A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Annual Bibliography of Commonwealth Literature 2007
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

De ondergang der Eerste Wareld

W >> Willem Bilderdijk >> De ondergang der Eerste Wareld

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12



Dit schrikbaar Reuzenvolk, uit Kains zaad gesproten,
Was over 's warelds vlak als veldkruid opgeschoten.
't Had lang in 't eenzaam Noord, aan 't steigren van 't gebergt',
Den boschstier in zijn hol, de tijgers uitgetergd,
De berggeit op de kruin des standmuurs nageklommen,
En onder zich den storm in d' afgrond hooren grommen:
Maar eindlijk tot een hoop, een legermacht vergaard,
Verspreidde 't schrik en dood door heel de zuchtende aard
't Naburig Arbal zag hun benden nederzakken
Als stroomen, van 't gebergt' in onderscheiden takken
Afvlietend, maar omlaag hereenigd tot een vloed,
Die, door den wind gezweept, al buldrend zeewaart spoedt,
En herder, hut, en hond, en lamm'renkooi, en wolven,
Op 't hoofd stort, sloopt, en moordt en omkeert in zijn golven.
Het bloeiend Nod bezweek voor de overmacht en vlood;
't Omwalde Hanoch zwichtte, en niets, dat weerstand bood!
Niets, dat het dol geweld in d' eersten schok betoomde!
Toen gold het Hemaths dal, waar 't bloed by beken stroomde.
De weerloosheid van Seth, de roof, op hem behaald,
Stond Kains trotschheid duur, en werd te wel betaald.

Nu was de dolle Krijg ontketend.--Kains Neven,
Eerst zenuwloos van schrik, en Westwaart heengedreven,
Vergaderden ter wraak, en vormden zich een heir.
Men strijdt; grijpt, strijdend, moed; en eischt zijn haardsteen weer.
Van toen was 't staag gevecht. Men sneed ahornen bogen,
Gewiekte pijlen, die van 't drillend peeskoord vlogen,
En de arm trof verder dan hij reikte, met een vlucht
Van steenen, uit een snoer geslingerd door de lucht:
Men wapende de knots met ijzren spits of axten:
De list vervulde in 't kort de minderheid der zwaksten;
En 't grove Reuzenrot met moed en kunst bestreen,
Week naar den hooger grond, als in zijn schansen, heen.

Die zege was behaald; het vaderland herwonnen!
De grond herbouwde zich! Een reeks van vijftig zonnen
Zag Kain bloeiender dan eertijds, als het dal
Op nieuw weergalmde van vijandlijk moordgeschal.
Vertalrijkt, rukt de Reus zijn bergkruin af naar onderen,
Om 't oud en vruchtbaar Nod te teistren en te plonderen,
Rooft vrouwen, kinders, vee, en moordt den Hanochiet,

En vestigt zich van de Esch tot daar de Nilho vliet.

Nu scheen een andre stand voor 't Wareldvlak geboren,
De zetel van het Rijk van Kain was verloren:
Een deel der landstreek lag in ijzren slaverny;
Het oovrig, leeg gevlucht, ten doel der roovery;
En Hemath stond omringd, van 't heuvlig land der beken,
Tot daar m' in 't neevlig West de dagtoorts zag verbleeken.

Thands stond het Reuzenvolk naar 's aardrijks Oppermacht,
Als afkomst van een grootsch, een hemelsch Voorgeslacht;
't Was thands dat volk niet meer, dat onbesuisde tanden
In wolvenspieren sloeg en runderingewanden,
Het zwangere ooi verzwolg met 't onvoldragen lam,
Of eikels zamelde op den omgeworpen' stam.
Het kende 't voedzaam graan, de vrucht van 't land beteelen,
Met Kains weelde, en lust, en feestvermaak, en spelen,
En wat de schrandre kunst, in dartlen bloeistand, schiep,
Of tot verderf van 't hart in samenzweering riep.
't Verslingerde op 't genot dier zoetheen van het leven,
Maar machtloos om zich-zelv' dat streelend lot te geven:
't Bood vrede; of eer, 't gebood, op naam van vreeverdrag,
Geschenken, cijnsbaarheid, en Opperstaatsgezag.

Wat, Dichtkunst, was die eisch? Vermeld hem op mijn smeeken.
Gy weet het. U geheugt, wat 's menschen geest ontweken,
In golven wegdreef, die geen oog vervolgen mag,
Geen kracht te rug brengt met den weggevloten' dag.
Men eischte 't meerderdeel van vee en akkergaven,
Ten jaarlijksch schattingrecht, en duizenden van slaven,
En maagden, hemelschoon, met trippelenden voet,
En wulpsch van zangstem, ter ontsteking van het bloed,
Op luitspel afgerecht, en dartle schouwgebaren;
En bergen smijdig goud, gezuiverd uit zijne aaren;
Robijn uit Pizons kil; en hellen diamant;
En d' eelsten roofschat van het parelvoedend strand.
Zoo klonk de wreede wet, der Wareld voorgeschreven!
Geen andre keus dan dit: te buigen of te sneven!

Tien stammen hadden reeds, onmachtig af te slaan,
Den nood gehuldigd, en hun vordring toegestaan.
Een deel, besluitloos, rekte in radeloos beraden
De dagen, onbeslist, terwijl zy uitkomst baden
Aan Goden, doof voor hun. Argostan stond alleen
Onschokbaar, bracht een heir van strijders op de been,
En ging dien vijand op zijn' eigen grond bestoken.
Van Hiddekel en Frath naar Hemath opgebroken,
Zwoer al wat moed bezat en op zijn krachten fier,
Het juk versmaden dorst, Argostans krijgsbanier.
Het gloeide in dezen hoop van ijvergloed, van woede,
Van wraakzucht die in 't hart op stoute ontwerpen broedde;
En, zucht voor 't vaderland, voor Huwlijkskoets en kroost,
Maakt al wat wapen droeg den wissen dood getroost.

Verblindend Bygeloof, voor afgoon neergebogen,
Dat monster, helsch van stam en bastaartvrucht van Logen,
Uit zinlooze Angst geteeld, stak middlerwijl den kop
In 't trekkend leger, met verschrikte blikken op.
Heur fluisterende stem, die muren door kan boren,
Die elken weergalm vangt en harder weer doet hooren,
Verhief zich: mommelde eerst als zuizend bij'gebrom,
Maar zong weldra 't geluid der oorlogstrompen stom.
Zy eischte een plechtig feest ter eer der Hemellichten,
Als waarborg in 't gevaar. Flux gaat men de outers richten,
En stapelt zoden, of omhangt die met gebloemt'
En kruideryen, naar der starren naam genoemd,
En slacht by honderden, in 't ruischen der schalmeien,
De varren, 't juk nog vreemd, de vaars der klaverweien,
Het argelooze lam, van d' uier afgerukt,
En 't borstlig ondier, met den snuit in 't slijk gebukt;
Den dartlen geitenbok; en 't hoofd der runderstallen,
Den stier, na jaren dienst, voor 't kouter neergevallen:
Ontweidt ze, en wroet om strijd in 't lillende ingewand,
En smijt ze, druipende, in den sissende-outerbrand.
Men plengt er olie by, en melk, en kroont het offer
Met specery van Chus uit gouden wierookoffer,
Of lauwerbezie, en welriekend styraxblad,
En heft de handen op, van 't sprenklend bloed bespat.
Nu prevelt men gebeen terwijl de vlammen steigeren,
Roept vloek en neerlaag uit op vijand en bedreigeren,
En smeekt het Englendom, dat ieder Licht beheert,

Bevestiging des eeds, dien Hemaths krijgshoop zweert.--
"Gy, Geesten (roept men), die uit de ongenaakbre sfeeren
Op stervelingen ziet wier invloen ons beheeren;
Wier glans ons toelicht! Gy, het zij ge in ruimer baan
Om 't wentlen van onze aard een trager kring moogt slaan,
Of nader aan de bron des vuurs, met meer bezieling
Van gloed, in sneller vaart herombruischt, in uw wieling!
En Gy vooral, die, met uw zilvren aangezicht,
Uw hoornen afkeert van uws broeders schitterlicht,
De tijden regelt, en de ontembre waterplassen
Waarheen gy de oogen wendt, heur boorden uit doet wassen:
Nachtfakkel, wie 't geheim der diepste duisternis,
Ja, 't hart des afgronds tot zijn binnenst, zichtbaar is:
Wier koude stralen de aard het gift der akonieten,
Bezwangerd van de dood, in nachtschade uit doen schieten,
En 't worgend Geestendom met aaklig nachtgerucht
Op vleermuisvlederen doen reien door de lucht!--
En Gy, wiens bloedig licht, met blaauwen damp omtogen,
Den bliksem van het zwaard doet schittren in onze oogen;
Verdelger!--En ook Gy, der starren middelpunt,
Die elk rondom uw' throon zijn eigen loopperk gunt,
Als wachters, nimmer moe op uwen wenk te zwieren,
o Goddelijke Zon!--Aanschouwt onze offervieren!
Wy slachten u den keur van kudde, en kooi, en stal.
De vlam stijg' t' uwaart op! 't vereerend feestgeschal
Boor' door de wolken heen! de walm der wierookgeuren
Doorwaassem' en doorvloei' de onoverstijgbre scheuren
Des afstands, die ons van uw zetels scheidt! Verhoort!
Wy aamen rust by wraak; de vijand, bloed en moord.
U wijden we onzen arm, wanneer wy monsters slachten,
Die zelfs uw Godheen in haar hemelloop verachten.--
Verzwaart de slagen van ons wapen! Trekt ons voor,
Gelijk ge, o Morgenstar, op 't effen hemelspoor
Den blonden Dageraad, of 't heir der vaste starren
Ter heirbaan voorstapt om den slagboom los te sparren:
En velt aan onze spits die Reuzen, wier geweld,
Uw grootheid zelfs te trotsch, aan alle boord ontzwelt!"--

Nu slingert men door een, en schaart, en scheidt zich weder,
Met staatlijk Kerkgebaar. Men werpt zich beurtlings neder,
En rijst, en zingt op nieuw: Geduchte Hemelgoon,
Redt Kain en 't Heelal des aardrijks!--op een' toon
Van weemoed, of triomf, vertrouwen, hooploos smeeken;
Naar de outersmook zich heft, der Goden gunst ten teeken,
Of neerduikt, in zich-zelv' gewenteld; of zijn bocht
Wordt afgedreven door der winden ademtocht.

Een rei van Maagden volgt, in linnen statiekleeden,
En zwiert door de outers heen met afgepaste treden,
Of huppelt, in een' kring, met zon- en maanlicht om,
En schudt de sisterroede of doffen rinkelbom,
En slaat, terwijl in 't rond de krijgers DOODSLAG galmen,
De uit angst gezonken borst met blanke handenpalmen.
De Veldheer ziet het aan, en jammert in 't gemoed
Om 't kwisten van een' dag, door 't morgen nooit vergoed.
Zijn ongeduld ontvlamt; hy steunt op heldenkrachten,
Geen hulp, geen' onderstand van ongeziene machten.
Zijn spijt verkropt zich; maar het zwellen van 't gelaat
Verkondt een hartsgeheim dat zich te wel verraadt.

Het offer is verricht.--Gy ook, Sethietsche schoonen,
Omgingt het in den rei, met bruine myrthenkronen
Gehuld? Gy ook, o gy, tot beter dienst bestemd!
Uw zuivrer hand heeft mee den bedetak [3] geklemd,
Met bloed besprenkeld, God ten gruwelhoon vergoten!
Waar gaat gy thands?--Gy volgt uw feest--, uw speelgenooten,
Daar, waar de disch u toeft met dartle tafelvreugd
En kozeryen van een bandelooze jeugd.
Genoegens, waardig dat Afgodisch offerplegen!
Uw deel is met haar: gaat! wellustig aangelegen!
Haast zal de onkuische dans.... Uw oog reeds vangt haar aan,
En 't hart in 't hupplend oog verbiedt mij voort te gaan.
Ach, Seth werd Kain in zijne afkomst: uw vriendinnen
Gewenden u voorlang aan haar ontuchtig minnen,

En, zwoert ge uw' God niet af, voor 't minst, gy sloot Hem 't hart,
En blindling stort ge 't hoofd in 't net dat u verwart.

Maar wie ontbreekt hier by uw avondfeestvermaken?--
Elpine--Elpine-alleen, onvatbaar vreugd te smaken.
Elpine, uit Kains stam, maar opgevoed by Seth
En met geen godendienst, geen wulpsche lust besmet.
Zy, schoonste uit heel uw' kring; zy, wees; uit 's vijands banden
Verlost, wanneer hy week uit de ingenomen landen;
En, door Methuzalah tot tucht en deugd gekneed.
Haar lust was 't eenzaam woud. Maar 't algemeene leed
Deed thands haar kaken niet van tranen overstroomen.
Zy klaagt, dit oogenblik, aan 't lommer van de boomen
Den naam van oudren niet, haar veel te vroeg ontscheurd,
En daaglijks, maar haar hart nog nooit genoeg betreurd.
Helaas! de onnoozle zucht om andren kommer, wreeder
Dan kinderlijke smart om oudren dood, hoe teder!
Zy zucht om de onschuld van haar kindschheid: om 't gemis
Van 't geen haar dierbaarst bleef, maar onherroeplijk is:
Zucht, om 't noodlottig vuur, 't betoovrend van een weelde,
Die eerst in zoeten droom 't onwillig harte streelde,
Daar na, door wonderkracht, der menschheid veel te hoog,
Haar overstelpte en dwong, en aan zich-zelve onttoog.
Zy zucht om 't geen ze in 't hart, en onder 't hart, voelt woelen;
Om, die dat hart de vlam der liefde deed gevoelen,
En nergens vindbaar is. Met doodschrik ziet zy uit
Naar 't vreeselijk uur dat haar den gordelriem ontsluit,
En moeder maken moet, om met een kroost te sneven,
Aan wie geen vader ooit den vaderkus zal geven,
En dat ze aan 't daglicht moet verbergen met zich-zelv'.
Zy heft de handen naar 't vergraauwend blaauw gewelf,
Waar reeds de morgenkim 't gestarnt' schijnt op te jagen,
En gilt haar wanhoop uit, en heeft geen' moed tot klagen!
Nu zinkt ze in felle smart verbleekende op de knien,
En wringt de handen, en vertwijfelt, waar te vlien:
Dan verft een nieuwe storm van woede haar de kaken,
Vliegt op, en wil een eind aan 't foltrend leven maken
Of rent, als razende en met zweepen aangespoord,
Onwetend werwaart heen, in eenen adem voort,
Kwetst d' al te teedren voet aan struiken en struweelen,
En houdt op eenmaal stand, als siddrend voor het kwelen
Des nachtegaals in 't woud, of 't knappend uilgesteen,
Dat uit een' hollen tronk haar toeroept in 't geween.
Zoo ijlt ze en streeft in 't wild door duizend slingerpaden,
En wenscht de dood, en schrikt op 't ritslen van de bladen:
Tot ze op een' heuvelgrond, door heldere Ur omstroomd,
Zich raadloos nederwerpt in 't hangen van 't geboomt'.

Hier, spraakloos, rolt een traan uit de opgezwollen oogen
Heur' matten boezem langs. Het boomloof wordt bewogen,
Een adem, als een wind, met leliegeur bevracht,
Omfladdert ze en hergeeft haar de uitgeputte kracht.
Een zachte en teedre stem, gevoeliger voor 't harte
Dan merkbaar voor het oor, sprak: "Smoor uw boezemsmarte,
Wees kalm, Elpine: uw lot verandert. Wees gedwee,
Ik waak, ik zweve om u: ik, oorzaak van uw wee."
Ze ontzet. "Gerechte God!" dus roept ze, en kan weer snikken,
Weer woorden uiten, en weer tranen die verkwikken.
"Wat hoorde ik? welk een stem! bedriegt mijn hart zich, of
Ontwaarde ik inderdaad de troosttaal die my trof?
Wat Geest, wat Engel huist of waart in deze bladeren,
En stort de onheilige dien hemeldaauw door de aderen?
Is dan 't onstoflijke ook gevoelig voor ons lot!
Vindt menschenbroosheid nog, verpletterd, heul by God!
Of, Hemel, zou ook hier een Paradijsslang wemelen,
En logen sissen op den waarheidtoon der hemelen,
Door 't schom'lend groen bedekt, verhuld in duisternis?
Aartsgoedheid, red me, o red, zoo redding mooglijk is!
Is aan 't gevallen kroost, in nieuwen val verloren,
Is d' afval van het hart verdelging toegezworen,
Verplet me! of stort my in dien afgrond, dien mijn voet,
Met overwelvend zand omtogen, overspoedt
Zoo lang hy de aard betreedt. Ik kus uwe ongenade!
Maar wreek ook de onschuld van de uit slijk gekropen made!
Een nieuwe Satan.... Ach, wat zegge ik! Neen, o neen,
Ik smeek geen wraak, o God! ik smeekbarmhartigheen.
Vergeef, vergeef hem, kan uw Heiligheid vergeven,
Wat liefde en zwakheid (maar geen wrevelzucht) misdreven!
o Breng hem weder voor mijne oogen! Toon my hem!
Wien ik, mijns ondanks, nog in 't bevend hart omklem!
Naar wien ik in den slaap nog de armen uitstrek, gloeiend
Van schaamte, en van een vlam....! Ja, door mijne aadren loeiend
En klaatrend overheert ze en volgt my waar ik 't pand
Van zijne omhelzing draag, met onuitdoofbren brand.
Mijn God! 'k ontsluit u heel mijn' boezem--zie my lijden,
My-zelf, mijn eigen ziel, mijn zelfgevoel bestrijden.
Geef, geef verademing, geef uitkomst! 'k kan niet meer."

Dus zegt ze, en zijgt op nieuw in matte ontroering neer.



TWEEDE ZANG.

't Was nacht. De heldre maan bescheen de breede vlakte
Waar langs de kronklende Ur al kabblend nederzakte,
En strooide 't rimplend nat met zilvren loverglans,
Het koeltjen ging door 't woud op 't huppelend groen ten dans,
Of joeg met luchte vlerk de golfjens voor zich henen,
En kuste Elpines wang en boezem onder 't weenen.
Vergeefs! Die boezem voelt der wroeging felsten prang,
En 't traantjen droogt niet op langs de uitgebleekte wang.

Daar zat zy, troosteloos, in diepen rouw verzonken,
En scheen een zielloos beeld, uit marmersteen geklonken.
De dagtoorts zonk ter kim, door de avond afgelost,
En 't heldre nachtgestarnt' betrok zijn hemelpost;
Haar oog bemerkte 't niet, en troostloos neergeslagen,
Had de engbenepen keel geen' adem meer tot klagen,
Het hart geen krachten meer tot doorstaan van zijn wee,
En 't was haar, of de ziel haar matte borst ontglee.

Een oogenblik vervloog. Zy vond zich weer in de armen
Des Jonglings, voor wiens drift geen deugd haar kon beschermen.
Hy wien haar hart aanbad, en 't aan zich-zelf beleed,
Terwijl het hem 't verwijt van al haar jammer deed.

Zy voelt het drukken van die armen, voelt het kloppen
Van d' eigen' boezem aan haar hart, en vangt de droppen
Van 't rozenriekend hair dat om zijn' schedel speelt,
En hemelbalsems daauwt, in hooger lucht geteeld.
Maar 't schemert voor haar oog, met nevels overtogen.
Een druk der lippen sterkt de halfgeopende oogen,
En ach! zy ziet, ze erkent den zelfden hemeling,
Die eenmaal aan heur borst in dartle omarming hing,
Van wien zy 't liefdepand zich onder 't hart voelt leven!
Ze erkent hem, en gelooft van enkle vreugd te sneven.

De Jongling spreekt haar toe, terwijl een morgenlicht
Hem afstraalde uit den blos van 't vlekloos aangezicht.
"Elpine, o teergeliefde! o bloem, het zalig Eden,
(Der vaadren erfgrond) waard, ja waardig aangebeden!
Heradem! zie mij weer, die voor uw schoonheid kniel,
En d' Englenrei ontzeg, waar uit ik nederviel,
Om u, om u-alleen mijn' boezem op te dragen.
Herken hem, die in d' arm, om uwe heup geslagen,
Het hoogste heil omvat dat aard en hemel heeft,
En zelfs de onsterflijkheid voor uwe liefde geeft!
Maar neen! Hy geeft haar niet, dan om haar weer te winnen,
En eeuwig in uw' arm te leven en te minnen."

Dus sprak hy en de roos van 't uitgebleekt gelaat
Heropende om haar kaak een' nieuwen dageraad.
Een parel blonk in 't oog, en rolde langs de wangen,
En, stollend op den mond, bleef aan heur lippen hangen.
Haar oog ontvonkte, en schoot door 't wolkjen van de smart
Het waatrig licht der hoop die weer ontglimt in 't hart.
Dan, spraakloos bleef haar tong; haar boezem stikte in 't wellen
Van zuchten, zonder tal, die naar den gorgel zwellen,
Wier worstling onderling den doorgang zich verbiedt.
Zy drukt des Jonglings hand, en meer vermag zy niet.

"Elpine (vangt hy aan)! ontfang my als uw' Gade!
Vergoed my, 't staat aan u, des Hemels ongenade.
Mijn noodlot is beslist. Ik deel met uw geslacht
De ballingschap der aard, vrijwillig, zonder klacht.
Of--gy, gy zult met my den heilstand uwer vaderen
Hernemen. Hemellucht zal stroomen door uwe aderen,
En, door mijn' arm hersteld in 't leven zonder dood,
Zal Godlijk Englenkroost ontspruiten uit uw' schoot.
Doch hoor my! 'k zal u meer, en wonderen, verhalen.

"Elpine! 't Is een stam, waar uit wy beide dalen.
Ja, de eerste stervling gaf ons 't aanzijn uit zijn bloed:
Maar my, in Edens hof, van fijner geest doorvoed
Dier Heemlen, welker lucht dien blijden Hof doorwemelt;
En hun, wier spruit gy zijt, reeds balling en onthemeld.
Gy weet: dat eerste paar, der Englen zorg en vreugd,
Leefde opgehoopt met heil, in onvergangbre jeugd,
Onvatbaar voor 't besef der eensbezuurbre kommer:
En sleet zijn eeuwigheid in Edens zuivre lommer,
In volle zaligheid en onbeperkt genot.
De hooger Geesten zelfs benijdden 't heerlijk lot.
Het viel, het overtrad en werd naar de aard verdreven,
Om aan d' ondankbren grond zijn drupplend zweet te geven.
Het vlammend zwaard der wraak, en meer, 't besef der schuld,
Sloot allen rugkeer af, en 't vonnis werd vervuld,
Dat, van dat uur af aan: zijn ongeboren loten
Uit Godenheerlijkheid in jammer neer moest stoten.
o Kroost, rampzalig kroost, dat voor uwe Oudren boet!
o Oudren, die dat kroost uw' wangreep nooit vergoedt!

"'t Gedoemde paar vlood heen, van wanhoop ingenomen.
Nog had de troost geen plaats van nokkend tranenstroomen;
Nog wist de zucht geen' weg te vinden naar om hoog.
't Vlood siddrend, hand in hand, met zwartbeneveld oog,
Vergat zich-zelf en 't kroost dat in hun bruiloftsweelde
Een nog onwraakbre min in Godenreinheid teelde,
En wachtte, elkaar aan 't hart, in een', een' zelfden nood,
't Nog onbegrijpbre leed der hun bedreigde dood.

"Wy, vruchten van hun koets, wy, spruiten uit hun lenden,
Wat zagen we op die stond, daar zy zich dalwaart wendden!
Onzalig Oudrenpaar, hoe bleef uw kroost verstomd!
Nog hoor ik 't bliksemvuur dat door de wolken gromt,

Waar nooit dan Englenzang den weerklank had doen hooren
Der Hemelmelody van de onbevlekte Choren.
t Was of ons Paradijs, al schuddende op zijn' grond,
Verbrijzelde op de puin van 't lager wareldrond.
't Was vuur, verterend vuur, met buldren, kraken, donderen,
Met rook en zwavelvlam, dat Eden af moest zonderen;
't Was stikdamp, dien de hel van ondren opjoeg, om
Ten muur te strekken van der zaalgen heiligdom.
't Ontzag, de vrees, de schrik, hield tong en oog gebonden.
Wy strekten de armen uit, of wy ze omhelzen konden.
Ons harte vloog hen na.--Vergeefs! een zwarte nacht
Verzwolg het dierbaar paar dat ons had voortgebracht.
Hoe schetse ik u den staat van ons, ontzette telgen!
Gods Almacht daalde omlaag met alverwoestend belgen
Wij sidderden, van liefde en deernis aangedaan,
Maar offren ons gevoel, en bidden zwijgend aan.
Ja, heel de schepping zweeg, en cederstam en heester
Hing loverkruin en tak om 't jammer van zijn' meester;
Het Paradijsooft bleekte, en 't vooglenzangchoor zweeg,
Dat dwars door 't bladgewelf ten hoogsten hemel steeg.

"Ik maal u 't ijslijk niet van Adams aardrijkploegen;
Zijn leven niet, verteerd in 't rustontbeerend zwoegen;
Nog 't scheuren van den schoot dier Moeder, die haar leed
Met dubblen weerzin torschte om 't geen zy zich verweet.
Gy kent hun echt, en wee-, en rouw-, en moordgeschichten,
Hun uitzicht en hun troost in wrange levensplichten.
Hun jamm'ren, met een woord; en waarom die herhaald!
o Oogenblik van lust, wat werdt gy duur betaald!

"Maar, dierbre Elpine, ik heb nog andre ramp te melden.
't Waar weinig, zoo de ploeg moest snijden door de velden,
En 't voedsel door de spa' gedolven uit het zand,
De prijs des arbeids was van de onvermoeide hand.
't Waar weinig, van een' grond, met bloetzweet overdropen,
Den mondvol smaakloos brood voor pijn en angst te koopen:

Maar 't lichaam zelf ontaardde, uit groven klei gevoed,
Verdierlijkt, en hersteld uit rund- en lamm'renbloed.
't Verloor den hemelgeest, die 't eenmaal door mocht stralen,
't Oorspronklijk weefsel zelfs, in 's aardrijks woeste dalen,
Die veerkracht, die 't verhief en uitbreidde in de lucht,
En 't nam die logheid aan, waar onder 't velddier zucht.
Wy mogen, met een lijf, uit fijner stof geweven,
Op d' adem onzer borst door lucht en ruimte zweven,
En zwieren naar 't ons lust, verheven op den stroom
Des Ethers, heemlen door, tot 's warelds buitenzoom
En waar 't oneindig Niet de nooit beklimbre bogen
Van 't levenvol Heelal met nevels houdt omtogen.
Wy spannen 't lichaam uit, en schenken lucht en licht
Een' doorgang, die 't verbergt voor aangreep en gezicht:
Of doen het, meer verdikt door stoflijk samentrekken,
En, weer bien aan 't gevoel, en, 't oog ten voorwerp strekken,
Gelijk ik thands aan U my aanbie, schoone Maagd.

"Zoo zag, zoo minde ik u, daar gy te rusten laagt,
Voor u onzichtbaar, tot, van heete drift aan 't blaken,
Mijn ziel zich uitstortte op uw boezem, op uw kaken,
In kussen, daar uw hart onwillig deel in nam.
Maar ach! wat schetse ik u den oorsprong van mijn vlam!
Hoor eerst de strenge wet des Hemels.--Afgesneden
Van 't Godlijk menschenkroost, bewoners van zijn Eden,
Bleef Adam nog de schuts der Englen toegezegd,
En, by die Englen, ook der spruiten van zijne echt.
Wy zweefden om zijn koets, die van de lamm'renvachten
Gespreid was, die zijn hand op 't veldaltaar moest slachten
Als 't eerste zuiglam blaatte aan moederlijke speen,
En smolten onze bee met zijn gebed in een.
Wy waakten by zijn' slaap, en telden, by 't ontwaken,
De zuchten, die zijn borst aan Evaas borst mocht slaken.
En samenklotsen met de snikken van haar hart.
Wy hoorden 't noodgeroep by Evaas barenssmart,
En hielden, onbemerkt, haar knien onder 't kermen,
Of steunden 't wringend lijf, en vingen 't kroost in de armen,
Dat eens de onzalige aard die 't in zijn kommer voedt,
In weervergelding, met zijn lijken spijzen moet.

't Gejammer bij den dood diens Abels, dien Gods liefde
Ter dood voerde, als hem 't staal zijns woesten broeders griefde,
Klonk ons in de ooren en doorsneed ons 't ingewand:
Maar 't was ons niet vergund, de kinderlijke hand
Den vader of zijn kroost ooit zichtbaar toe te strekken.
Hy stierf. Ik zag het zand zijn zielloos rif bedekken.
'k Zag zes geslachten na hem opstaan, en vergaan.
Maar de aard nam middlerwijl een ander aanschijn aan:
De velden tooiden zich, dank 's stervlings rustloos wroeten:
De dalwind scheen allengs zijn' adem te verzoeten;
De zon, met minder gloed te drukken op het hoofd,
Terwijl zij eetbaar kruid en volle halmen stooft.
De lucht, van bloem en plant met nieuwe geur doortogen,
Werd zachter; en 't gedierte, in 't menschelijk juk gebogen,
Verloor zijn' schuwen aart, werd minzaam en gedwee,
En gaf, in 's menschen dienst, verlichting aan zijn wee:
't Gevogelt'-zelf, gelokt door de uitgeworpen koornen
Des akkers, zocht zijn hut, en hupte door de doornen;
Gaf voor zijn slaapstee dons, en zong zijn zorg van 't hart;
Of zalfde door 't muzyk de reeds verdraagbre smart.
Ja 't scheen, of Adams val door heuvels en valleien
Het Eden, hem bestemd, op 't aardrijk uit moest breien.

"Doch, Adam was geweest; zijn weerhelft daalde in 't graf,
En brak den band der aard met Edens burgren af.
Ons, meer verheven tak der zwakker menschlijke orden,
Was 't broederlijk geslacht allengskens vreemd geworden.
De stervling werd steeds meer vertrouwlijk met zijn lot,
En wischte 't denkbeeld uit van Englendom en God.
Wij vonden 't grover hart van onze stamgenooten
Voor d' invloed onzer zorg vereeld en toegesloten:
Wy gaven 't de Almacht op, en, aan Heur eer verknocht,
Niet een, die Adams kroost op 't aardrijk meer bezocht.

"Nu rezen moord, geweld, en bloeddorst!--'s Afgronds Koning
Sloeg de ijzren valdeur op der Helsche gruwelwoning,
En aamde een' pestdamp uit die alles overtoog!
Ja, de aarde werd een poel, afzichtlijk in ons oog.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.