A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Annual Bibliography of Commonwealth Literature 2007
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

De ondergang der Eerste Wareld

W >> Willem Bilderdijk >> De ondergang der Eerste Wareld

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12



Zoo spreekt hy, werpt een oog door 't flikkren van een traan
Vertederd, op zijn bende, en blijft nu roerloos staan.
Slechts enklen, door de kwaal min hevig aangegrepen,
Staan, om hun Vorst geschaard, van stille smart benepen,
En zweeren, zijn gelei' te volgen in den dood.

"Neen (zegt hy), 'k laat mijn volk niet over aan hun nood.
Hun krankte eischt lafenis en bystand. Hen verlaten
Waar Arbalieten waard, niet, Segols onderzaten!
Neen, scheppe uw blik hun troost by 't aaklig stervensbed.
En luike uw hand hun oog naar de ouderlijke wet!
Of, zoo mijn zuchtend hart een zoeter hoop mag voedsteren....
Maar neen, voldoet Natuur, met lijdenden te koesteren!
Dees plicht moet heilig zijn, ook boven 't Vaderland:
Dit moog verloren gaan, de menschlijkheid houdt stand.
My roept en huwlijksband en koningsplicht te gader,
Vaartwel!"--

Men volgt hem na,--"Uwer volken vader,
(Dus roept men) blijf ons by; wy snellen voor u heen,
Of duld dat onze moed zich met uw vuist vereen'!
Wy kruipen, zoo 't moet zijn, als weerelooze wormen,
Om met ons stervend rif uw borst een wal te vormen,
En smooren, voor uw oog, met wellust, in dat bloed
Dat u geheiligd is, zijn' Koning vlieten moet!
Blijf, Koning, blijf!"--Die stem stijgt vruchtloos naar den hoogen.
Te laat! reeds is hy 't oog en 't hol gegalm ontvlogen!
De helft der weinigen, tot wapendienst in staat,
Beeft echter dat hun arm den dappren vorst verraadt,
En ijlt hem na op 't spoor. Het hart der min vermetenen
Voelt zich door 't streng bevel aan 't krankenleger ketenen,
En, siddrend voor het lot dat hun' Monarch verbeidt,
Smelt als in tranen weg van angst en tederheid.

De Voortocht, middlerwijl, den Vorst vooruit getogen,
Trok Zuidwaart; doch, welhaast door 't heuvlig zand bedrogen,
Verdoolt ze en raakt verward in 't dichte Palmenbosch,
Waar zich de Reus onthoudt, op Beth-urs plondring trotsch.
Hier vindt zy zich, op eens, met overmacht van krachten
Bestookt, eer ze iets vermoedt of vijand kan verwachten.
't Gezicht dier monsters, hoog van lichaam, woest van blik,
Verwekt den jaagrentroep een nooit beproefden schrik.
Hun schorre wapenkreet doorklinkt by 't overvallen
Het woud, en treft hun 't hart als 't hevigst donderknallen.
Zy siddren. Dus bezwijkt de wolfhond, stout van moed,
Wanneer de rosse leeuw op 't daavrend jachtgetoet
Hem opdaagt uit zijn hol met de opgesparde kaken.
Ja, starend zien zy ze aan, als twijflend of zy waken,
En grijpen naauwlijks naar hun wapens; eer geslacht
Dan op verweering van hun eigen lijf bedacht.
Men deinst; men woelt door een; men loopt de dood in de armen,
En vruchtloos kromt de boog, nu machtloos tot beschermen.
De mengling van 't gevecht maakt ijlings 't fel geschut
Hoe vreeslijk in hun vuist, ten wederstand onnut.
Zij vlieden. Velen, door de reuzenknots verslagen,
Bedekken de aarde met hun lichaam. Meer op jagen
Dan oorlog afgericht, beeft hier de zelfde hand
Die op 't gediert' des velds geen boogpees vruchtloos spant,
En weinig pijlen zelfs, die niet heur doelwit misten;
Ja, 't schijnbre van den strijd is hooploos bloedverkwisten.
Maar ook de vlucht kost bloed door 't onbekende woud,
Daar de angst geen weg herkent, en pad noch voetspoor houdt.
Een derde bleef, ontzield, of in der vossen holen
De dood die hen vervolgt voor 't oogenblik ontscholen;
Het oovrig wint de vlakte, en, van den schrik bekneld,
Vliegt ademloos in 't rond door 't onbegrensde veld.

Thands nadert Segol: ziet zijn voorhoede, en aan 't vluchten.
Wat, Hemel, moet hy meer in zoo veel rampen duchten!
Hy roept. Zijn forsche galm klinkt in de lucht weerom,
En maakt in 's vluchtlings hart de stem der doodangst stom.
Men staat.--Hy nadert, spaart, in weerwil van zijn smarten,
De schaamte van 't verwijt aan hun getrotfen harten,
Ontveinst zijn ongeduld, en smoort zijn felle spijt.
"Spitsbroedren (zegt hij), hoe! gij trokt alleen ten strijd?
Gij waandet uwen Vorst te dienen met uw wonden?
Neen, met een ander doel waart gy vooruit gezonden.
Men strijdt niet, waar hy-zelf de heirspits niet gebiedt:

Waar bloed vergeten moet, ontziet hy 't zijne niet!
Getrouwen, 't was te veel; uw hart heeft u bedrogen.
Leert onder zijn gelei' de kunst van 't orelogen.
Die moed, die u bezielt, waarvan gy 't blijk doet zien,
Zal, met hem, wondren doen, als hy u zal gebien.
Hier is hy: voegt u t' saam: herstelt u; schept vertrouwen!
Maar wacht u, 't oorlogsperk voor louter jacht te houen.
Gehoorzaamheid aan 't Hoofd is wat onwinbaar maakt;
Maar breidellooze drift heeft ijlings uitgeblaakt."

Hy zwijgt, verdeelt hun bende, en voert zijn tochtgenooten
(Ter wederzijde, van den schuttrendrom omsloten)
Naar 't woud, waar uit hun vlucht hem 's vijands macht bewees.
Nu druischen Reus aan Reus, bemoedigd door hun vrees
Met dubble stoutheid, uit dien schuilhoek, meer tot moorden
Dan vechten.--Segol spreekt, en de uitgespannen koorden
Der bogen zenden thands, op 't teeken dat hy gaf,
Met vaster hand dan eerst, de pijlen op hen af
De monsters vallen, en verdunnen steeds in 't naderen,
Gelyk by Najaarsstorm de drooggeworden bladeren
Van ijp- of olmenhaag. Hun stoute ziel bezwijkt,
En de overwinnaar, op zijn beurt verwonnen, wijkt.

De zege schijnt beslist.--Dit kan uw borst niet lijden,
Argebar! Reuzentelg, die opgegroeid in 't strijden,
Reeds driewerf Beth-urs burg verbrand hadt en vergruisd.
Gy zwaait een olmentak in de opgestoken vuist,
En stuit den Arbaliet, gereed den rug te bieden:
"Lafhartigen, houdt stand! Hoe, gy voor Kain vlieden?
Gy, door Natuur gevormd tot meesters van 't heelal!
Ja, vliedt, maar door mijn bloed, als u mijn arm ontvall',
Niet eer!--Wat ducht ge?--Een zwerm van hardgespitste rieten!
Jaagt die den schrik in 't hart van moedige Arbalieten?
Ontzinden! Is 't de pijl, of is 't de zwakke hand
Die ze afzendt, die uw kracht ter nederploft in 't zand?
Die, waar ge uw knotsen velt in onbedwingbare armen,
Hun tengre leden voor uw aanval kan beschermen?
Neen, de afstand is 't alleen, waarvoor gy duchten moet;
Die stelt uw arm te loor, die kost u wonde en bloed.
Dit is hun wapen, dit.--Te naadren, is verpletten.

Snelt, broeders! ons verderf is aarzlen en verletten!
Slechts weinig stappen, en die pijlzwerm heeft gedaan.
De zwakkre strijdt van verr'; de heldenkracht grijpt aan.
Komt, volgt my."--'t Schuim der woede omspat zijn breede kaken
En ruiggekroesden baard: zijn nijpende oogen blaken:
Hy stampt, ziet driewerf om, en vliegt zijn bende voor;
Zy volgt hem, en men streeft den afstand buldrend door.

De Koning, aan het hoofd der zijnen, ziet dit ijlen.
Zy naken, en de wolk der afgeschoten pijlen
Is reeds min moordend: Maar wat zal hy in dees nood,
Met Jaagren zonder moed, van wapenweer ontbloot?
't Is hier dat leger niet, dat op gevelde sprieten
Den reus verwachten kon, de bloem der Kainieten!
Te kleen in aantal tot verdubbling van hun rij,
Belemmert zelfs de speer in 't strijden van naby.
Reeds ziet hy, in zijn geest, hun bende doorgebroken,
Omcingeld, en verstrooid, en Arbals bloed gewroken.
Hy peinst een oogenblik. Nu vat hy nieuwen moed,
Hy breidt zijn slagorde uit, en deelt zijn schuttrenstoet
In hoopen, ordent hun, om 's vijands loop te teugelen,
Van af- tot afstand plaats, aan 's legers beide vleugelen,
Met tusschenwijdten in een dubble reeks geschaard,
Die 't middelpunt des heirs voor d' overval bewaart.
Dus sluit zijn kleene macht door 't kunstige verbreeden
Een ruimen veldgrond in, die, met een kreek doorsneden,
Den vijand ophoudt en steeds blootstelt aan de schicht,
Thands uit een halven kring op zijnen drom gericht.
Die--vliegt doldriftig toe; maar, onder 't wondengaderen,
Om 't spillen van zijn bloed steeds meer verhit in 't naderen,
Raakt aan den boord der beek in kreupelhout verward,
En gilt van woede en spijt en ongeduld en smart.
Men overspringt, doorkruipt, doorwaadt, de hinderpalen,
Of baant zich weg door 't nat, met boomen uit te halen
En loof en tak en stam te ploffen in 't moeras,
En kloutert langs die brug, of smoort zich in den plasch.
Een aantal wendt ter zijde, en dreigt met woedend rennen
Het laatste schuttrenrot in eens op 't lijf te schennen.
Maar de eersten vinden zich van allen kant verrast,
En tuimlen langs den grond, by hoopen saamgetast.
Argebar nog streeft door, en, wie er om hem sneven,
Hy wekt den moed in 't hart van al wie overbleven,
En, met een vijftigtal waaraan hy 't voorbeeld gaf,
Rukt op het middenvak van Segols heirfront af.
De Koning geeft bevel. Zijn speerbende, aan het schudden,
Dringt samen, biedt hun spits, gelijk de rundrenkudden
Den veewolf stuiten op der hoornen punt. De spriet
Doorboort Argebar-zelv', en heel zijn drommel vliedt,
En ploft, den rug doorpriemd van pijlen, neer in 't vluchten.

Maar meerder had het heir aan 't uiterst punt te duchten,
Waar derdhalf-honderd reeds in 't bloed der jaagren baadt,
Wier smaldeel, eens bereikt, geen oogenblik weerstaat.
Vergeefs had Segols last den plicht hun voorgeschreven,
Te wijken, en den Reus hun slagorde op te geven,
Om in de ruimten van der vleuglen tweede rij
Zich weer te vormen en te sluiten zij' aan zij'.
Zy stonden: vloden straks; maar, woest uit een geschoten,
Verspreiden zy hunne angst door al hun strijdgenooten.
Geheel die vleugel schokt, en trekt zich thands in een,
En 't wordt een zwakke hoop, wat eerst een leger scheen.
Hier voerde Choch de knots aan 't hoofd der reuzen. Dapper,
Als ginds Argebar was, en in den arm niet slapper,
Stijft hy zijn menigte door 't voorbeeld, en vergruist
Wat nek of schedel biedt aan de opgeheven vuist.
De slagen regenen om 't dichtst op een, en spelen
Door 't om zich spattend brein en open bekkeneelen,
En brijzlen arm en boog in 't rekken van de pees,
By 't menglen van 't gejoel van razerny en vrees.

De Koning ziet de vlucht, de wanorde, en 't verwarren,
En knarstandt van de spijt. Als duizend ijzren harren
Of grendels, rood verroest, en in hun ring verwrikt,
Zoo klinkt het door de lucht, en heel het heir verschrikt.
Hy kent der Reuzen kracht en de onmacht van zijn strijderen,
En hoe zijn zege hangt aan d' afstand en 't verwijderen.
"Wie uwer (roept hy uit), gy, spanners van den boog,
Is zeker van zijn hand en onbedrieglijk oog?
Hy spreke, en trede voor!"--Slechts vijftig mannen treden
De slagorde uit.--"Genoeg! (dus zegt hy) 'k ben te vreden;
Gy, volgt my! 't overschot des legers sta hier pal!"--
Flux spoedt hy aan hun hoofd door 't uitgebreide dal
En valt de reuzen met een pijlzwerm in de lenden.

Geen schicht die 't doelwit mist. Zy vallen, worst'len, wenden,
Vertrapplen zich, terwijl een tweede bui reeds treft,
En, van den zelfden kant, de derde zich verheft.
Een derde hunner ligt verslagen. Driewerf dertig
Verzaamlen zich, terwijl de meesten meer flaauwhertig
Een vrijburg zoeken in hun bosschen. Maar die hoop
Snelt op den Koning toe, onstuitbaar in zijn loop.
De schutters sidderen. De Koning ziet hen naderen;
Het vuur des ongedulds woelt bruischend door zijne aderen;
En mooglijk dat hy thands, in overmaat van moed,
Zijn bloed gemengeld had aan 't laauwe reuzenbloed,
Zoo niet een sterker macht van uit de hooger kringen
Zijn schedel had bewaakt. De taaie koorden springen
Nog eenmaal los, en wat zich bloot gaf, ligt geveld,
Terwijl de ontzachbre troep als voor het oog versmelt.
Nog naakt zy, en de knots in de opgeheven armen
Wankt over Segols hoofd en wie dat hoofd beschermen.
Hy-zelf ontzet niet, maar de heirbijl in zijn hand
Houwt d'arm die hem bedreigt met eenen slag in 't zand,
En klooft de breede borst aan drie paar forsche reuzen,
Wier hand de boom ontvalt waarmee zy hersens kneuzen.
Choch nadert, alles beeft. Een pijl doorboort zijn strot.
Hy rukt hem woedende uit; wanneer een tweede schot
Door de eigen hand bestierd, hem plotsling neer doet zijgen
In 't lillend hart geraakt. Men hoort zijn adem hijgen
En 't borr'len van zijn bloed dat uit zijn wonden welt.
Doch 's Konings keurtroep wordt van rondom fel bekneld;
De boog wordt werkeloos, en oog noch handgreep baten.
Geen jagers eischt dees nood; geoefende soldaten.
Dan, Segol strijdt, en zy, door 't voorbeeld aangespoord,
Bezwijken niet, maar staan, in 't midden van den moord.
Thands wordt de pijl een dolk, in 's schutters vuist gesloten,
Waarmee zy elk die naakt in buik en boezem stoten.
Men valt, maar wreekt zich-zelv' terwijl men nederstort,
En 't ijzren reuzendom schiet by hun kunst te kort.
De vlugheid (op de jacht geoefend) van hun leden
Wijkt hier de slagen uit, duikt elders naar beneden,
Ontspringt den vijand, of verbijstert hem 't gezicht,
Of lamt hem arm of knie in 't ledend beengewricht.
Men dringt zich driftig voor den Koning, die in 't strijden
Nu her- dan derwaart vliegt, de dood aan alle zijden
Verdeelt, en overal dat wapen schittren laat,
Dat nergens keerbaar is, maar bliksemslagen slaat.

Nu was 't geen strijden meer van krijgren, geen slagorde,
Maar leeuw- en wolvenmoord in de overvallen horde
Van herders, wie de nood, van allen kant omringd,
Tot weerstand in de dood, tot moed en wanhoop dwingt.
Met nagels, tand, en vuist, weerstaat men klaauw en kaken
Van 't grimmig roofgediert' en de uitgerukte staken
Der schaapskooi strekken voor de jachtspriet of voor 't zwaard;
En worstlend stort de leeuw by die hem worgt ter aard.
De Reuzen, in getal verminderd, eerst bespringers,
Zijn thands besprongenen: De knots ontvalt hun vingers,
En treft te langzaam om den stoet die hen bestookt
Te keeren, daar hun 't bloed uit al de poren rookt!
Zy werpen 't wapen weg, en grijpen met de handen
De jagers by de keel, of zetten heete tanden
In 's vijands spieren, dien hun woeste kop rammeit
En neerploft, dan vertrapt in dolle grimmigheid,
Of woedend opscheurt met gekromde nagelspitsen,
Meer scherp en meer gepunt dan Segols jaagrenflitsen,
Waarvan hun eigen borst de doodkwetsuur ontfangt,
Terwijl 't gedrochtlijk lijf zijn overwonn'ling prangt
En d' adem uitperst of den gorgel breekt.--De Koning-
Alleen, ontzachlijk, staat in schrikbre machtvertooning
Met d' opgeheven bijl in 't midden van een wal
Gesneuvelden, gelijk een hooge ceder, pal.
Iets Godlijks schijnt dit uur als uit zijn oog te stralen!
Zijn fiere boezem wordt verwijd in 't ademhalen:
"Op, Helden (zegt hy)! op! voltooit uw zegepraal!"

Die stem doorklonk het veld, en ('t scheen) een bliksemstraal
Vloog teffens door de lucht. Zy treft den Reus in de ooren
Hy geeft den weerstand op en acht zich-zelv' verloren,
En, nietig overschot, bedekt met wond en buil,
Ontvliedt hy 't schriktooneel in angstig noodgehuil.

Men volgt, en zet het woud, waarin zy schuilplaats vinden,
In vuur. De vlam stijgt op, by 't bruizen van de winden,
En 't vijandlijk geslacht, verdreven door den brand,
Keert, als vertwijfeld weer, en zoekt zijn vaderland.

De strijd gaf zege en moed; de moed, vernieuwde krachten.
Men leert den schrikbren stal des Arbaliets verachten,
En 't gantsche leger roept van uit de volle borst:
"Ten vijand! naar den strijd! geleid ons, Wareldvorst!"

De Koning kent den aart van 't bruischend driftvermogen:
Hy vreest den geest des volks, als vlottend zand bewogen,
Dat, naar de wind zich wendt, dan her- dan derwaart drijft,
En weemlende in zijn ko'*k geen zeekren kring beschrijft.
Hy zucht. "Mijn vrienden, neen! (dus spreekt hy) staakt uw schreden;
Uw arm voldeed zijn plicht. Men rust' de moede leden,
En spaar zich voor het heil der wareld, tot de dag
Verkoele, en 't bloed verfrisch', nog kokend van den slag.
Ververscht u in dit oord: het biedt u rijpe olijven,
Met dadel, druif, en vijg. Tot nieuwe krijgsbedrijven
Gesterkt, wat wacht mijn hoop van zulk een heldenstoet,
Die by zijne eerste proef reeds zulk een poging doet!"

Hy zwijgt. Men zet zich neer in afgeperkte rijen,
Van 't zonlicht afgekeerd. Hy plaatst ter wederzijen
Een drom van schutteren tot wachters. Slechts een deel
Gaart ooft en lafenis langs 't groenend veldtooneel,
En wisselt telkens af, om op zijn beurt te rusten.

Maar welk een sappig ooft kan Segols hart gelusten,
Zijn smaaktuig streelen? Ach! gespleten van de dorst,
Verhardt gehemelt', tong, by 't gloeien van de borst.
Doch 't is geen boomvrucht, 't zijn geen ruime waterteugen
Die 't koelen, die den brand zijns boezems dempen meugen.
Dat vuur zit dieper. 't Wee om Zilfaas deerlijk lot
Doorvlamt zijn aderen en ronkelt door zijn strot.
Hem walgt van rust en spijs. Hy stapt met wijde schreden
't Verpoozend leger langs. Zijn straffe vuisten kneden
De lucht; zijn adem bruischt; zijn boezem rijst omhoog;
En 't schijnt een stroom van vuur die uitbarst uit zijn oog.
"o (Roept hy hijgende uit) Gy, eenig hoogst Vermogen!
Gy, zoo Gy beden hoort, o sla uw heilige oogen
Op Segol--op dit stof dat Segols ziel omkleedt!
Geef kalmte aan 't lijdend hart, dat wegsmelt in zijn leed!

Ach! 'k wilde 's aardrijks kroon, 'k hergeef haar, God der Goden.
U zij ze, en U-alleen, geen' stervling aangeboden!
Geen middelbaar gezag op lucht of firmament!
Maar toon u, sterke God, word Segols hart bekend!"

Hy zwijgt. Een zachte koelte omstroomt zijn moede leden.
Een nevelachtig licht omwemelt hem in 't treden,
Als of een wolk van damp zijn stappen onderving.
Zijn statig voorhoofd bloost, omschenen met een kring
Van stralen, die hun glans om 't rijzig lichaam spreiden,
Dat, vonklende als een vuur, zich thands schijnt uit te breiden,
En 't purper bleeken doet, dat om zijn schouders drijft,
En slingrende in de lucht een golvend welf beschrijft.
Zijn voeten raken thands geen grond, maar opgeheven
Van de aarde, schijnt hy als een hemelgeest te zweven.
Zijn leger siddert, valt op 't aanzicht, en verwacht
Stilzwijgend d' uitslag van een aanblik, zoo vol pracht.

Gy, Dichtkunst, reine Geest des Hemels, my by 't leven
Tot zalfster aller ween, geleide, en schuts, gegeven;
Gy, hangende aan de borst op moederlijken schoot,
My zoeter dan de melk die uit heure aders vloot;
En, trouwe gezellin door ballingschap en plagen;
Mijn wellust tot aan 't eind der my bestemde dagen!
Meld, meld my, geef my in, verkondschap door mijn mond,
Het wonder dat ik zing, zoo Gy 't verklaren kondt.
Maar ja, Gy kunt het, die in hooger kring geboren,
Niet naspoort, maar doorziet; geen onbetrouwbare ooren,
Maar 't eigen zelfgevoel tot waarborg hebt: Ai spreek,
En spiegel in mijn zang (gelijk een heldre beek
De drift der wolken in de rimpling van het water
Met golven naspeelt) wat ons ijdel klankgeklater
Der denkkracht voorstelt: Dek het kleed der heemlen op;
En kleure uw zon heur licht in onzen regendrop!

[1810.]

[In de 3e. Uitgave van het Dichtstuk, onder den titel van BILDERDIJKS
EPOS, leest men nog de volgende regels, gevonden op een strook papier,
met des Dichters hand beschreven en geplaatst in een HS, waarin de
zestien laatste regels tusschen teksthaakjes staan:

Nu hief een wervelwind hem hooger dan de wolken.
Hy zag de drijvende aard en waterblaauwe kolken
Zich wentlen in de verte, en 't scheemrend licht der maan
Bescheen hem van omlaag. Een siddring greep hem aan
Wen een onzichtbre hand zich in de zijne kleefde,
Hem opvoerde, en met hem den ethersfeer doorzweefde,
En Segol, Segol, riep!...

[Noot van den Uitgever.




AANTEEKENINGEN OP ENKELE PLAATSEN VAN BILDERDIJKS EPOS.

Ie Zang, vs. 27, volgg, bl. 2, rl 9 v. b.

--En 't Heil der diamanten zalen
Den stervling overbrengt in amethysten schalen.

Da Costa aarzelt, hier iets "gedrongens" te vinden. Ik zou nog verder
durven gaan en beweren, dat die geheele aanroep aan de dichtkunst,
van vs 19 af, te weelderig is, en in dit opzicht ongunstig afsteekt
bij den voorbeeldigen, echt epischen aanhef van het gedicht, vs 1--8.

Ie Zang, vs 36, bl. 2. rl 18 v. b.

----En Godlijk laat beklagen.

B. bedoelt voornamelijk de schoone plaatsen van het Parad. L. III,
150 en 232.

Ie Zang, vs 41, bl. 2, rl 15 v. o.

Waar de aadlaar van het zwerk de wieken druipt.

De aanwending van het w. w. druipt schijnt hier zeer ongemeen; als
bedrijvend genomen, in de beteekenis van "nederwaarts laten zakken";
verwant met het Engelsch: to drop. Zoo, in den IIen Zang, vs. 110,
"hing" voor "liet hangen".

Ie Zang, vs 55, bl. 3, rl 1 v. b.

Aartsvader Adam had, enz.

Het getal wordt hier bepaald der na Adam reeds uitgestorven geslachten,
op het tijdstip waarvan de dichter de gebeurtenissen, voor de in
zijn Epos bezongen handeling verloopen, begint te verhalen. "Twee
paar" (vier) "rijen neven" (geslachten) waren Adam reeds in 't graf
gevolgd. De omstandigheden uit het verleden dat de dichter hier
ophaalt vielen dus voor onder den vijfden Aartsvader, Jered, die,
volgens de tijdrekenkundigen, (zie Simsoni Chron.) in het jaar 1422
der wereld, overleed, en onder wiens leeftijd het apocryfe boek van
Henoch het ontstaan der Reuzen plaatst: zoodat onze dichter, zonder
de afwijkende tijdrekening van dien schrijver te volgen, en zich aan
die van den hebreeuwschen tekst houdend, het verschijnen der Reuzen
op aarde als reeds vier eeuwen geleden in dit verhaal heeft kunnen
voorstellen (vs 239); verg. de aant. op den IVen Zang vs 395.

Ie Zang, vs 104, bl. 4, rl 10 v. b.

--Een walm van balsemige luchten
Doorwaaiden uit dien hoek.--

De grammatische onregelmatigheid, die wel elders voorkomt, waar het
enk. z. n. eene menigte voorstelt, (verg. Z. IV, vs 531) komt mij
hier hard voor. Ik twijfel of B. niet geschreven had of bedoelde
te schrijven: "Doorwaaide uit dezen hoek"; dat mij ook deftiger en
levendiger (als de onmiddellijke aanwijzing van hetgeen den dichter
voor oogen staat) voorkomt, dan: "uit dien hoek." Wat mij echter doet
aarzelen deze lezing aan te bevelen, is de plaats in den IVen Zang,
vs 632, waar het woord "waterdamp" insgelijks met het w. w. "dalen"
(3e pers. meerv.) wordt in verband gebracht.

Ie Zang, vs 111, bl. 4, rl 17 v. b.

De stam van Kain hief, in weinige geslachten, enz.

"Hief", dat is, had zich, binnen weinige geslachten, boven den stam
van Seth verheven; en vandaar volgt de beschrijving van den toestand
zooals die was op het tijdstip waarvan de dichter begint: (vs 55)
eerst met een terugblik op hetgeen was voorafgegaan, tot op vs. 215,
waar het woord "toen" dit tijdstip nader aanduidt. Vandaar af volgen
elkander onafgebroken de onderscheiden vijf historische tijdvakken op,
die in ons hierachter volgend betoog, over het ontwerp des gedichts,
zijn aangewezen.

Ie Zang, vs 157, bl. 5. rl 12 v. o.

--Had aan 't wraakgeschrei der aard
De vloek zijn vaders zich, bij 't misdrijf, niet gepaard.

B. heeft te recht, als uit de variante blijkt, verbeterd: "des
vaders". "Zijns" zou op den "bloedvlek" slaan, waarvan de vermelding
onmiddellijk voorafgaat.

Ie Zang, vs 164, bl. 5, rl 5 v. o.

--In honderden van vesten.

Men denke hier niet aan steden; dat buitensporig zou zijn; maar aan
versterkte plaatsen: castella, castra. Zooals Segol er een beschrijft,
IIIe Zang, vs 555, volgg.

Ie Zang, vs 191, bl. 6, rl 20 v. o.

Dan gaat ze in stroomen bloeds, in bloed en brein, te wed.

Ik twijfel of B. niet geschreven heeft: "in bloedig brein".

Ie Zang, vs 217, bl. 7, rl 8 v. b.

--Ook de almacht hield altaar
Noch offer meer.--

"Hield" staat hier voor "behield", naar een taaleige onzer dichters,
waardoor het meer gebruikelijk prefix van het w.w. wordt weggelaten;
als "minnen" voor "beminnen", en als b. v. vs 111, "hief" voor
"verhief"; en in den IIen Zang, vs 111 "bleekte" voor "verbleekte",
in den IIIen Zang, vs 425, "schikke" voor "beschikke."

Ie Zang, vs 247, volgg. blz. 8, rl 1 v. b.

Dit schrikbaar reuzenvolk--

Had lang aan 't eenzaam noord aan 't steigren van 't gebergt,
De berggeit op de kruin des standmuurs nageklommen.

Het, is moeielijk te zeggen, wat de dichter, met het woord "standmuur"
gemeend heeft. Da Costa legt het uit: "steil opgaande hoogte"; zooals
hij zich in zijn briefwisseling met mr. Groen van Prinsterer, bl. 89,
uitdrukt: "staande muur--natuurlijke muur, die een rots formeert
tegen of boven den afgrond". Ik twijfel of deze beteekenis in het
woord kan liggen, en of de meening des dichters dus genoegzaam ware
uitgedrukt. Geene uitlegging die voldoet schijnt hier mogelijk. Ik
meen dat B. geschreven had of bedoelde te schrijven: "strandmuur":
d. i. "de rotsketen die als een steile muur het strand afsluit";
waarop dan zeer goed het volgend vers slaat: "En onder zich den storm
in d' afgrond hooren grommen". Bilderdijk heeft zoodanige omgeving
"'t klippig strandgebergt" genoemd, in de Kathloda, bl. 185 kr.,
en een weinig verder, in dit zelfde gedicht, die zelfde natuurlijke
omwalling van het eiland, waarvan sprake is, aangeduid met de woorden:
"Ithormaas strandring." (bl. 188; kr.)

Ie Zang, vs 280, bl. 8, rl 6 v. o.

De grond herbouwde zich.

Ik geef 't in bedenken, of de dichter, in plaats van het nederduitsch:
"Men herbouwde den grond", niet een gallicisme gebruikt heeft. Het
fransch zegt: "ces fruits se mangent en hiver".--"Les lois se font pour
etre obeies". Het Nederduitsch gebruikt hier men of worden, wanneer
er sprake is van eene werking die niet van het onderwerp zelf uitgaat,
als b. v. wanneer men zeide "de grond bekleedt zich weer met groen".

Ie Zang, vs 291, bl. 9, rl 6 v. b.

En Hemath stond omringd, van 't heuvlig land der beken,
Tot daar m' in 't neevlig west de dagtoorts zag verbleeken.

Met "omringd" drukt de dichter uit wat men, meer gewoon, zou noemen
"omcingeld," met het denkbeeld van onveiligheid.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.