wij voorsloegen,
nog beter den tred van het nauwlijks gevleeschde geraamte.
IIIe Zang, vs. 322, bl. 43, rl. 5 v. o.
--In Beth-ur had geboon.
De vermelding van Beth-ur, als ik reeds elders deed opmerken, leidt
tot het vermoeden, dat het in de bedoeling des dichters lag een band
van bloedverwantschap te doen erkennen tusschen Segol en Elpine, mede
eene Kainietische (Z. I, vs. 438) en in haar wieg door de Reuzen uit
Beth-ur geroofd. Wat aangaat de betrekking van Segol tot Argostan,
geloof ik dat B. geen ander doel gehad heeft met de vermelding van dit
halve-broederschap der twee Kainietische opperhoofden, dan om Segol,
na den dood van Argostan, eene aanleiding te geven van in 't licht te
treden, zonder eenig recht ter opvolging te kunnen doen gelden, zoodat
de vrije volkskeuze bij zijne verheffing in haar zuivere gedaante
bewaard bleef. Zoo is de variante op vs. 454 van dit boek merkwaardig;
waar B. eerst Segol had doen zeggen, sprekende, ten aanhoore van het
leger, tot de strijdakst van Hanoch door Argostan gevoerd:
"'t Geen thands een mindre vuist, maar u het naast omsluit"
waarvoor hij in de plaats stelde:
--"maar Hanoch waard."
IIIe Zang, vs. 447, bl. 47, rl. 16 v. b.
En strikt een heilig snoer, ontvlochten van de altaren.--
Ik heb mede alreeds doen opmerken, hoe dat wereldgezag, door het
volk aan Segol toegekend, en geheel uit den boezem des volks uit
vrees voor onderlinge verdelging voortgekomen, met een snoer aan de
altaren der valsche goden ontleend gewijd wordt; en hoe Segol op die
volkskeuze het stelsel grondt, dat door die keuze het gezag van het
volk op hem is overgegaan en thans door hem wordt uitgeoefend; maar
hoe hij later (Z. V, vs. 373, volgg.) het oppergezag aan God alleen
toekent, van wien alleen hij het ontvangen wil, om het op aarde te
doen regeeren, en waarvoor hij eenmaal sterven zal, omdat hij zich
tegen den volkswil verzet.
IIIe Zang, vs. 571, bl. 50, rl. 10 v. o.
Ja, 't was mijn afscheidskus, 'k verlaat u dierbre sponde
Dit voorgevoel door onzen dichter Zilfa in den mond gelegd, als waren
hare kussen, die zij in haar droefheid aan het huwelijksbed gebracht
had, een afscheid geweest, is aan de grieksche treurspeldichters
ontleend, bij wie gehuwde vrouwen, op het uiterst van haar leven, een
hartstochtelijk afscheid van het echtelijk bed nemen. Zoo Jocaste en
Deianira bij Sofocles, zoo Alcestis bij Euripides, die daarin door
Virgilius, in de beschrijving der laatste oogenblikken van Dido,
gevolgd zijn.
IIIe Zang, vs. 592, bl. 51, rl. 12 v. b.
O Segol! om dit vocht dat ge aan mijn oog ontspringen,
Mijn boezem baden ziet.--
Ook hier zijn woorden van Dido (En. IV, 514): Per ego has lacrimas,
dextramque tuam te, Per connubia nostra.--Maar Dido had wel wat andere
reden tot klagen dan Zilfa, en daarom is haar gevoelsuitstorting
hoogst aandoenlijk, en deze is het volstrekt niet. Ik moet hier
de vraag stellen: hoe kon onze groote dichter die uitstorting van
vrouwelijke zwakheid hier plaatsen, zoo dit karakter niet bestemd
was tot een schakel in de reeks der gebeurtenissen van zijn gedicht.
IIIe Zang, vs. 600, bl. 51, rl. 17 v. o.
'k Zal sterven aan uw zij, en met u oorelogen.--
B. heeft dezelfde ontboezeming in den mond gelegd van Machteld van
Velzen, in Floris V:
"'k Zal voor u in 't gevecht quarreel noch speerschot duchten,
Ik draag u 't krijgsrondas, ik draag u 't wapen na,
En hoede u met mijn borst."
IIIe Zang, vs. 654, bl. 53, rl. 2 v. b.
Het schrikgedierte alleen--gaat om.
Dat is, sluipt rond in stilte. Verg. IVe Z. vs. 361. Het woord heeft
iets geheimzinnigs; vandaar dat het in sommige onzer gewestelijke
streken gebruikt wordt van iemand, van wien het bijgeloof vermoedt
dat zijn ziel geen rust heeft en 's nachts op aarde omwaart. Welke
beteekenis in het Woordenboek der N.T., niet is opgegeven. Het woord
"zweeft" slaat zoowel op de over den grond rondgaande roofdieren,
als op het gevogelt dat in het volgende vers vermeld wordt; dat hier
aannemelijk is om het onhoorbare der beweging, zoowel van tred als
van vlucht van dit nachtgespuis.
IVe Zang, vs. 71, bl. 55, rl. 7 v. b.
De slachting noopt de vlucht.
De naamwoorden moeten hier eigenlijk met kapitale letters staan. Geheel
in den stijl van het klassieke heldendicht stelt B. de toestanden en
hartstochten die zich op het slagveld ontwikkelen als personen voor:
zoo Homerus, II. IVe Boek, vs. 440, volgg. en Virgilius, En. IX,
vs. 719.
IVe Zang, vs. 230, volgg. bl. 59, rl. 10 v. b.
Terwijl een kleene hoop--
Die voorstelling der in het water dartelende krijgslieden, die
onder dat bedrijf door den vijand verrast worden, kan B. voor den
geest gestaan hebben uit een voorval, dat plaats had gedurende de
burgeroorlogen van Florence, en door het penseel van Michel-Angelo
is vereeuwigd.
IVe Zang, vs. 262, bl. 60, rl. 4 v. b.
(De vorst) wint--de steilte van den boord.
D.i. bereikt. B. had deze keurige aanwending van het w. w. "winnen" bij
Vondel opgemerkt, en vestigt er de aandacht op in zijne Aanmerkingen
op Huydecopers Proeve, bl. 2.
IVe Zang, vs. 264, bl. 60, rl. 6 v. b.
Maar een steen, die 't hoofd hem dacht te kneuzen, enz.
Segol, als later blijken moest, wordt hier beschermd door een
bovenaardsche macht: dit wordt uitdrukkelijk gezegd Z. V, vs. 269,
bij een dergelijk geval.
IVe Zang, vs. 284, bl. 60, rl. 10 v. o.
De boogpijl vliegt hem (den vijand) na met moorden en ontzielen.
Dit schijnt eene tautologie; maar ik meen dat "moorden" hier kan
opgevat worden als "doodelijk wonden".
IVe Zang, vs. 289, volgg. bl. 60, rl. 5 v. o.
--Een aantal lijken dekt
Den grond, waarheen hij ziet, enz.
De indruk hier gemaakt door het vinden en aanschouwen van het
noodlottig slagveld herinnert de schoone beschrijving van het
wedervinden van Varus' legerkamp, in den Germanicus van mevr. Van
Winter (Ve Boek) aan Tacitus ontleend:
"Hier rijst van allen kant voor de oogen des soldaats
Een schrikkelijk tooneel", enz.
IVe Zang, vs. 371, bl. 63, rl. 7 v. b.
De rust is voor 't gemeen, dat niet dan d' arm kan roeren;
Geen vorsten, die 't bevel van rijk of leger voeren.
Ook deze gedachte is aan Homerus (II. IIe B. vs. 24, 25) ontleend. Maar
de weemoedige wijze, waarop zij hier door den Vorst zelven wordt
uitgesproken en het geheele tooneel voeren de kleur der Ossianische
poezy.
IVe Zang, vs. 395, bl. 63, rl. 10 v. o.
Ik zag Mechujael mijn grootvaar in zijn grijsheid.
Segol, die hier spreekt, had reeds "vier eeuwen de legerknots met
roem" gevoerd (vs. 481) en behoorde, als kleinzoon van Mechujael tot
het zesde geslacht van Adam onder de Kainieten (zie Gen. IV, vs. 17,
volgg.) Hetgeen bevestigt, wat door ons opgeteekend is omtrent den
tijd waarin de dichter zijn handeling plaatst.
IVe Zang, vs. 404, bl. 63, rl. 2 v. o.
--Van uit een hooger orden.
Ik meen dat B. hier "orden" genomen heeft als het grondwoord van het
w. w. "ordenen"; zooals van "baak bake, baken" komt "bakenen".
IVe Zang, vs. 458, bl. 65, rl. 15 v. b.
En sticht het Godlijk rijk, vol waarheid, deugd, en plicht.
D. C. valt hier zijn grooten meester hard, omdat hij in het Godsrijk
nog spreekt van "deugd" en vooral van "plicht". Valt tegen dit
oordeel niet iets in te brengen? Blijft in dat Rijk niet het recht
van God bestaan op de aanbidding zijner schepselen? en blijft het
niet hun deugd, lost zij zich daarin niet op, hieraan met vreugde te
voldoen en dus een "plicht" te vervullen, die aan het goddelijk recht
beantwoordt? Maar in het Godsrijk is die plichtsvervulling volmaakt,
omdat zij alleen uit liefde en uit niets anders voortvloeit, en daarom
volstrekt vrij is.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 | 9 |
10 |
11 |
12