De ondergang der Eerste Wareld
W >>
Willem Bilderdijk >> De ondergang der Eerste Wareld
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 | 6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12
"Wees gy die Koning, gy! Wien zou de scepter passen
Dan u, roemruchte held, ten oorlog opgewassen!
U groeten we als Monarch des aardrijks. Heersch! gebied
Heel de aarde ontfange uw wet, zoo verr' haar 't meir omvliet!
Wy stellen 't wareldrijk, ons leven, in uw handen.
Omstrenglen wy uw kruin met die gewijde banden
Waar 't Goddelijk ontzag van afstraalt! Neem hen aan!
U zweeren we onze trouw, en--vloek die u weerstaan!"
Zoo roept men.--Segol zwijgt.--Nu knielt men aan zijn voeten:
"Heil, Koning! Laat uw volk zijn meester thands begroeten!"--
Men rijst, en heft hem op de schouders in 't geruisch
Der stemmen, juichend met een stormend stroomgebruisch,
Dat sluizen openbreekt en dammen doet bezwijken.
Daar staat hy, forsch van leest, gelijk een God te prijken,
En schijnt geboren tot die grootheid. Hoog van borst,
En rijzig van gestalt', verkondigt hy den Vorst,
En slaat het oog om laag, als van een hooger orde.--
Hy bindt den lijfriem om, die Hanochs heupen gordde,
By 't Nakroost heilig, en door niemand sints geraakt.
Waarin de chrysoliet met gouden vlammen blaakt,
En strikt een heilig snoer, ontvlochten van de altaren,
Voor blaauwe diadeem om de ongebonden hairen;
Terwijl de lucht op nieuw van 't golvend juichen dreunt.--
Nu stijgt hy, door den arm eens legerhoofds gesteund,
(Als ware 't van een throon of hoogen staatsiewagen,)
Den schouder staatlijk af, met d' arm om de axt geslagen,
Die Hanoch had gevoerd. "Gy, wapen (roept hy uit),
't Geen thands een mindre vuist, maar Hanoch waard, omsluit!
By u, en by die zon, die meineed weet te straffen,
Zweere ik mijn' broeder wraak, en 't aardrijk rust te schaffen.
Het bloed des Arbaliets zal boeten voor ons bloed;
De wareld, veilig zijn van Reuzenovermoed.
Ik zal des warelds juk op hun gebeent' verbreken;
Of--faal ik in 't bestaan, haar op my-zelven wreken!
Maar gy, mijn broeders! thands mijn kinders, mijn gezin!
Gy, eenig voorwerp van mijn zorg en vadermin,
Voor wie het my een plicht, een wellust is, te leven!
Gy eischt het! 'k Ben door u ten wareldthroon verheven!
Welaan! Gehoorzaamt thands den Koning dien ge u gaaft.
Zijn wil is de uwe thands, gy hebt dien reeds gestaafd."
Hy spreekt en geeft bevel!--Gezwinde boden zweven
Naar 's Aardrijks uitersten, als door den wind gedreven,
En dagen wijd en zijd, op 's Konings ongena,
Wat arm kan roeren, met houweel of akkerspa',
Naar d' oever van den Frath om Hemaths heir te schragen.
De zwervers van het West, die lynx en vossen jagen,
De koordpees spannen, en in 't afgaan van den boog
Den pijl bestieren met het halfgenepen oog;
De herders, die den wolf op d' esschen staf verwachten;
De bouwlien, die door 't staal haars moeders schoot verkrachten;
En zy, wie, naast aan 't Zuid, van 't golvend meir besproeid,
De zeewind blakert en het lichaam samenschroeit;
Met die den Hiddekel, waar hy in dorre heiden
Zijn stroomen rugwaart perst, door 't aaklig vlak geleiden;
Die allen dagvaart thands zijn dwingend Rijksbevel.--
Nu stelt hy wachten, die van Rigons pekelwel
Tot aan des Gezers bron, en na aan Hanochs wallen,
Het heir bewaken voor vijandlijk overvallen,
En, wierd men onverhoeds uit Arbal aangerand,
Gebiedt, hier wijken, daar, verwoeden tegenstand.
Maar teedre Zilfa zag, in mijmering verzonken,
Met angstig voorgevoel den ochtend doorgeblonken,
En peinsde op 't geen zy-zelv' 't geen Segol, in de nacht
Gezien had, zoo vol schriks en siddrings doorgebracht.
Nu schijnt haar woede en moord als voor 't gezicht te spelen!
Dan ziet ze, als in een droom, zich-zelv' voor 't outer kelen!
Dan weer den donder, die haar Ega 't hoofd verplet!
"Ach!" roept ze, en werpt zich neer voor 't dierbaar huwlijksbed,
Dat Segol in haar schoot zag smelten, eer de woede
Des vijands tot den wal van 't lieflijk Bethur spoedde,
Maar weduwlijk bewaakt sints de algemeene nood
Den krijgsheld in den band der oorlogszorgen sloot.
Hier knielt ze, en strekt zich uit, in weemoed, om haar zuchten
Een loop te geven, die geen tuigen heeft te duchten,
En zwemt in tranen, als een sluimring haar bevangt.
Haar docht, zy stond in 't woud, van dicht geboomt' omprangd,
Van monsters aangegrimd: daar was noch weg noch open.
Haar kleed, haar sluier, was met Segols bloed bedropen,
't Geboomte schudde van zijn wortel, wijd in 't rond.
Een golvende oceaan rees borr'lende uit den grond,
Hief lijken in de lucht, die onder de aarde sliepen,
En spoelde in d' afgrond weg, wie dobb'rend bystand riepen:
En, daar ze in 't doodsgevaar in Segols armen vlood,
Verzwolg haar, aan zijn hart, de zichtbre muil der dood.
Nu hoort ze 't blij gejuich, ontwaakt in duizend vreezen,
En vliegt, nog half onthuld, en siddrend opgerezen,
Haar Ega te gemoet'! die intreedt met den trots
Eens meer dan aardschen, meer dan sterfelijken Gods,
De diadeem om 't hoofd.--"Ach (roept ze), 't is dan waarheid!
Dees morgen ging dan op uit zulk een nacht van naarheid!
Dank! heilrijk licht! heb dank! En gy, o nijdig Lot!
Barst uit! ik tart u thands met heel het Reuzenrot!"--
Zoo spreekt ze, en kust zijn hand. Hy strookt haar natte wangen
En voorhoofd, nog van schrik zoo wel als vreugd bevangen,
Omarmt haar, en geleidt ze in 't binnenst van zijn tent.
"Mijn Zilfa (zegt hy), 't is aan 't Godendom bekend--
Maar ach, wat Godendom! ik ben uw God, geliefde,
Gy mijne. Ja, gy weet wat ooit mijn boezem griefde,
Sints 't eerst bewustzijn ons in 's levens morgenstond
Door wederzijdsch gevoel voor de eeuwigheid verbond.
Geen schuchtre maagdenblos ontgloorde uw frissche konen,
En reeds waart ge in mijn oog de minlijkste aller schoonen:
Geen jonglingsbloed bruischte in mijn boezem, als uw hart
Reeds met het mijne deelde in wenschen, vreugde en smart.
En ach! herroepe ik u de tederste aller weelde,
Toen liefde en lust en jeugd door beider aders speelde,
Gy me alles wierdt, ik u! o Zoete dweepery
Van 't harte, o droombeeld! Maar die tijden zijn voorby:
Eens mochten wy voor ons en onze liefde leven.
Thands wordt me een andre plicht door 't noodlot voorgeschreven.
Het lot der aard hangt aan mijn wenken. 'k Leef voor haar,
En ken geen laffe min by 't dringend krijgsgevaar.
Ik moet me, o Zilfa, thands aan uwen arm ontscheuren.
Hier baat geen wederstand, geen hartverslappend treuren:
De nood beveelt. Maar meer! Uw eigen veiligheid
Verbiedt dat ge in dit oord het doodlijk uur verbeidt,
Dat 's vijands overmoed, den landpaal ingebroken,
Heel Hemath andermaal van 't golvend bloed doe rooken.
'k Zet vruchtloos wachten uit, breng volk by volk te veld,
Terwijl hy als een vloed van 't hoog gebergte snelt,
Het overschot verdelgt van wat hem weer moest bieden,
En zelfs de wegen sluit om aan zijn knots te ontvlieden.
Voor my, geen wijken duldt mijn glorie, noch mijn plicht.
Mijn kroon verlies ik niet dan met het levenslicht.
De dapperheid alleen bevestigt ze op mijn schedel:
't Zij verr' dat ik haar ooit door schijn van vlucht ontedel'!
Doch gy, mijn dierbre, zoek uw schuilplaats in een oord,
Wiens rust geen wapenkreet, geen krijgsallarm verstoort.
Aan de overzij' des Fraths, daar 't bochtig strand de heide
Bepaalt, waar 't kroost van Seth zijn lammers jaagt ter weide,
Rijst in abeelenschaauw een overoud gesticht,
Door Kenach, Enos zoon, ter woning opgericht:
Dit zij uw vrijburg! Ga, beveel gy in die streken
In Koning Segols naam."--Hy had voleind te spreken;
De schoone staat verstijfd, de frissche rozengloed
Besterft haar om den mond. De welbron van het bloed
Staat stil in 't vloeien, met den levensslag der aaren.--
Nu staat zy, sprakeloos, den krijgsheld aan te staren.--
In 't eind: "Het is dan waar (dus zegt ze), en deze uw kroon
Ontrukt me uw hart!"--Zy snikt, bedaauwt de bleeke koon
Met tranen, en barst los: "Onzaligste op deze aarde!
Dit dan, dit was het, ja, hetgeen mijn ziel bezwaarde!
Waarom ik slapeloos, en mijmrende, en verplet,
Mijn bleeke lippen drukte in 't eenzaam huwlijksbed!
Ja 't was mijn afscheidskus. 'k Verlaat u, dierbre sponde,
Den boezem opgescheurd met de allerwreedste wonde:
'k Word uitgeschud, verjaagd. Ik heb geen Ega meer,
'k Omarmde u voor het laatst zoo onuitspreeklijk teer!--
Vaar voort! voltooi uw werk, doorstoot my 't hart volkomen!
Toon, toon my, die mijn plaats alree heeft ingenomen!
Verzend my niet; neen, trap mijn gorgel toe, barbaar!
Wees Zilfaas beul niet; wees meedoogend moordenaar!
'k Zie in uw boezem, ja, geen vuur is 't, dat verkoelde;
Nooit voelde uw ziel voor haar, wat zy voor u gevoelde.
Gy minde niet, maar 't was slechts veinzen van een vlam;
Uit deernis licht, die deel in mijne zwakheid nam;
En mooglijk is mijn hart u dankbaar voor 't misleiden,
Dat zulk een bloemrijk kleed op zulk een afgrond spreiden
Maar me eenmaal domplen moest in 't schrikbaarste aller ween.
Dit immers wete ik dank voor 't geen my waarheid scheen!
Dit, die verrukking, dit, die zaligheid van 't minnen!
Dien hemel, uitgestort door ziel en hart en zinnen!
Die zaligheid van weelde, een' stervling licht te groot!
En wee! den vloekbren dag, die my het oog ontsloot!
Maar, hebt ge uw boezem ooit tot deernis kunnen dwingen,
o Segol!--om dit vocht, dat ge aan mijn oog ontspringen,
Mijn boezem baden ziet,--dat druppelt op uw hand;
Ja, om de weelde-zelv' van 't huwlijksledikant,
Ook u eens dierbaar, laat me uw ziel geheel doorlezen,
Verberg my niets!--Uw wil...! hy zal my heilig wezen.
'k Gun anderen met my deel in de Echtkoets, in uw hart:
'k Zwicht voor uw voorkeur, ja, en overwin mijn smart.
Maar zend me, o dierbre, niet onmenschlijk uit uw oogen!
'k Zal sterven aan uw zij' en met u oorelogen.
'k Zal, weerloos, onbevreesd, met dees ontblote borst
Uw boezem dekken, en, van eigen bloed bemorst,
De pijlen, u bestemd, in 't brandend harte vangen.
Of wilt gij 't, 'k zal de knots in deze vuisten prangen,
En liefde zal my kracht verleenen. Segol, ach!
Maar, eer ik u verlaat, zie hier mijn jongsten dag!"--
Zoo spreekt ze, en klemmert zich met saamgestrengelde armen
D' ontroerden Segol om de knien, stokt in 't kermen,
En, nederzijgend, bukt het voorhoofd op den grond.
Hy grijpt haar in den arm en kust haar rozenmond:
"Geliefde (zegt hy), neen! geen andre minnevonken
Ontglommen in dit hart. Aan u is 't weggeschonken,
En 't blijft u heilig. Neen, gy wierdt mijne echtgenoot,
Mijn weerhelft: mijn geluk, en eenig, tot de dood.
Maar 't hoogst belang...! Ontzie het ijslijkst lot te tergen!
Laat Segol van uw hart dit blijk van liefde vergen!
Geen klacht, geene achterdocht, en u en my te laag,
Wanneer ik voor uw heil, voor 't aardrijk, alles waag!
Mijn oogmerk is, den Reus op eigen grond te trotsen,
Hem af te wenden, hem te ontrusten in zijn rotsen,
Geen macht is hier by een, om, tast hy-zelf ons aan,
Zijn dubbel overwicht krachtdadig af te slaan.
'k Voorkom hem. Mijn getal, te zwak ons erf te dekken,
Is machtig, wel geleid, zijn heuvels om te trekken,
En aan te vallen, waar geen vijand wordt verwacht.
'k Verdeele, op deze wijs, en wederhou zijn macht.
Maar, 't stout ontwerp gelukk', het kan mijn' arm mislukken!
Een enkle Reuzentroep doet Hemaths landstreek bukken!
En, wie beschermt u dan, wanneer ik, verr' van hier,
Op Arbal schrik versprei', hier Beth-ur wage aan 't vier?
Genoeg! het moet zoo zijn. Mijn wil is u gebleken:
Ik eisch gehoorzaamheid, en kan als Koning spreken."--
Hy zwijgt, en vaagt haar wang van 't overstelpend vocht.
Zy kropt haar zuchten op en hijgt naar ademtocht:
"Welaan (dit hikt zy uit, door 't snikken afgesneden)!
Verzeker my dat hart...! Maar neen, ik verg geen eeden.
Zweer echter by die kroon die thands uw schedel drukt,
En u den teedren arm der teerste Ga ontrukt,
En by die heilige axt, die aan uw heup mag blinken:
Zweer, eer de derde zon in 't Westen neer zal zinken,
Te storten aan dit hart, waarvan gy de adem zijt:
En hoede--'t lot--de Goon--uw arm--u in den strijd!"
Hy zweert haar. "Ja, o ja, ik zal verwinnaar keeren,
(Dees arm verstrekt my borg), en d' Arbaliet verneeren.
Ik zie u weder eer de vierde morgen daagt,
En kroone u Koningin, als hy mijn ketens draagt!"
Dus sprak hy,--Jonadab, de vlugste zijner knapen,
Ontfing zijn last en roept het oorlogsvolk te wapen.
Maar Iram, van zijn jeugd aan Segols huis verknocht,
Bereidt zich tot gelei' van Zilfa by heur tocht.
De nacht rolt middlerwijl haar sluier over de aarde,
Sluit d' afgeronnen dag, die zoo veel wondren baarde,
En levert aan den slaap wat bloed of adem heeft.
Het schrikgedierte-alleen dat in het duister zweeft
Gaat om, en snort door 't woud met piepen, krassen, knappen,
En schijnt het naadrend licht met angst te moet' te stappen,
Of rouw te spellen aan het menschdom. Maar het lot
Vervolgt zijn loop en kent geen meester dan in God.--
VIERDE ZANG.
Geen morgenzon had nog het hoofd weer opgebeurd:
De nevel van de nacht was naauwlijks nog gescheurd:
Reeds zweeg het nachtgespuis: nog zwegen de orgelkelen
Der bosschen. Nacht en dag scheen door elkaar te spelen;
Niet, als de roos der wang, met donzig lelieblank,
Of 't git der oogen, met des levens flonkersprank
Versmolten, maar als 't groen der gladgeschubde slangen
In 't zilver zich verliest, met weemlend beurtvervangen:
Als Segol, brandend van ontembren oorlogsgloed,
Des uchtends traagheid door zijn voorspoen blozen doet.
Hy schaart zijn benden; deelt haar wapens. Boog en pijlen,
Geschouderd, en gepaard met knots en akkerbijlen,
In riemen vastgehecht, en aan de heup gegord,
Bewaapnen elk soldaat in ieder krijgskohort:
Een zesmaal twintigtal, de bloem der Hanochieten,
Vervult de stoute vuist met zware pijnboomsprieten,
In Arbal-zelf gehakt, ontbloot van tak en schors,
Onwrikbaar in hun arm, en als die armen, forsch.
Dees zijn des Legers kracht, op wie zijn hoogst vertrouwen
Zich vest. Zy treffen 't oog by 't staatlijk wapenschouwen,
Als stieren, breed van hoofd, met kromme hoornenpracht
En breedgewelfde borst, de roem van hun geslacht,
In 't midden van een drift van rundren, in de weiden
Zich door hun fiere schoft en houding onderscheiden,
De wolf verwachten op een voorhoofd van metaal,
En trots bien aan de knots als aan de vlijm van 't staal;
Zoo pralen ze in de rij. De standaart van hun koning
Maakt in hun middelpunt een schrikbre prachtvertooning,
Door 't afgehouwen hoofd eens luipaarts, op een spits,
En strekt heel 't leger op hun wapentocht ten gids.
Hy splitst zijn oorlogshoop in drie verscheiden drommen,
In rijen opgestuwd tot buigende kolommen.
Een aandeel, met den bijl in d' elboog, streeft vooruit,
Waaraan zich 's legers kracht op kleinen afstand sluit,
Met Segol-zelv' aan 't hoofd, verzeld van legergrooten.
Van achtren wordt de stoet door schuttren opgesloten,
Wier pijlen ramm'len in hun kokers, of den moord
Reeds aamen, drillende op het half gespannen koord.
Dus trekt men Noordwaart aan langs Gihons kronkelstroomen;
Doorwaadt ze, en naakt het woud van olm- en beukenboomen,
Dat boven d' oorsprong van de kruipende Esch zijn kruin
Verdicht, en 't veld bekleedt met schaduwachtig bruin
En lommer, waar geen straal van zonlicht door kan breken.
Hier gaart men kondschap uit de bygelegen streken,
En wint berichten, dat de vijand wijd uit een,
In kleene hoopen zwerft, door boschjens afgesneen,
Op aanval onbedacht, en min, op zelfverweeren:
Hier, sluimrend uitgestrekt; daar, wolf en winterbeeren
Vervolgend door 't gebergt'; of, zwelgensmoe van 't bloed
Der lamm'ren, versch geslacht aan 't wed van Gezers vloed.
De Vorst beveelt een deel den Gezer om te trekken,
En langs den heuvelgrond zich Noordwaart uit te strekken,
Terwijl de legerkracht den Pizon oversteekt,
En, van den lager grond, in Arbals landpaal breekt,
Den Reuzen opdaagt, als een donder, uit het Zuiden
Gebliksemslingerd eet de wolken samenkruiden:
Daar de achterhoede haar aan d' uitgang van het woud
De rug moet dekken en den hertocht veilig houdt.
Nu toont zich de Arbaliet, die, achtloos by zijn feesten,
Het bloed en merg verslond van slacht- en offerbeesten,
Uit Hemath weggevoerd. De wapenschreeuw gaat op;
De schichten vliegen: daar, van elken heuveltop;
Hier, midden uit den drom der naderende troepen,
Die Hanoch, Segol, Wraak, en Bloed, en Doodslag roepen.
De reuzen ploffen straks door 't vliegende geweer
By menigte, in de vlucht, of eer zy opstaan, neer;
Doormengen met hun bloed het bloed der runderdieren,
En sterven, met den tand in 't vet der lamm'renspieren;
Vertreen elkander in verwarring, schrik en vrees,
Onwetend van wat kant dit baldrend onweer rees.
De slachting hoopt de vlucht. Reeds storten lijk by lijken,
En stervende, op elkaar, die in hun bloed bezwijken;
Hier, door een felle schicht genageld aan den grond;
Daar, maehtloos uitgestroomd in 't vloeien van hun wond;
Met knie of heup verlamd, en kruipende op de handen,
Of worstlend met de dood, gehaakt in de ingewanden;
En brakende in den gulp die keel en gorgel stikt,
De long en 't purpren bloed, tot eenen klomp verdikt.
Een deel ontvlood alreeds, maar vliegt, in nieuwe pijlen
De dood weer in 't gemoet, terwijl zy haar ontijlen.
Nu breidt het heir zich uit: en vaart op 't doodlijk veld
Afgrijslijk rond, terwijl de bloedstroom telkens zwelt.
Men trappelt met den voet, men kneust, en splijt, en plettert,
Wat nog de leden krimpt of met de tanden knettert.
En knots en polaxt zwaait meedoogenloos, en treft,
Wat uit dien poel van moord nog hoofd of arm verheft.
Reeds vleit zich 't grimmig hart met lichtbehaalde zege.
Het overvallen rot verstrooit zich allerwege,
En wijkt te bergwaart heen, in 't brullen van "verraad",
Terwijl 't verwinnend heir wat stand houdt, nederslaat.
Zoo deed Beaeldar: hy, in d' opgang van zijn leven,
De schoonste jongling uit den Reuzenstam; gesteven
Door vijftien knapen, op zijn oorlogsroof vergast,
En, met hem, wapenloos door 't pijlgegons verrast.
Dees vat een boomtronk; die, wat de afgeknaagde schenkels
Hem leevren tot geweer. Het bloed omspat hun enkels,
En alles dreunt in 't rond van 't snorren van den boog,
En nog geen vijand, die zich aanbiedt aan hun oog!
In dolheid vliegen zy d' onzichtbren aanval tegen.
Vijf hunner waren reeds doorboord en neergezegen,
Eer 't opwaart rukkend heir van Segols oorlogsvolk
Zich toonde, en uitbrak uit een stof- en nevelwolk.
't Verschijnt. Zy vliegen toe met de ijsselijkste slagen,
Om, elk, met zich in 't graf een vijand mee te dragen,
En alles davert. Een van Segols krijgshoop sneeft;
En heel zijn legerspits bewondert hen en beeft.
Hun wapen echter zwicht. Omringd van alle zijden,
Zijn 't leeuwen, die met tand en bloote klaauwen strijden,
En, in een breeden kring van jagers dicht omzet,
Met vijftig knotsen in een oogenblik verplet.
Slechts enklen vallen nog, in 't vlieden rondgedreven,
Den Kainiet in d' arm; verdedigen hun leven,
Of zoeken, stervend, wraak: Maar welk een wederstand,
Van strijdren, reeds vooraf door doodschrik overmand!
't Gerucht stijgt middlerwijl, en weerkaatst door de bergen,
Dat Kain d' Arbaliet op eigen grond koomt tergen,
In 't bloed zijn stappen zet, en moord, en schrik verspreidt;
En 't Reuzenhart zwelt op met dubble grimmigheid.
Een aantal jaagren vliegt, verzameld in de bosschen,
En laat den ever daar, en hertebok, en losschen,
Vereenigt zich, en trekt geregeld op en stout,
Maar stort door 't booggeschut in d' uitgang van zijn woud.
Een sterker krijgshoop schiet van d' Oostkant uit spelonken
En holen op, gevoed met raauwe menschenschonken,
En niet dan menschlijk in gedaante: tijgerfel,
Verscheurende of verscheurd, en helscher dan de hel.
Dees stuiven woedend aan, van stuivend stof omgeven.
De Koning zag een wolk ten hemel opgeheven:
Hy ziet haar naadren, en een uitgebreide rij
Zich opdoen, brullende van schrikbre razerny.
Hy schaart zijn bende op nieuw, beveelt haar toe te treden,
En voert zijn speerhoop aan, verdubbeld in geleden,
Die met gevelde spriet in welgesloten drom
Den schok ontfangen moet van 't grimmig reuzendom.
Vijf rijen voor elkaar, van aangelegde speeren
Verdedigen hun spits om d' aanval af te keeren,
Waarachter 't boogvolk met den uitgerekten pees
Den pijl reeds toelegt, voor hun vijand vrij van vrees.
De Reus veracht dien hoop, zoo dicht in een gedrongen,
En waant haar even snel verpletterd als besprongen;
Vliegt toe. Een pijlzwerm snort; stijgt uit dien krijgsdrom op;
Valt als een hagel neer; bestelpt hun hals en kop;
En treft in ribbe en borst: en twintig hunner bijten
In 't zand, en spuwen 't bloed met d' adem onder 't krijten
Van "wraak"; en 't woord van wraak wordt duizendwerf herhaald,
Terwijl op 't oogenblik een tweede hagel daalt.
Nog vijftien tuimlen by hun broeders. Nieuwe woede
Bezielt die tijgers thands. Zy storten dol te moede
Op 't leger, met een vaart, door niets te wederstaan,
De knotsen in de lucht, gereed om toe te slaan.
Zy vallen schaatrende in. De fiere Hemathieten
Ontfangen ze op de punt van hun gevelde sprieten,
Dat borst en borstbeen knorst, en knarst, en barst, en kraakt,
En de opgereten buik zijn ingewanden braakt,
Terwijl de slagen flaauw op 't taaie pijnhout breken.
Zy zijgen spartlend neer, en grijnz'len en verbleeken.
Men werpt zich andermaal op de ondoordringbre spits,
In nieuwen aanval en met dubbel volkgemis;
Herhaalt het zevenwerf met steeds verdubbeld pogen,
Terwijl de lijken vast tot stapels doon verhoogen,
't Gedarmt' zich kronklend aan de legerspeeren hecht,
Of, over de aard gesleurd, zich om de voeten vlecht
Des strijders, die, verward, en in hun plooi benepen,
Zich, struiklend, in den dood zijns makkers mee voelt sleepen.
't Gekerm verdooft het oor, en 't woedende misbaar
Loeit dwarlend door 't gegil. Men worstelt door elkaar,
Vertrappelt, wat er viel, en glibbert in de plassen
Van 't uitgestroomde bloed, die steeds onmerkbaar wassen.
Men breidt zich uit en valt den krijgstroep in de zij'.--
Vergeefs! dezelfde punt verdedigt ieder rij;
En, als een egel, die, met uitgestoken pennen,
Den dashond bassen hoort en op zich af ziet rennen,
Zich als een hairbol in zijn stakklen samentrekt,
En 't lijf den tanden biedt, van alle kant gedekt,
Hoedt Segols schrandre vond zijn bende voor 't bespringen.
't Is heirspits, wat men ziet, onvatbaar voor 't doordringen.
Het rot der Reuzen grimt in 't rond, gelijk een leeuw
Die, brullende uit den buik met hongers scherpen schreeuw,
Den schaapsstal omvliegt en geen open weet te vinden.
Zijn brandend oog en muil aamt moorden en verslinden;
Hy zweept zijn lenden met den geessel van zijn staart,
En bonst op deur en muur, en tuimelt over de aard,
En mat zich woedende af, met opgesparde tanden
En nagelkrommen klaauw, op de onbeweegbre wanden.
Zoo brult en briescht men om de speerbende; ijlt uit een;
Vliegt nogmaals toe; en deinst in wanorde; en stuift heen
By hoopen, smal gedund; en proeft op nieuw in 't wijken
De schichten, die op nieuw een menigt' doen bezwijken.
Vierhonderd laten zy op 't slagveld in hun vlucht;
En Kains zegekreet klinkt daavrend door de lucht.
De Vorst beveelt het heir zijn vleugels uit te breiden,
En treedt aan 't voorhoofd op. "Gy ziet dees woeste heiden
(Dus zegt hy) met het bloed des vijands overstroomd,
En d' onbedwingbren leeuw van Arbal ingetoomd.
Men steek' den feestklaroen, dien schrandre Jubal smeedde,
Ten teeken van triomf, en schenk' het Noorden vrede!
Den krijgsplicht is voldaan. Geen vijand was bestand;
Thands voeren we onzen roem in 't juichend vaderland.
Versterkt uw harten thands." Hy wenkt zijn Legergrooten.
"Gaat, (zegt hy), 't is genoeg, de veldtocht zij besloten!
Een vlugge bode streef naar Gezers bron en roep'
't Bevel van aftocht aan den uitgezonden troep!"
Hy zwijgt, de bode vliegt.--'t Vermoeide heir hukt neder,
En spijst met luttel broods. Een flesch van runderleder
Verfrischt, uit Gihons stroom, hun uitgedroogde borst;
En 't heir herneemt zijn weg op 't teeken van den Vorst.
Intusschen was een drom van Reuzen uit het Noorden
Den bergreep afgevloeid tot aan de Gezerboorden,
En had de schutters door zijn menigte afgesneen.
Daar streed men. De overmacht der forsche reuzenleen
Bestelpte 't siddrend rot, reeds uitgeput van pijlen,
En tot zijn knots bepaald en aangegorde bijlen.
Het streed, maar, zonder hoofd, in luttel tijds verplet.
Slechts enklen, door de vlucht in 't kreupelbosch gered,
Ontduiken daar de dood. De krijgsbo ziet hen vlieden,
Herkent gestalte en dosch van Segols oorlogslieden,
En keert, den schrik in 't hart, naar 't reeds verdwenen heir.
Een stofwolk ziet hy nog, maar nergens leger meer.
Hy dwaalt, en mist het spoor door 't rijzen van de heuvelen;
Ontmoet een vijand, strijdt wanhopig, doet hem sneuvelen;
Maar zinkt op 't bloedig lijk en blaast den adem uit.
Het heir, te middlerwijl, was, nergens nog gestuit,
Thands op den lager grond den Pizon weer genaderd,
Die honderd banken vormt, met dieper kil dooraderd.
De Koning voert het heir van d' oever af in 't nat,
By smalle hoopen, en geleidt het over 't wad,
Hier plasschend tot de knien, en elders (naar het glooien
Van d' ongelijken grond) tot de opgeschorte plooien
Des mantels, in den riem om 't middellijf geklemd;
Terwijl een kleene hoop door 't dieper water zwemt,
Met de armen om zich roeit, en door de golving spartelt,
Of, op zijn vlugheid stout, al duiklend speelt en dartelt,
Het vocht met handen schept, en argloos zich vermeidt.
De Koning treedt hen voor met fiere staatlijkheid,
Wanneer hy, nu gereed op d' overboord te steigeren,
Een Reuzenhoop verneemt, die toe- en doorgang weigeren.
De schrik verspreidt zich in zijn krijgren op 't gezicht.
Hy-zelf, hy grijpt een boog, en drijft den eersten schicht
Een' vijand door de borst, die neerstort voor zijne oogen.
Nu vliegen, op zijn stem, tweehonderd legerbogen
In eenen adem los, terwijl men opwaart klimt,
Zich rugsteunt, opstuwt, en den woestaarts tegengrimt,
Die saamgeraapten steen en zware beukentakken
Op 't wadend leger uit hun hoogte nedersmakken,
En, waar men d' oever zoekt, met knotsen, rood van bloed,
De hoofden brijz'len en doen wentlen in den vloed.
Vergeefs een kleen getal door borst en hart getroffen,
Een menigte ijlt weer toe voor hun die nederploffen,
En groeit op elken stap. Het wagg'lend heir staat stil,
En wacht de onfeilbre dood in 't midden van den kil.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 | 6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12