A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Annual Bibliography of Commonwealth Literature 2007
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

De ondergang der Eerste Wareld

W >> Willem Bilderdijk >> De ondergang der Eerste Wareld

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12



De koning staat versuft.--Hij voelt zich 't voorhoofd bleeken.
De schaamte ontvlamt zijn borst en doet zijn oog ontsteken.
"Op! helden (roept hy), die van's vijands bloed nog druipt!
't Gevaar ligt in de vrees, wanneer zy 't hart bekruipt.
Uw Koning streeft u voor; hebt moed hem na te streven,
En, sterv' wie strijden kan, en vatbaar is voor beven!"

Hy spreekt. Hy rukt den spriet een' krijgsman uit de hand,
En stoot den sterksten reus, van ondren op, in 't zand:

Een tweeden, dwars door 't hart, een derden in 't verheffen
Der knots, door d' oxel heen, eer nog zijn arm kan treffen.
Zy vallen; en de Vorst, door nieuwe drift ontgloord,
Wint, in een oogenblik, de steilte van den boord.

Hy staat. Zijn gloeiend oog ontzet den moed der reuzen;
Zy deinzen. Maar een steen, die 't hoofd hem dacht te kneuzen,
Vliegt uit eens vijands hand, en slingert langs zijn borst,
En, 't Leger geeft een gil en siddert voor zijn Vorst.
Hy duizelt, zinkt te rug, het bloed schuimt door zijn lippen
By golven, en zijn hand laat knots en wapen glippen.
Men ondervangt hem daar hy neerzijgt, dringt verwoed
Het Reuzendom op 't hart, en steigert uit den vloed;
Omringt den Koning, die, met de oogen halfgebroken,
"Voort, Hanochs nakroost!" roept, "uws Konings bloed gewroken!
Voor u is 't dat het vloeit." Hy eischt een watertoog,
Heropent, met een lach, het ingezonken oog,
En spoelt den mond van 't bloed, dat borrelde uit de longen:
"Neen (zegt hy), zege en kracht zijn Segol niet ontwrongen.
Hy leeft nog, tot de straf van 't gruwbre Reuzendom!
En gy, mijn dierbaar volk, gy hebt uw Vorst weerom."--

Hy spreekt, en doet hen flux de pijnboomspietsen vellen,
En in driedubble rij den vijand tegen snellen.
Zy horten hem op 't lijf, en breken door zijn drom,
En werpen met een bots geheel zijn heirspits om.
Nu vliedt hy, met den schrik, den doodschrik, op de hielen.--
De boogpijl vliegt hem na, met moorden en ontzielen,
En Segol leidt zijn hoop aan 't lommerspreidend woud,
Dat de achterhoede by den ingang veilig houdt.

Zoo dacht hy. Maar vergeefs de krijgstromp hier doen hooren!
Geen andwoord!--Hy genaakt: wat koomt zijn oog te voren!
Geen legerbende meer?--Een aantal lijken dekt
Den grond, waar heen hy ziet, zoo verr' het oog zich strekt:
Hier, strijdende gedood, met borst en voorhoofdschedel
Gespleten; daar den rug, als vluchtende en onedel,
Gekneusd: hier, hoopsgewijs, en 't wapen in de hand;

Daar wijd en zijd verstrooid, als weerloos aangerand.
Het bloed, op de aard gestald, maar rood, als versch vergoten.--
Het leger zucht, en rilt, en kent zijn tochtgenooten,
En, enkle reuzen, mee in wederstand geveld.

Nu voelt zich 's Konings hart van killen schrik bekneld.
De hairen rijzen hem te berge van de ontroering;
Hy stampt, en slaat de hand in schrikbre driftvervoering
Op d' open boezem; rukt de sluierkroon van 't hoofd
En geeft een heeschen schreeuw, die lucht en wolken klooft.
Men vliegt al siddrend toe: Hy ziet zijn bende beven,
Bedwingt zich; tracht zijn borst den adem weer te geven;
En breekt in klachten uit, maar op den sombren toon,
Die aan een Koning voegt, het evenbeeld der Goon.
"Goon (zegt hy)! Kan het zijn? Terwijl we in 's vijands streken
't Gebergte van zijn bloed, zijn stroomend bloed, doen leken,
Weidt hier zijn woedende arm door onze broeders rond,
En verft, van zijnen kant, den volgezwolgen grond!
Wat doen wy?--Keeren we om de moorders na te sporen?--
Maar welk een lot misschien werd Hemaths dal beschoren!
Licht heeft zijn moedwil daar....! Verhoed het, gunstig lot!
En, sterk mijn arm ter wraak, vermoogt gy 't, Oorlogsgod!
Mijn vrienden, spoeden wy ter redding onzer panden!
Licht, dat dit oogenblik heel Hemaths daken branden!
Licht, dat de ontmenschte Reus en maagd en kinders moordt,
En in ons dierbaarst bloed ... (Mijn tong verstijft op 't woord.)
Zijn wreede klaauwen wascht!--En wy, in ijdle woede,
Wy laten huis en have en telgen zonder hoede?
Koomt! vliegen we, of de spoed dat jammer nog voorkwam!"

Zoo spreekt hy, leunt zich aan een halfontblaarden stam,
En zegt: "Gy offers van uw plicht! Ik zal u wreken:
Ja, schoon mijn woedende arm den afgrond op zou breken,
Haar, wapens vordren, meer verdelgend dan het zwaard
Des Engels, dat om hoog ond Edens poort bewaart!

Rijs, vader Hanoch: rijs ter grafstee uit! Omwemel
Uw afkomst met uw schim! Omnevel' zy den hemel!
Neem uw bescherming weer, maar, schaf my 't zoet dier wraak,
Dat de allerlaatste Reus van mij den doodslag smaak!"

Hy zwijgt; treedt peinzend voort. Het leger volgt zijn schreden
in sombre mijmering en nare angstvalligheden.
't Draagt thands den schedel, 't draagt de borst niet meer zoo hoog;
Geen vonkling meer dier vreugd, die tintelde in hun oog:
Hun schrede klinkt niet meer, als wilden ze onder 't stappen
Het aardrijk door 't gewicht van 't fiere lijf vertrappen,
Daar de opgeheven blik zich uitbreidde in het rond,
En tuige voor zijn roem in ieder voorwerp vond.
Neen, sleepende van tred, met neergeslagen blikken,
Schijnt de adem in de borst van heimlijke angst te stikken.
En moedloos hangt het hoofd, als wilde 't aan den dag
Ontduiken. 't Hart beklemt een halfversmoorend ach
Voor 't vrolijke gejuich, waar 't straks van overvloeide,
En 't schijnt een ander heir dan eerst uit Hemath spoeide,
Den dood in Arbal spreidde en uit des Pizons vloed
Verwinnaar wederkeert. De spijt doorwoelt het bloed,
Doch bruischt en kookt in 't hart, en doet de kaken bleeken
Van radelooze drift by onmacht zich te wreken.
De nacht daalt middlerwijl, en valt, als plotsling neer;
En 't dichtbewassen woud heeft zelfs geen schemer meer.
Hoe fel ook 't harte dringt, hoe heet de boezems blaken,
De duisternis verplicht den legertocht te staken.
De Koning geeft bevel. Men kiest een rijzend vlak,
En sticht een avondvuur van kruid en heestertak,
En houwt een beuk om verr' tot voedsel voor de vlammen.
Nu velt men wijd in 't rond een aantal oude stammen
Met breedgetakten top, en werpt ze met hun kruin
Naar buitenwaart, en vlecht hun armen als een tuin
Te samen, om het heir voor overval te dekken,
Of (licht) de ontstoken gloed een vijand aan dee trekken
Of woedend roofgediert' dat omdwaalt by de nacht.
Een deel der krijgren houdt aan alle hoeken wacht:
Het oovrig strekt zich uit. De Koning, warsch van slapen,
Zit op een boomtronk neer, en houdt zijn bloedig wapen
In d' arm. Zijn schouder drukt met zijlings hangend hoofd
Een jeugdig appelhout, dat nog geen vrucht belooft.
Dus mijmrend, roept hy een der dappre Legergrooten
('t Was Regol, met hem uit Mechujael gesproten):
"Mijn Regol (zegt hy)! deel, in dit zoo aaklig uur
Mijn nachtwaak, by den glans van 't koestringaamend vuur.
De rust is voor 't gemeen, dat niet dan d' arm kan roeren;
Geen Vorsten, die 't bevel van rijk of leger voeren.
Ons lost van onze wacht geen nacht, geen duister af;
Voor ons geen andre slaap dan in den schoot van 't graf!
Zit neder.--Grijzaart, aan wiens witbesneeuwde hairen
De winters zichtbaar zijn, u over 't hoofd gevaren,
't Zwijgt alles om ons heen. Alleen de zorg in 't hart
Waakt met ons in 't gevoel des angels van de smart.
Meld, meld my (want gy dronkt de wijsheid onzer vaderen
Met gretige ooren in, en zwelgt haar in uw aderen),
Wat lot, wat gruwbre macht, die lust in tranen schept,
Dees schrikbare aard regeert, zoo gy 't vernomen hebt.
Waar, waarom treedt de Reus, uit bastaartzaad geboren,
De wareld op den nek? Wat Godheid in haar toren
Bracht ons, ons menschen, voort, en doemde ons weer tot stof?
Wat dicht men van de lust van d' ongezienen hof,
Dien vader Hanoch nooit, dien Kain nooit aanschouwde,
Maar dien (gelijk men wil) de hand van Adam bouwde?
Wat zwoegen we op deze aard, en moorden, en vergaan
Door eigen handen, wy? en bidden Goden aan
Die niet verhooren? Spreek."--De Grijzaart schudt zijn lokken
Die glinstren by het vier, als verschgesneeuwde vlokken,
Terwijl zijn voorhoofd bloost. "Mijn Koning (roept hy uit),
Neen, waan niet dat ik die verborgenheid ontsluit'!
Ik zag Mechujael, mijn Grootvaar, in zijn grijsheid;
Maar lijden: maar geduld, niets anders, was zijn Wijsheid.
Hy drong niet verder in 't ontzachlijk Albewind;
Maar boog het needrig hoofd, in lot en hemel blind.
Dit echter leerden my der vaadren Dichtverhalen:
Een Wezen, 'tgeen geene aard, geen hemel kan bepalen,
Wrocht alles, en regeert het geen Hy oorsprong gaf.
Dit aardrijk werd vervloekt, der menschlijkheid tot straf.
Onze Oudren vielen af, van uit een hooger orden.
Dat Eden, Adams Hof, is hun ontzegd geworden.

God trok zijn invloed van het aardrijk, en een stoet
Van mindre Goden heerscht op 't lichaam en 't gemoed.
Zy storten, naar 't hun lust, verdelging uit en woede,
En nemen hier de deugd, daar boosheid, in hun hoede.
Wy offren hun.--Maar in mijn kindschheid nog bestond
De stam van Kenos, die, met de Almacht in verbond,
Haar eenig rookte, aanbad en offerde op de altaren.
Wat zoude ik u hun leer van 's menschen val verklaren?
Van Hemelgeesten? van gedoemden? van den staat
Der zielen, als heur walm het stervend lijf verlaat?--
Ik volg het voorbeeld na, en 't voorschrift van mijne Ouderen,
En nimmer nam ik 't juk dier dweepers op mijne schouderen,
Dat boete, onthouding, eischt, en afstand aller vreugd.
Ik zag hun aanhang ook verdwijnen sints mijn jeugd.
Een huisgezin alleen bestaat nog, naar 't vermelden
Van 't loopende gerucht, niet verr' van Arbals velden,
En schuilt in nevelen by 't steeds omwolkt gebergt'.--
Zie daar het gene ik weet van 't geen uw weetlust vergt!
Doch, wilt gy, 'k zinge u een van Enos offerzangen,
Uit de oudheid, eeuwen door, van hand tot hand ontfangen?"

De Vorst bestemt het; en de Grijzaart ving dus aan:
"Gy, ongeschapen bron van leven en bestaan!
Gy, onbegrijpbre, die uw ontoegangbre glansen
Omnevelt met de zon: wiens lof de morgentransen
Verbreiden met het licht! Gy, Almacht, Gy gebiedt
En 't is er; roept, en 't wierd, entsprongen uit het niet.
Gy breidt uw handpalm uit; 't is weldaad en bezieling!
Gy sluit ze, en al wat is, stort ijlings in vernieling!
De Duivlen siddren, en het Englendom ontzet,
Waar heen Ge uw opslag wendt, die bliksemend verplet.
De Cherubijn bedekt het aanzicht voor den luister
Des zetels dien Gy drukt, omvloeid met vlammend duister.
De starren wandlen op uw wenken. Dag en nacht
Eerbiedigen uw wet. Maar 't zondige geslacht
Der aarde onteert uw naam door schuldige euveldaden.
Genadige! Zie neer: zie ons in tranen baden!
Ons! afgevallen--ons! van U verwijderd kroost,
Maar in uw heilbelofte, in al uw wil, getroost.

Aanbiddend buigen wy, en kussen alle slagen
Der hand, wier roede ons treft; want Gy geeft ze ons te dragen.
Ja, tref ons, Vader! tref, doorgrief 't verdorven hart!
Doorlouter 't uit genade, en reinig 't door de smart!
Maar neem, Algoede, o neem onze onderworpen beden,
Neem deze onze offers aan! ach, enkle nietigheden,
Maar die Gy heiligt door den boezem waar Ge in straalt!
Wy, wormen uit het slijk, beneden 't slijk gedaald,
Wij weten 't: eens zal de aard met de aardsche lust verdwijnen,
De heemlen opgaan als gescheurde tentgordijnen,
En Uwe ontzachtbre wraak zal dondren door 't Heelal,
Wen Uw geheiligd Recht de vierschaar spannen zal.
Dan sterft de boosheid, de verworpene in uw toorne!
Dan werpt Ge in eeuwig vuur den distel met de doorne,
En sticht het Godlijk Rijk, vol waarheid, deugd en plicht!
o Heilige! beveel; en daag dat heuchlijk licht!"--

De Koning blijft een wijl als van een droom bevangen.
"Neen, Regol (roept hy)! neen, dit zijn geene Aardsche zangen!
Die Godheid, die gy meldt, gaf ze in. Die Godheid leeft!
Die is het dat ik eer; die, voel ik, dat me omzweeft!
Ik wil die vromen zien, uit Enos voortgesproten:
Ontbied hen. 'k Heb voorlang die valsche Goon verstoten
Die gruwlen dulden, ja bevelen. 'k Bid geen Maan,
Geen Starren. 'k roep geen Zon tot mijn bescherming aan:
Mijn arm was my genoeg. Maar in deze oogenblikken
Gevoel ik me aangetast door onverwinbre schrikken.
Neen, de arm eens stervlings is te nietig: en ons lot
Drijft zeker op den wenk van een beschermend God,
Die wreken, straffen zal, en weldaan voor, te jammeren
Des levens spreiden wil. Hem koomt het bloed der lammeren,
Hem 't smokend rundervet op 't heilig outer toe!
Hy zij des aardrijks God, wanneer ik 't bukken doe!"--

In yver rijst hy op. "Ja (zegt hy), ijdle spoken,
Vergaan zy, die voortaan op uw altaren rooken!"--

"Mijn Vorst (zegt Regol)! 'k Heb Argostans val gezien.

Gy met my. Welk een macht deze aarde moog gebien,
Geen stervling is in staat met hooger kracht te strijden.
De Goden in de lucht verdelgen en bevrijden.
Vier eeuwen voert mijn arm de legerknots met roem
Vergun my, dat ik u de waarheid niet verbloem'!
'k Zag duizendmaal de kracht bezwijken: duizendmalen
Den moed bedrogen, en de zwakheid zegepralen!
Ja, 's menschen arm is stof. Hy trotsch' de Geesten niet,
Wier ongeziene hand de kans des strijds gebiedt!"

Dus sprak hy, week ter zijde, en Segol bleef verzonken
In mijmring.--'t Vuur verging in gloeiende asch en vonken.
Zijn hoofd boog neder op zijn boezem, en de rust
Besloop zijn leden met een zachte sluimerlust.
Nu stond hem 't achtbaar beeld van Hanoch weer voor oogen,
Maar, 't lichaam niet verzwakt noch op den staf gebogen.
En helder licht straalde uit zijn boezem op hem af,
Alsof de omwolkte maan haar zilvren schijnsel gaf;
En de uitgebreide palm der opgeheven armen
Scheen zeegnende uitgestrekt met vaderlijk erbarmen.
De Vorst knielt neder, vol van eerbied en ontzag;
Maar 't ratelt om hem heen van bliksemslag op slag;
Zijns vaders oog ontroert. Hy ziet zijn handen vallen,
Zijn aanzicht afgekeerd; en, nieuwe donders knallen,
Wanneer een nachtzwerm van gevogelt' door de lucht
Zich opheft en die glans omnevelt met zijn vlucht.
Thands hoort hy 't scherp gesis van schuifelende slangen,
Die slingrende om zijn lijf, zich aan zijn leden hangen,
Zijn horst benaauwen, en met ijsselijken beet
Hem 't hart verknagen dat steeds aangroeit onder 't leed.--
Hy siddert, hy ontwaakt, met doodzweet overdropen.--
Maar de akelige nacht is midd'lerwijl verloopen.
Hy ziet den schemer van den morgen; wekt het heir;
Breekt op; en daalt, door 't woud, naar Hemaths laagte neer.

Men spoedt.--De dagvorst steekt het voorhoofd uit de kimmen.
Men zag den Gihon thands van zilversprenkels glimmen;
Het Leger' won den stroom; doorwaadde 't; en terstond
Vertoont zich 't groen tapeet van Hemaths vruchtbren grond.

Nu ging de blijmaar op van 't zegevierend Leger
In Hemath weergekeerd. Geen stem, geen adem zweeg er:
't Juicht alles. Alles streeft den Koning in 't gemoet,
En strooit hem rozen, strooit narcissen voor zijn voet.
"Wees welkom (roept men), Vorst, in 's Hemels gunst gegeven!
Verwinnaar! Heldenhoofd, voor wien de Reuzen beven!
Verheug uw volken met uw aanblik weer, en straal
Ons gunstig toe. Keer weer, in Godenzegepraal!"
Men biedt hem versche room, geschept in zilvren nappen;
Verkwikkend boomgaardooft met balsemige sappen;
Met geurige citroen, in schalen uitgeperst,
En wat het brandend hart des dorstenden ververscht.

Hy neemt een gullen dronk; aanvaardt die dankbre gaven
Met minn'lijkheden, die der volken hart verslaven;
En spreekt: "Mijn volk, o ja, ik keer, ik zegevier:
Maar ach, die zege staat het hart uws Konings dier.
Ook wy, wy stortten bloed. Een deel van onze Helden
Bedekken met hun lijk de vijandlijke velden.
Wat vreugde geeft den arm die 't oorlogswapen zwaait,
Een tas van dooden, in verwoedheid afgemaaid,
Voor broedren bloed gekocht! Dat bloed zij felgewroken,
Dit hart blijft onvoldaan, blijft van verwoedheid koken,
En vliedt den dag te moet (waar toeft; waar blijft hy, ach!)
Die d' allerlaatsten Reus mijn woede leevren mag.
Gaat echter, viert dees dag met jubel, met gezangen!
'k Bestemme 't. Laat de doon uw dank, hun recht, ontfangen!
De huppelende tred der maagden streele 't hart!
Voor my, mijn boezem voelt niet anders dan zijn smart.
Doch hoort me, en offert thands geen mindren Hemelmachten!
Geen stargevonkel, doof voor menschelijke klachten;
Maar 't Wezen dat omhoog op al wat is gebiedt:
Hem eere onze outerdienst! De Luchtgoon achte ik niet!"

Men gaat. Het leger wordt ontbonden; 't Veldheerteeken
Voor Segols tent geplant.--Hy, voelt zijne oogen leken,
Herdenkt het nachtgezicht, nog warend voor zijn geest,
En walgt van 't vreugdgejuich en dartlend zegefeest,
In 't diepste van zijn tent, van alles afgesloten,

Ontbiedt hy voor zijn sponde een trits van Hemaths Grooten:
"Gy, die in 't olmenbosch het bloedig schouwspel zaagt
Der slachting, die ons hart met dieper smart beklaagt
Dan 't immer vreugde smaakt om zege of welkomzangen!
Gy weet het, welk een schok mijn boezem moest ontfangen.
Gy zaagt mijn siddren toen voor dit ons Vaderland,
En de onrust woelt my nog door 't kloppende ingewand.
Ik zie dit Hemath weer; niets anders vliegt my tegen,
Dan blijdschaps welkomkreet, ten hemel opgestegen;
Maar Beth-ur trekt my 't hart. Daar ga, daar vliege ik heen.
Mijn afzijn blijv' bedekt! Gy zult mijn plaats bekleen!"--

Hy zweeg.--Men hoort op eens de tentgordijn verschoven,
En Iram toont zich daar, met stof en asch bestoven.
Zijn hol gezicht verraadt verschrikking, en 't gelaat
Staat bleek. 't Geronnen bloed kleeft rondsom op 't gewaad;
Zijn knien schokken aan elkandren van het beven;
En naauwlijks weet zijn borst een heesch geluid te geven.
Hy valt op 't aanzicht: "Vorst (dus zegt hy), spoed ter hulp'!--
Het vuur der Reuzen weidt door hut en herderstulp.--
Een drieste menigte vervult de Zuiderstreken.
Wy streden,--bogen voor hun overmacht,--en weken.--
De zeekust staat in bloed;--en Bethurs burcht vloog leeg.--
En--Zilfa...."

"Hemel, ach! (riep Segol, daar hy zweeg)
Voleind!"

"Zy is gered," hernam hy; en met eenen
Vertrekt hy 't hoofd, zijgt neer, en de adem is verdwenen.--
De Koning ziet het, ziet den doodstuip om den mond;
En werpt zich by het lijk wanhopig op den grond.
"Getrouwe!" stamelt hy; meer kon zijn hart niet uiten,
En 't scheen hem in de keel den gorgel toe te sluiten.--
In 't eind, hy rijst--"Die weene en vier den weedom bot,
Wien eedler plicht niet roept, niet opheft boven 't lot!
(Dus roept hy, met dien gloed, die vonkling op de kaken,
Waarvan in holle nacht doorgloeide kolen blaken
En tintlen.) "'k Trek vooruit, en volg' my wien de borst
"Voor Eer, voor Vaderland, voor Vrijheid gloeit en Vorst!"
Zijn Grooten volgen hem, en met hun, vijftig strijderen.

Reeds zien zy uit hun oog de legerplaats verwijderen.
Reeds werd van 't brandend Zuid, in d' Oceaan gekoeld,
Het zoele luchtjen als met golfjens aangespoeld,
En 't ruisschen van den Frath, die met gezwinde stroomen
Zijn weg naar zee verkort, van naderby vernomen;
Wanneer een menigte van uit het deinzend West
Zich opdoet, als een wolk, uit nevels saamgeprest,
Die wandelt voor den wind.--"Mijn Heirmacht (roept de Koning)!
Indien het vijand zij, ik vorder plichtbetooning.
Wy sterven, strijdenden en wrekers onzer dood.
Maar wacht van dezen kant geen reuzenmacht, zoo groot!
Wat zoude een ijdle vrees uw moedig hart vertsagen?
't is hulp, die op mijn last het leger op koomt dagen.
Men toev' hen !"--'t Was zoo. 't Was de nieuwgeworven macht
Van 't Westen, die, gedoscht in 't wapen van de jacht,
Hun arm kwam aanbien, met den roof der woestenyen
Omhangen, om den Vorst der wareld toe te wijen.
Dit brachten boden uit hun midden; en de moed
Verhief zich met de vreugde in Segols heldenstoet.
Hy-zelf, hy treedt ter zij, beladen met zijn kommer,
En zoekt een groene olijf, die vruchten biedt en lommer;
En 't luttel manschap van zijn heirkracht houdt hier stand,
En hukt, naar 't Noord gekeerd, in 't reeds ontgloeiend zand.

Niet werkloos bleef de Hel. Zy had van uit het Noorden
Het Reuzenrot gevoerd naar Hemaths zuiderboorden,
Door 't Oosten omgeleid. Hier stichtte zy den stoel
Des oorlogs thands in 't bloed; en sloeg den Jammerpoel
Hier open. 't Bleek haar reeds, hoe woeste kracht der spieren
Moest onderdoen voor kunst en schrander krijgsbestieren;
En 't Reuzendom, hoe stout, hoe schrikbaar ook in 't eerst,
Wierd (zoo 't dus voortging) haast van 't menschenkroost beheerscht.
Zy wanhoopte aan 't geweld, ten zij, met eigen handen,
De krijgsmacht des Verderfs de menschheid aan koom' randen;
En mooglijk had zy reeds dit uiterste bestaan,
Had niet eene andre drift die drift te niet gedaan.
Zy voelt d' onzichtbren boei zich om de lenden prangen
Der keten, die haar bindt, van de Almacht af doet hangen,
En, als ze ontzachlijkst holt, te rug houdt en bedwingt
Zoo dra zy te onbedacht haar perken overspringt.
Zy vreest, zoo ze onvermomd zich vlijt tot menschenslachten.
Een weerstand, die haar fnuikt, van 's Hemels hooger machten:
En Zardach streeft op nieuw, met nieuwe last, naar de aard.

De Zuiderluchtkreits hangt met waterdamp bezwaard,
Die, opgeheveld door den gloed der zonnestralen,
Zich zaamlen in een wolk, en weer in nevels dalen,
Wanneer de bron van licht en warmte naar het West
Zich aflaat, en haar vlam in 't sissend water lescht.
Uit dezen vult de wind zijn opgezette kaken
Wanneer hy 't land verfrischt van 't heete middagblaken:
Uit dezen spreidt zijn aam verkwikking langs de kust,
En strookt dien 't voorhoofd laauw, die in zijn labbring rust.--
Hier toog de Helgeest heen, in 't neevlig zwerk gedrongen,
En stort daar 't vuur der pest in d 'adem van zijn longen,
Van d' afgrond zwanger, en vermengt het met den gloed
Des middags.--'t Windtjen waait, en 't spreidt de dood in 't bloed.

Een deel des Legers was, met de afgematte leden,
Nog door geen rust verkwikt, in zachten slaap gegleden:
Een deel lag werkeloos, en dronk met blijden zin
Het weemlend koeltjen als een zoeten nektar in.
Straks voelt men 't fijn vergift zich om het hart vergaderen,
En 't stort, voor vluchtig bloed, een vloeibaar lood door de aderen:
Gewricht en spier verstijft; en de adem prangt de borst;
Ja, 't hoofd wordt van de hals met wederwil getorscht.
De leden zoeken steun en weigren zich 't bewegen.
De geest-zelf ligt, verkracht, als machtloos neergezegen:
En vindt, op 't onverhoedst in 't werktuig aangetast,
Het leven pijngevoel, en heel het lichaam, last.



VIJFDE ZANG.

De krijgshoop nadert vast. Twee Grooten treen hun tegen
En leiden ze op. De steilte eens heuvels opgestegen,
Wacht Segol hen met die ontzachtbre houding af,
Die achtbre lijfsgestalt' by 't hart eens Konings gaf.
Men buigt zich, legt den schat van 't Westen aan zijn voeten,
Roept: "Leven, zege, en heil den Koning dien wy groeten!
Den grooten Aartsmonarch, die voor zijn volken strijdt!
Aan hem behoort onze arm! ons bloed is hem gewijd!"

De Koning wenkt hun toe.--"Treedt nader, wakkre troepen,
Gehoorzaam waar u de eer, de plicht, de glorie roepen!
Ja, dierbaar is me uw hulde, en dierbaar dees uw moed,
Waarmee ge in 't hoogst des noods 't Heelal ter hulpe spoedt.
Van u wacht de aard haar steun: haar redding uit de banden,
Haar vrijheid hangt aan u. De macht der morgenlanden
Bezwijkt, ten zij uw arm haar schrage, en op haar boom
't Geweld der Bloeddorst stuite eer ze alles overstroom'.
Welaan, beproeft met my, wat moed en eer vermogen?
Wat, armen, die geen juk, geen laffen boei, gedoogen?
Die pijl, die 't eenzaam West van monsters zuivren mocht,
Vindt hier nog eedler doel in woedender gedrocht.
Ploff', ploffe 't voor u neer!"--Meer had hy nog gesproken,
Maar 't bruisehend ongeduld, in 't wellend hart aan 't koken,
Beneemt hem d' adem, en de bliksem van 't gezicht
Voleindt de rede met een schittring van zijn licht.

Thands wordt de tocht vervolgd.--De pijlbus omgehangen
Den peesboog in de vuist, en tripplend van verlangen,
Trekt half een duizendtal van Jagers op aan 't hoofd,
En Hemaths bende volgt, maar thands van kracht beroofd.
Ach! 't werkend gift der lucht heeft hart en levensstroomen
Door d' ademtocht verpest, de zenuw ingenomen;
Ontspannen, steunt de spier het wagglend lijf niet meer,
En stelt den wil te loor door 't lammen van zijn veer.
Het licht bezwaart het oog; het straks nog lieflijk bruizen
Van 't West, het gonzend oor, waarin de golven zuizen.
Het hoofd hangt moedloos op de schouder, en de borst
Klapt angstig onder 't wicht van 't wapen dat men torscht.
De boezem schudt en hijgt, en buik en oogen zwellen.
Een vuurgloed schijnt het hoofd in laaie vlam te stellen
Die tong en mond verdroogt, de dorre keel verschroeit;
En--de aarde ontzinkt den voet of houdt hem vastgeboeid.
De speer ontvalt de hand; het lichaam, zijn gewrichten;
En spraakloos stort men neer met bleekende aangezichten,
Blijf roerloos, of verkrimpt in pijnen, nooit gevoeld;
En 't is of dood en hel door iedere ader woelt.

Wat zal de Veldheer thands? Hy, die onzichtbre machten
Zijn stout ontwerp weerstaan, zijn poging ziet verkrachten!
De schaamte, woede, en spijt vermeestert zijn gemoed.
Knarstandend roept hy uit: "Neem, noodlot, neem mijn bloed!
Maar neen, eerst wreken we ons! Ook midden in de flitsen
Is nog, waar toorne en wraak zijn krachten samenhitsen,
De tijger, schoon alleen, schoon doodelijk gewond,
Zijn' vijand schrikbaar in zijn laatste levensstond.
'k Ben tijger, meer dan hy, in 't midden dezer tijgeren,
Verwoesters van 't Heelal. Wat hoeve ik macht van krijgeren?
Dees arm is my genoeg, dees heirbijl in mijn vuist,
En 't vuur dat door mijn borst in stroomen zwavels bruischt!
Mijn vrienden, 't waar vergeefsch, hier aan uw zij' te sterven;
U wreken is mijn plicht, en dan, het licht te derven.
Ja u, mijn gade, en kroon, en 't overstelpt Heelal
Dat nooit in kluisters stort, dan met zijns konings' val!
Vaart wel--en hoede een God--is alles saamgespannen
Tot staving van 't geweld der vloekbaarste aartstyrannen,
Daar leeft er een (mijn hart gevoelt het, dat hy leeft)
Die in mijn boezem spreekt, mijn hart den adem geeft--
Ja, hoede een hooger God, die Goden kan doen beven,
En u en 't zuchtend volk! ik ga voor allen sneven!"

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.