De ondergang der Eerste Wareld
W >>
Willem Bilderdijk >> De ondergang der Eerste Wareld
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 | 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12
Thands schijnt een sombre schrik het vorstlijk lijk te omzweven.
't Zwijgt al. Men hoort geluid noch 't minst geritsel geven.
Het leger blijft versteend en starende op den grond,
Of rolt een aaklig oog door al de benden rond.
Een flaauwe stem alleen in 't midden van de troepen
Waagt, uit een enge borst den Offraars heil te roepen:
"Heil, priestren!"--Alles brult en knarstandt op dit woord,
En 't wordt, zelfs in den mond, op 't oogenblik gesmoord.
Tien knotsen heffen zich, een schedel spat in gruizelen,
En 't gonzen van dien slag doet alle hoofden suizelen.
Die slag scheen tot de leus van grooter moord bestemd.
Reeds ziet men lijk by lijk dat in een bloedstroom zwemt.
De Krijgslien vallen hier de kermende Outerpapen,
En daar, elkandren aan. Het opgevatte wapen
Den Reuzen toegedacht, slaat eigen spitsbroers neer,
In wraak, in wederwraak, in weer, in tegenweer.
De woede en razerny stijgt immer onder 't woeden;
Geen doodslag dien de dood niet tienwerf moet vergoeden!
Geen onderscheid, geen keur van vijand of van vrind;
Met wien, voor wien men strijdt! 't is offer wat men vindt.
Geen rij of legerspits, geen teeken, geen banieren!
Men valt verwoed door een als aangehitste stieren,
En moordt en wordt gemoord, vertrappeld, en vertreen,
En nergens veiligheid dan in den moord-alleen.
Zoo weidt dat wapentuig dat sabel, speer, en degen
Vervangt. De vloek van 't staal is thands in 't hout gelegen.
De pijl rust werkingloos. Het wapen heeft geen doel;
't Treft wat naastby is, en 't treft blindlings, by gevoel.
De naaste is vijand, is gevaarlijkst, moet voorkomen:
De laatste-alleen bestaat; al 't oovrig bloed moet stroomen:
Men vecht voor zelfbehoud, geen Vorst- noch outerhoon.
Dus woedt, dus raast men in bedwelming. Stapels doon
Staan, als in 't barre duin de heuvels, opgeheven.
't Gestalde en lillend bloed, waarin de voeten kleven,
Verbreidt zich als een meir by zwellend springgetij',
En kent noch peil noch boord, maar streeft zich steeds voorby.
Doch, even als de vlam, door d'adem van de winden
In 't dichte woud gejaagd, niet ophoudt van verslinden,
En, strevende in het rond, de stammen nederslaat;
Maar echter hier en ginds een boomtronk overlaat,
Die by de walmende asch de ontblaarde kruin en takken
Of, stout verheffen blijft, of moedloos neer laat zakken;
Zoo stond het in het dal van Nival met het heir.
Daar was geen legermacht, daar was geen bende meer.
Driehonderd strijders slechts, door lijken afgezonderd.
Braveerden 't sterflot nog, uit dertigmaal driehonderd
En hieven, afgemat, op heuvelen van doon
Een uitgeputten arm en knikkend hoofd ten toon.
DERDE ZANG.
Een' dichten zwerm gelijk, van vliegend roofgediert'
Dat, als de pestsmet woedt, om 't rijzend kerkhof zwiert
En rondgiert onder 't zwerk, en, waar zy lijken rieken,
Al schaatrend nederstort en klappert met de wieken;
Hief half de Hel zich op by 't klaatrend moordgerucht,
En juichte 't bloedbad toe, al hangende in de lucht.
Tavoach middlerwijl, die de eerstgezaaide sprenkels
Der twist steeds aanblies, en op plat gekneusde schenkels
En bekkeneelen trad, als zoo veel krijgstrofeen,
Verliet het slagveld, daar een hooger Macht verscheen.
Gods Engel toonde zich: Zijn hand droeg purpren koornen
Van Hemelsche granaat, de spijs van de eerstgeboornen
Der schepping, vredevrucht, en tegengift der twist,
Dat wrokken uitroeit en verwoede veeten slist.
Thands opent hy de vuist. De gloende korrels dalen
Als regen, en den wind verbiedt hij aam te halen,
Op dat ze in 't vallen niet verstrooien door het ruim.
Dus, wen Orions knots het bruischend pekelschuim
In golven opklutst, die, van ongeduld aan 't koken,
Het hobblend zeekasteel beklautren en bestoken,
Dat, van den vloed geperst, naar roer noch teugel hoort;
Als dan de Zeeman van zijn aangegrepen boord
De rug der baren, tot zijn ondergang vereenigd,
Met gulle stroomen van een lichter vloeistof lenigt,
En Pallas olie of het bolsterkaf van 't graan
By kuipen uitgiet, die heur gramschap nederslaan,
De golving breken en met effen pad bevloeren,
Om de afgebeukte kiel ten haven in te voeren;
Zoo lag op 't oogenblik by 't zich verdelgend heir
Verbittring, grimmigheid, en hartstochtbarning neer.
Men reikt zich, zelf verbaasd om de uitgebrande woede,
De handen, rookend klam van uitgegoten bloede,
Omhelst zich, en vernieuwt in 't aanzien van 't heelal,
Dien eed, die niets voortaan op 't aardrijk schenden zal.
De tranen vloeien van ontroering, en de harten
Hereenden.--De Afgrond zag met onuitspreekbre smarten
Den vree herrezen; maar, 't vooruitgezicht getroost,
Voorspelt zy uit dien vree 't verderf van Adams kroost.
Het Edensch Geestendom, nog zwevende in de wolken,
Zag thands de burgerschap der onderaardsche kolken
Zich naadren in de lucht, en deinsde naar omhoog
Met d'afkeer in 't gemoed, en de afschriksblik in 't oog.
De Duivlen volgen hen, met wieken uitgeslagen
(Als reigers van omlaag de sperwers voor zich jagen),
En roepen: "Menschenkroost, mee balling thands, als wy!
Wat schuwt ge ons, Englen van geen minder stam dan gy?
Legt, legt die fierheid af, die burgers voegt van Eden,
Maar geen verlaagd geslacht, als wy in 't stof getreden!
Die hooggewelfde borst, die blik ontzet ons niet;
De Hoofdstof waar ge in zweeft, behoort tot ons gebied.
Geen geur van heiligheid, die waassemde uit uw vlechten,
Verwijdert d'afgrond meer, indien ze u wou bevechten.
Maar neen, we ontmoeten u als lot en lotgenoot,
Wie een belang verbindt in hun gemeenen nood.
Reeds zaagt ge ons nog dit uur ter uwer hulp volvaardig.
Kent, kent ons als getrouw, en, uw vertrouwen waardig!
Wy eischen 't.--Op den top van 't gindsche berggevaart'
Vergaadren we, om het lot te reeglen van heel de aard;
Vereenigt u met ons. Wy gaan om raad te plegen:
't Geldt wat gy dierbaarst houdt!"--Zy trokken voort, en zwegen.
Afgrijslijk klonk die taal 't gebannen Geestendom
In de ooren en door 't hart.--'t Bleef van ontzetting stom,
En voelde in d'eersten schok den adem zich ontbreken,
Die 't ophield in de lucht. Het had geen kracht tot spreken,
En zonk alreeds van uit de hoogte daar 't in dreef,
Als drupplen die de wind tot kooglen ijs versteef,
En thands, onvatbaar om hun vocht meer uit te zetten,
Ter neder storten en den groenen halm verpletten.
Een zucht herstelt hen, en een uitroep: "Groote God!
Verhoed Gy, dat uw volk met d'afgrond samenrott'!
Gebannen zijn wy, en uw doemspraak onderworpen;
Maar, de aarde moge ons bloed, indien het zijn moet, slorpen;
Wy sterven de uwen steeds."--'t Was Fuael, die dus sprak,
Hy, minder schuldig in zijn schuldvergrijp dan zwak,
En, waar' de zwakheid-zelv' geen misdaad in Uwe oogen,
o Gy, die kracht verleent, wellicht het mededogen
Des Hartenkenners waard.--Doch! Uw rechtvaardigheid
Behoort het oordeel, nooit door valschen schijn misleid.--
Hy sprak.--Pinehal bromt' "My lust geen samenzweeren
Met d' afgrond: Maar 't is plicht, indien we ons kroost verweeren.
Men hoor 't ontwerp der Hel, verstoore of wijke 't uit,
Of--zie het zwijgend aan! Ziedaar mijn raadsbesluit!"
Nu heft zich Sadon op. "Wat lafheid, hier te beven!
(Dus zegt hy). Toeft men nog die helpers na te zweven,
Wier bondgenootschap ons verzekert in ons recht?
Wat zorg ik, aan wiens zij' of wien mijn arm bevecht?--
Wy, doemelingen, wy, den doemling afkeer dragen!
Zijn hulp versmaden; wy, als viel ons iets te wagen!
Gods hand onttrekt zich ons, verstoot ons, werpt ons neer.
Welaan, men steun' zich-zelv', niet anders rest hier meer.
Ja, roemrijk is 't en groot, met Duivlen-zelv' te deelen,
Wanneer ge of slaaf moet zijn, of met hun, kunt bevelen.
Men volg' my, heeft men moed. Ik meng my in hun Raad:
Ik ken noch afgrond meer, noch plicht noch euveldaad.
't Is Afgrond, waar de spijt een Hel in 't hart doet branden.
Hier woont ze, in dees mijn borst. Ik draag ze in de ingewanden.
't Is Hemel, waar ik heul, vertroosting, lichtnis vind,
Verdelgen mag, vertreen, en niets my meer verbindt:
Waar ik den sterveling, zijn wellust, zijn genoegen,
Zijn' aardboom, nieuwen vloek by d'ouden toe mag voegen,
Den mijnen van mijn hoofd ontlasten door de wraak,
En 't sterflijk broederkroost affoltren tot vermaak.
Dit wil, dit zal ik, dit! en in deze aardsche dalen
Gods straffend banbevel met woekerwinst betalen.
Nog eens: ik vlieg."--Hy sprak, en knarstandde, en verdween.
Nu stormde 't in den drom vervaarlijk onder een.
Een aantal week te rug van 't Almachtlastrend brullen
Des monsters. Andren weer, als uitgelaten dullen
Aan 't schaatren, juichen op die gruweltaal, (gereed
Hem na te volgen), met een ijsselijken kreet.
De felle Meschomod roept eindlijk: "Geen beraden!
Verga hy, die den arm des bystands durft versmaden!
En gy die twyfelt, leert, by 't sterflijk aardsch geslacht
Ook heel de Hel weerstaan, wanneer gy haar veracht!
Wy strijden voor ons kroost, met Kain en Sethieten;
Maar wie, wie onzer, deed die bloedrivieren vlieten,
Waarvan de laauwe walm nog opgaat door het dal?
Wie bracht die dappren met een ademtocht ten val?
Wat vrage ik? Toon men my een proef van ons vermogen;
Van schrikbaarheid voor hun die ons beoorelogen!
Het oorlogswapen dreigt onze afkomst onverhoeds,
En wy, van gramschap warm en van de zucht des bloeds,
Wy zoeken stormen; wy, wy gaadren donderstoffen
Met onbedreven vuist, om krachtloos neer te ploffen;
En, had Tavoach niet ter redding toegesneld,
Geen vijand lag dit uur, maar half ons kroost, geveld.
Neen, weerloos Krijgrental, begeeft, vergeet uw telgen!
Geeft hen aan 't mierennest des aardrijks uit te delgen!
Of--treedt met d'afgrond in dat bondschap dat ze u biedt.
Voor 't minst, verwekt haar macht ook tegen de Uwen niet."
Hy zwijgt. Een menigte schoolt samen, op die woorden,
En zweeft, op zijn gelei' naar 't hoogomtopte Noorden.
Het oovrig deel, verbaasd, zweert, met een duren eed,
Dat ze in geen Helschen band met Gods verworpnen treedt.
Zy volgen echter, op den voorgang van hun broederen;
Maar de angst, de knagende angst doorknabbelt hun gemoederen.
Tot driewerf keeren zy, by 't naadren van 't gebergt'!
Tot driewerf, als door 't hart tot stoutheid aangetergd,
Hernemen zy hun vaart, en dalen onverschrokken
Op 't vlak der hoogste kruin, bedekt met wintervlokken,
Waar hen die Raad verwacht, die Helsche gruwelraad,
Die, zwanger van geweld, van moord in arbeid gaat.
Gy, Fuael, gy-alleen bleeft eenzaam, mijmrend achter.
Gy zaagt naar Edens Hof en d' onverbidbren wachter
Die 't vlammende rapier aan d' ingang opheft, om,
Terwijl uw glansloos oog in zuivre tranen zwom.
Gy vielt op 't aardrijk, op uw voorhoofd neer en weende.
Neen, 't was uw boezem niet die door de straf versteende:
U was zy*[typo?] heiliging. Volhard, o Adams zoon,
Uw beden zijn uit God; zy klimmen voor Zijn throon!
Ga, lijdende! in berouw is balsem;--mooglijk, heeling;
En--de eeuwigheid verklaart der schepslen lotbedeeling.
In 't middelpunt der aard, in onverstoorbre nacht
Van tastbre dampen, die, uit gisting voortgebracht,
Met stinkend luchtmoeras haar holle buik doordringen,
De borst benaauwen; en den gorgel samenwringen,
En vlammen scheppen, maar verschroeiend, zonder schijn,
Doch blaakrend voor 't gevoel met onverdraagbre pijn,
Daar 't oog by eigen licht, in 't duister uitgeschoten,
De jamm'ren scheemrend raamt, hier stroomende uitgegoten.
Daar, in dat ijslijk hol, heeft 's aardrijks dwingeland,
Hier neergebliksemd, zijn afgrijsbren throon geplant.
Hier is zijn Hofgezin, zijn tuig en wapensmisse.
Hier wordt de pijl gesmeed voor 't dolende Gewisse,
Hier, de angel van de lust, die in de boezems haakt,
Die meesleept, en verscheurt, en oprijt, wat zy raakt,
En wonden achterlaat, die door geen hand te heelen,
De ziel verpesten, en de dood in de aadren telen.
Hier wringt men koorden voor de geessels van 't gemoed;
En 't scherpend vlijmsnoer, dat, vertaaid in menschenbloed,
En in de onzichtbre vuist der Wroeging opgeheven,
De beenders brijzelt, en om 't lichaam vast blijft kleven.
Hier eindlijk schept men gift en zwadder voor den beet
Der slangen, en verscherpt de doornen van het leed
Voor 't zuchtend menschdom, van zijn God en plicht vervallen.
De dienaars van zijn macht, bij honderd duizendtallen,
Omzwerven rusteloos zijn waggelenden stoel,
Die zonder steunpunt hangt in 't midden van den poel.
Hy zendt ze als bliksems uit. Zy rijzen uit de kolken,
En kruipen over de aard, of zwieren door de wolken;
Besluipen listig, of doorbreken met geweld
De zwakke boezems. Hun wanschapen klaauw omknelt
Een pesttoorts, rookende van Helsche folterdampen,
Die in de lucht ontvlamt, en gruwlen spat en rampen;
Of, draagt het lokaas bloot dat aantergt tot de schuld,
Maar de ijsselijke roe met zacht gebloemt' omhuld.
De Vorst der duisternis had op des aardrijks boorden
Een veldwacht uitgezet. Dit was die Raad van 't Noorden.
Zy, tot verdelging, tot verwoesting toegerust,
Had Kain in den stroom van Godvergeten lust,
Van gruwlen, broederslacht, en afgodsdienst gedompeld;
Zij, Kain door den arm der Reuzen overrompeld,
En dreef nu d' Arbaliet naar 's warelds rijk te staan,
Maar, om hem op zijn beurt in 't bloed te doen vergaan.
Men zat; of eer, men was op't sneeuwdons neergelegen,
Het lijf verheven; 't hoofd was op den arm gezegen,
Met d'elboog rustende op de halfgevouwen knien.
Tavoach was aan 't hoofd. Geschapen tot gebien:
Doorvonkelde zijn oog de dubble rij van Geesten,
Hier ordenloos geschaard, de minsten naast de meesten,
En hield hen door 't ontzag beteugeld.--Kringsgewijs
Stond, schuddende en bedeesd, het kroost van 't Paradijs
Op afstand, als, of 't waar, door 't hart te rug gestoten;
Gelijk een boschkat, aan de schildpad vastgesloten,
Uit ingeschapen schrik zijn keten rekt en spant,
En siddrend om haar kruipt aan 't uiterst van zijnband;
Of 't staal der zeenaald, van des zeilsteens kracht doortogen,
Door tegenstrijdigheid van 't eigenst trekvermogen
Wordt afgestoten, wen een andre pool haar naakt;--
En 't hart verraadt door 't oog hoe verr' het zich verzaakt.
Slechts enklen naadren, of verheffen schaamtlooze oogen:
Zy, wier verhard gemoed zijn aart heeft uitgetogen,
De wrekende Almacht niet als Rechter vreest van 't kwaad,
Maar met een Duivlenhart en als een vijand haat.
"Gy (riep de Raadsvoogd) die, getrouw en onbezweken,
Het Rijk des duisters sticht, en roemrijk uit doet breken!
Gy kent den toestand van dees wareld. 'k Melde u niet,
Het geen gy, met een meer dan arendsoog, doorziet.
Hier strijden om 't Heelal twee sterfelijke machten;
Dees moedig op getal, die op heur meerder krachten.
Wien eischt het hoog belang des afgronds .... (By dit woord
Weerhield hy zich, en 't bleef ten halve nog gesmoord).
"Wien, vraag ik, voegt het ons te staven, te onderschragen,
Te sterken? wien den staf des aardrijks op te dragen?
Zal Kain ...? Maar gy kent de wuftheid van dit volk:
'k Doorlees uw hart alreeds, en vraag geen andren tolk.
Of maakt dat stout geslacht, dat uit onsterfelijken
Geteeld, in Heldenkracht zich onzer waard doet blijken,
Rechtmatige aanspraak op een bystand die beslist?
En, waapnen we ons voor hun met krijgsgeweld of list?
'k Heb reeds hun vijand in zijn optocht voorgekomen:
Gy allen zaagt zijn bloed door eigen handen stroomen;
Maar sterker poging wordt gevorderd.--Biedt u aan,
Gy, Hoofden, die verlangt den Reuzen voor te staan!"
Hy zweeg. Arioch rees: "Ik ben gereed te strijden
Voor de eer van Lucifer, aan die, aan beide zijden.
Ik ken geen vijand, dan als vijand van 't heelal:
Gebied, en wijs my aan: wien ik verworgen zal."
Dus sprak hy. IJlings stond Alastor op, en trilde
Van bruischend ongeduld, terwijl hy "Doodslag" gilde,
En klaauwen toonde, met geronnen bloed omkorst,
En 't bliksemteeken des Aartsengels op zijn borst,
In d'ijsselijken strijd des hemels weggedragen,
Toen Lucifer, vol schriks gedonderd uit zijn wagen,
De onthelmde kruin verborg, en leenkroon, en gebied,
En morgenstar, verzaakte, en God de zege liet.
Nu klonk het alles "Moord", en weder "Moord", in 't ronde;
Dan "List", dan weder "Moord".--Met uitgezworen wonde,
Steeds gapende, in den hals, en 't voorhoofd half geplet,
Sprak Zardach: 't Is de list die Leeuwen voert in 't net;
Haar stemme ik. Kains kroost weet kunst met moed te paren;
Het triomfeert gewis op woestaarts en barbaren
Ten zij men 't keer! 't Geweld mislukte ons eens. Wie weet...!
Zoo hier een Sterker arm zijn rechten gelden deed!--
Bezadigdheid en list zijn veiligst. 'k Ken dat wapen.
Bekruip in vriendenschijn den vijand onder 't slapen;
Mislei; bedrieg; vervoer! Ik openbaar niets meer,
Maar leg wat ik vermag voor 's konings voeten neer."
Tavoach grijnslacht. "'k Weet uw grootsche dienstbewijzen
(Herneemt hy). 's Afgronds Rijk herdenkt ze met afgrijzen
En wellust. Satan-zelf, uw koning ging dus voor,
En gy wrocht wondren uit op zijn doorluchtig spoor.
Wien dankt hy, dan zijn list, geheel zijn rijksvermogen?
Wien 't opstaan van de Dood? hy, schepper van den logen!
En wy, wat danken we u, wat zijn we u niet verplicht,
Misleider, na uw Vorst de schranderste onder 't licht!
't Belang der Hel alleen verbindt me, uw grootsche daden
Te smoren. Ja, de kracht des Afgronds is--verraden.
Ga, dien by Kains zaad uw koning door 't bedrog!
Ook de arm die machtigst is, behoeft de valschheid nog.
En gy, Arioch! gy, Alastor! Gy verdelgers!
Gy, die in 't moorden leeft, gy, bloed en tranenzwelgers!
Wier drift geen prikkel eischt, geen voedsel voor uw gloed;
Gaat! 'k laat u over aan u-zelven; moordt en woedt!
Gy, aartsvijandigen van leven en bezieling,
Spreidt, spreidt verwoesting uit, vergruizing, en vernieling!
Voert, voert het Reuzendom dien bystand zichtbaar aan;
En doet de ontvolkerde aard in vlam en rook vergaan!
Dat Lucifer voortaan op 't licht moog zegepralen,
Zijn stoel op 't aardrijk stichte, en God' in 't oog durv' stralen!
Gaat, vliegt, Getrouwen, ik beziele u met den geest
Des konings, die ook nog geen dreigende Almacht vreest!"
Hy sprak. Als 't dof gebrom van verre donderslagen,
Op vleugels van den storm de dalen rondgedragen,
En met den hollen galm van kluft en rotsspelonk
Al romm'lend voortgerold in dreunend berggeronk,
Verhief zich 't woest gejuich der Duivlen naar den hoogen;
Klonk door, tot voor den throon van 't Eeuwig Alvermogen,
En bonsde op 't wolkgordijn dat voor den zetel strekt,
En 't vlekloos Wezen voor der Englen oog bedekt;
Ja 't stoort een oogenblik de Choren onder 't zingen.
Tavoach wendt het woord tot Edens bannelingen:
"Gy hoort het (roept hy uit,) wy treen in uw belang.
Vereent u thands met ons tot Kains ondergang!
Uw afkomst zegepraalt; haar vijand gaat bezwijken.
Uw Eden zij voortaan een Ararat van lijken!
Wie wraak in 't leed bemint, onze Afgrond lacht hem aan:
Zy is 't die wreken durft, al zou zy zelv' vergaan."--
De Helsche gruwelraad herrees en was ontbonden;
Misleiding en verraad door 't menschdom uitgezonden,
In nevelen omwolkt van ondoorzichtbre mist,
Tot luchtkales gevormd voor 't gruwzaam kroost der List.
Zy planen over 't dal der vette stroomolijven,
Als duiven die in 't zwerk op vlakke vlerken drijven,
Geen slagpen roeren, maar onmerkbaar in heur vaart,
Zich hangende op de lucht ter neder zien op de aard.
Hier strijken ze eindlijk neer. Maar Sadrach neemt de leden
Van Grootvaar Hanoch aan, om legerwaart te treden.
De zilvren lok hangt langs zijn slapen, hol en blaauw:
De baard bedekt de borst met achtbaar nevelgraauw:
Zijn schedel nokt en schudt als 't schuddend popellover:
Het rimpelvol gelaat buigt op zijn boezem over:
Zijn oogen weemlen, als van d' ouderdom verdoofd;
En 't lichaam gaat gebukt van de overwicht van 't hoofd;
Een blanke lamm'renvacht hangt van zijn heup te zwieren;
Een staf is in zijn hand om 't wagg'lend lijf te stieren;
En, met den zachten tred eens grijzaarts, na aan 't graf,
Daalt hy in 't holst der nacht voor Segols rustkoets af.
't Was fiere Segol, stoutste uit Kains Legergrooten!
Argostan was met hem uit eenen schoot gesproten,
Aan de eigen borst gezoogd, maar dappren Zimdrachs zoon;
Hy, telg van Omra, die in Beth-ur had geboon.
De dood zijns broeders bracht zijn jeugdig bloed aan 't koken.
Geen slaap had sints dat uur zijn heldenoog geloken.
Zijn brein, aan 't woelen, smeedt ontwerpen, keer aan keer,
Van staatsverheffing, wraak, en schittrende oorlogseer;
En, afgefolterd door het mijmren, slaat aan 't walen,
Gelijk een wervelwind in 't vluchtig zand der dalen,
Of draaikolk, die in 't meir de schepen zwelgt aan 't strand,
En dan weer opgeeft uit het brakende ingewand.
In dees gesteltenis treedt hem het Nachtspook nader:
"Ken Hanoch (zegt hy), Zoon! der Kainiten vader.
'k Verliet het dompig graf om u, om ons geslacht.
Hun nood drong tot my door in de onverstoorbre nacht.--
Argostan viel--en gy, gy zult zijn plaats vervullen!--
Maar 's Warelds diadeem moet haast uw kruin omhullen.--
Rijs!--roep het Leger saam--het noodlot legt ze u toe!
Vaarwel--en vrees geen dood, daar ik u 't lijf behoe."
De ontroerde Segol rijst. Het schijnsel is vervlogen.
Hy geeft een woesten schreeuw, en wrijft de scheemrende oogen,
Als Zilfa op 't geluid de veldtent binnen treedt;
Zy, door den boei der min aan Segols hart gesmeed!
"Mijn weerhelft (roept zy,) wat ontrust u? Welke droomen
Beroeren u? Wat geest, wat spooksel doet u schromen?
'k Werd mee van Geesten op mijn nachtsponde aangerand,
En sidderde voor u."--Zy vat zijn koude hand,
Van 't kille zweet nog klam, en hangt hem aan de leden;
Maar vruchtloos: hy is koel voor al haar tederheden.
In 't eind, hy rukt zich uit hare armen. "Wees getroost
(Dus zegt hy,) 't is geen schrik, waarvan my 't voorhoofd bloost!
Aanschouw my! 't is de moed, 't is de eerzucht!--Mijn Geliefde,
Ga heen, verban de vrees, die u den boezem griefde!
Haast.... (of mijn hart bedriegt me, en 't voorspook dat ik zag,)
Breng ik u 's aardrijks kroon; en--mooglijk, nog dees dag."
Hy roept. Men vliegt door een. Hy doet het heir vergaderen.
Nu rijst de morgenwind en ritselt door de bladeren,
En 's hemels graauw verbleekt, verheldert, en ontgloeit
Tot goud en purper, dat heel de uchtendkim omvloeit.--
Men schaart zich.--Heel het volk had Geesten hooren wandelen;
Gezuis van booggeschut, geruisch van wapenhandelen,
En 't gonzen van den steen des slingers door de lucht
Vernomen; nu, doormengd van akelig gezucht,
Dan, van een woest gehuil als onderaardsche winden;
't Aandoenlijk noodgekerm van afgejaagde hinden;
Of 't brullen der hyene, in aanval op haar prooi.
Een ooilam wierp, die nacht, in de aangelegen kooi
Een ruigen leeuwenwelp, die door de kudde woedde.
Een slang ontsprong aan 't ei waarop de stroomzwaan broedde!
Een bloedwel had gevloeid uit beuk en eikenkloof.
Dit alles was gezien; voor 't minst, het vond geloof.
De somberheid in 't oog, van heimlijke angst bekropen,
Stond daar 't verminderd heir, in vier verscheiden hoopen
Slagordenwijs gevormd: helaas! geen leger meer,
Maar overblijfsel van 't nog gistren schrikbaar heir.
Men schokt op 't aanzien van de ruimgeworden vlakte
Die eerst hun kring benaauwde, en siddert van zijn zwakte.
Men breidt zich uit, verdunt zijn rijen, en verbreedt
De Heirspits, en verbergt zich d' aanblik van zijn leed.
Nu biedt zich Segol aan. Hy draagt op bei zijn handen
Argostans veldheerknots, gepunt met evertanden,
En legt haar aan de spits des legers staatlijk neer.
"Dit eenmaal zoo geducht, thands uitgediend geweer
(Dus zegt hy), voegt de hand die aan uw hoofd zal strijden.
Hy voere 't, die uw hals van 't dwangjuk mag bevrijden!
Aan my behoort het niet. Ik, neergebukt van rouw,
Blijf aan mijn broeder, aan mijn broederplicht, getrouw.
'k Verwijt u niets, o neen: gy hebt zijn dood gewroken:
Ik zie geen handen hier van 't bloed diens broeders rooken.
Doch duldt, dat ik me onttrekke aan zulk een legermacht,
Waar 't oproer op een sprong zijn eigen Krijgshoofd slacht....
(Een murmelend geluid ontstaat op deze woorden)
En 't hoofdloos heir versmelt in onderling vermoorden
(Dus gaat hy moedig en onafgebroken voort).--
Waar zijn die benden thands, van 's warelds versten boord
Verzameld door zijn zorg? waar zijn die Reusbekrijgers,
Die--op 't vijandlijk bloed uit wraak verhitte tijgers?
Hun lijken liggen ginds op 't bloedveld uitgestrekt,
Door d'adem van den wind met luttel zands bedekt,
En 't blank gebeente zal na honderden van eeuwen
By onbekend geslacht nog wraak en gruwel schreeuwen,
Wen spade of ploegstaart hier door 't vetgemeste dal
Op hoofdscheelsplinters, ribbe, en heupbeen stuiten zal.
Gaat, gaat, mijn broeders,--gaat met sleepende banieren,
Uw uitvaart, geen triomf op uw bestrijders, vieren!
Ik voer geen wapen meer; maar 't hart der woesteny
Zal me eenzaam sterven zien, gelijk de Woudos, vrij."
Hy keert zich weenende om. Het Leger, diep verslagen,
Schudt als een korenoogst, waardoor de stormen jagen;
Breekt ordning en gelid, omvangt hem in een ring,
En roept: "Blijf dappre Held! gebied aan onzen kring!
Aanvaard dit wapen, dat Argostans handen zwaaiden,
Wanneer zy 't oorlogsveld met lijken overzaaiden!
't Behoort u. Kains heil hangt aan uw dappren arm:
Wy allen, wy vergaan, ten zij hy ons bescherm'.
Gebied!"--Hy andwoordt: "Hoe! ik u ter dood geleiden!
Den arend van 't gebergt' uw spieren af doen weiden
En drenken met uw bloed? Gelooft gy 't, dappre schaar?
Dat bloed is my te dier, dit viel mijn hart te zwaar!
Hoe! 't menschdom, wijd verstrooid en door geen band verbonden
Dan, naauwlijks aangegaan of, ijlings weer geschonden,
Verdeelt, en levert zich, by hoopen, zonder kracht
Een' vijand in de hand die trotscht op overmacht!
Wat zou uw veldheer hier, wat zoude uw moedbetooning?
Neen, schenkt aan 't wareldrond een heerscher, schept een koning!
Hy schikk' van 's aardrijks macht, vereen' haar in zijn kroon!
En ik, ik strij met u, en buig my voor zijn throon."--
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 | 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12