De ondergang der Eerste Wareld
W >>
Willem Bilderdijk >> De ondergang der Eerste Wareld
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12
"En als de groote Aartsengelen, Michael, en Rafael, en Gabriel,
en Uriel, dit hoorden, zagen zy neer uit de heiligheid der hemelen,
en veel bloed langs het aardrijk ziende vergieten--traden zy tot God
en spraken:--
"--Het overspelig en bastaardgeslacht der Reuzen overstroomt de
aarde, en zy is vervuld met ongerechtigheid. En ziet! de geesten der
verslagenen roepen luidkeels, en hun kermen is tot de poorten des
hemels geklommen, enz.
"Toen nam de Allerhoogste het woord, en de Alheilige sprak, en zond
Uriel tot den zoon van Lamech, zeggende: Ga naar Noach en zeg hem in
mijnen naam, verberg u-zelven. En maak hem het naderend einde bekend;
dat geheel de aardbodem vergaan zal.--Onderricht den rechtvaardige,
den zoon van Lamech, wat te doen, en zijne ziel zal in 't leven bewaard
worden, en hy zal in der eeuwigheid ontkomen; en uit hem zal een plant
geplant worden, die door alle geslachten in der eeuwigheid voortduren
zal. En hij sprak tot Rafael: Ga en werp Exael met de handen en voeten
gebonden in de duisternissen. Ontsluit de woestijn die in de woestijn
Dodoel is, en werp hem daar weg, dat hy daar voortleve, op scherpe en
ruwe steenen gelegen, en met de duisternissen bedekt.--En tot Gabriel
sprak hij: Ga, Gabriel, naar de Reuzen, naar 't bastaard volk, de
kinderen der hoerery, en verdelg de kinderen der Wachtengelen door
de handen der menschenkinderen. Doe hen tegen elkander oorlogvoeren
ter vernieling; en laat de lengte hunner dagen tot de dagen hunner
vaderen niet reiken.--En tot Michael sprak hy: Ga Michael, bind
Semeixa en alle zijne medestanders, zoo velen zich door vermenging
met de dochteren der menschen besmet, en haar met hunne onreinheid
bezoedeld hebben; en als hunne kinderen omgekomen zullen zijn, en zy
de verdervende straf hunner gruwelen erkend zullen hebben, zult gy
hen, den tijd lang van zeventig geslachten, in verholen plaatsen der
aarde vastgekluisterd houden, tot den dag toe, die bestemd is om hen
te recht te stellen.--En de Reuzen uit geestelijke en vleeschelijke
wezens geboren, zullen op aarde Boze geesten genoemd worden, en hunne
woning zal boven de aarde zijn."
Dit zal volstaan mogen, om te doen blijken, dat de grond dezer Fabel
niet uit mij gesproten is. En het Dichtstuk-zelf zal bewijzen,
in hoe verre ik van deze oude Mythologie (om het dus te noemen)
gebruik heb gemaakt; of, eigenlijker gezegd, aanleiding genomen heb
ter ontsluiting van eene geheel andere, alhoewel daarmede naauw
samenhangende wareldmengeling van door een zwevende wezens van
geheel verschillenden aart. Ook is by my het Reuzengeslacht niet uit
eigenlijke Engelen of ingestelde Wachtgeesten, maar uit menschen,
onsterflijke, doch van een verhevener aart, Engelen nabijkomende, en
der Engelen speelgenooten, met een woord, Paradijsmenschen, gesproten,
wier betrekking tot het vervallen nageslacht van den gemeenen Vader
ongelijkbaar nader is, en aan de Verbeelding (dus koomt het my voor)
minder tegen kan staan: alhoewel ik voor my, niet inzie, hoe, naar
een redelijk begrip van 't gene men geestelijk en lichamelijk noemt,
in zijn aart en wezen, ook zelfs de mogelijkheid der vermenging van
geesten met menschen niet erkend zou mogen, ja moeten worden.
Niemand, verbeelde ik my, zal mij reden afvergen, veel min ter
verantwoording roepen, over de onderstellingen, die ik my aanmatigde
ten aanzien van den staat en gelegenheid van dien eersten en
vernietigden wareldbodem, met het aardsch Paradijs samenhangende, en
rivieren en streken behelzende, waarvan het aandenken by de benoeming
des later ontbloten gronds wel heeft kunnen vernieuwd worden,
maar die met het geheelal van dien bodem vernield en verbroken
zijn. Mijne eigenlijke en byzondere denkwijze-zelve omtrent dien
vroegeren wareldgrond, stemt reeds op verre na niet overeen met
de Topografie, die ik hier als Dichter vereischt rekende; en hoe
zoude ik haar derhalve buiten dat Dichterlijke doel kunnen of willen
rechtvaardigen? Die zich met my op het grenzenloos meir der Poezy
inschepen wil, neme in mijn vaartuig, al ware 't een mosselschelp, en
even zoo in den koers dien ik verkies te houden, genoegen, al wilde ik
met de Grieken een zeer veranderlijk en misleidend gestarnte ten gids
nemen. Die beter weet, stappe vrij uit en kieze zich een beter weg;
ziedaar zijn recht, en het mijne!
Na deze herinneringen, vertrouw ik geen verdere voorafspraak of
inleiding noodig te zijn. Indien ik hier iets by wilde voegen, het zou
de versificatie betreffen, die zekerlijk in een Heldendicht ook in
hare mechanic (gelijk men het noemt) vrij verscheiden dient te zijn
van den gewoonlijken daaglijkschen trant, en niet slechts een hooger
en fierder toon, maar daarby ook meer rijkheid, ruimte van omvang, en
afwisseling te hebben, dan eenig ander soort van Poezy hoegenaamd. Maar
zal men die, in de thands plaats hebbende wanbegrippen omtrent dit
gedeelte der Dichtkunst en de volslagen miskenning harer gronden,
opmerken of onderscheiden? En zou zelfs al wat ik hiervan mocht willen
aanduiden, niet geheel verloren zijn of misverstaan worden, zoo lang
men aan Theorien vasthoudt, die tegen de gronden tevens van taal,
melodie, en natuurgevoel strijden, en die het gelukkig is dat zy,
die er mee pronken, doorgaands in hun werk-zelf vergeten of over
het hoofd zien? Zoo veel beter is blinde Natuurdrift dan bedorven
verstand! Zekerlijk zoekt men hier ook in een Voorrede geen stelsel
van Prozodie, dat in dit, als in elk Dichtstuk bestaan moet, en dus
ook te vinden zijn voor die de aangeleerde lessen slechts aflegt,
en dan onbevooroordeeld wil opmerken. Echter wenschte ik (kon de
wensch slechts iets baten), dat men by de lezing niet alleen de
verscheidenheden van klanken, die aan ieder der vokalen op zich-zelfs
eigen zijn, wel in acht nam, maar ook inzonderheid mede de scheva,
(die in onze taal zoo gemeen is,) waar zy niet als vokaal geschreven
staat, echter gevoelen, zooal niet hooren, deed, en dus geen trom-len
by voorbeeld, geen daaf-rend, geen herin-ren, geen eig-ne, of een-ge,
uitsprak, zoo dat konzonant tegen konzonant stoot, en er geen de
minste zweem meer van 't dactylische of anapestische (dat onze taal
eigenaartig is, en waar al hare zoetvloeiendheid aan hangt,) overig
blijft. En ik zeg even het zelfde ten aanzien van de eerste persoon in
de werkwoorden, ik word, ik bid, ik spreek, ik zwijg; en dit vooral in
de zoogenaamde Toevoegelijke wijze, als: op dat ik hier niet te veel
over hoop haal. De belachlijke en alle taal verwoestende dolheid,
van de ten opzichte van den klank altijd onvolkomen, en hoe langer
hoe meer bedorven schrijfwijze of spelling, te willen naspreken, heeft
(en menigwerven beklaagde ik dit,) oneindig veel toegebracht om onze
heerlijke moederspraak van de haar eigenaartige kracht, nadruk en
welklank te ontzetten, en brengt onze verzen allengs tot een louter
geweld doen aan 't teder echt Nederlandsch gehoor, dat van ouds nevens
het Italiaansche, het meest zangrig gevoel van alle Europische Natien
had. Wat my betreft; de Hemel behoede mijne schriften voor Lezers van
zulk eenen stempel, en ik vrees niets zoo zeer, als dat dezen mijn
verzen op hunne wijze welluidend zouden vinden. Ik heb voor omtrent
vijftig jaren, die gemaakte, stijve, en in alles valsche uitspraak
zien opkomen en veld winnen; en het was niet dan onder begunstiging
van de Hoogduitsche domheid en betwetery, dat zy zich vestigde, en
met al het overige wat Holland onthollandschte, samenliep, om het mox
daturos progeniem vitiosiorem by ons in de onvoorbeeldigste kracht
te verwezendlijken.
Dat ik in liet stuk van spelling altijd als tusschen het echte
taaleigen en 't gebruik dat ik in mijnen tijd vestigen zag, ingeklemd
zat, weet ieder. En ik ben overtuigd, dat eene volmaakte algemeenheid
van spellen even zoo belachlijk en onzinnig is, als een algemeen
vaststellen van eene bepaalde Staatsvorm, stelsel van belasting en
dergelijke, welke alle middelen en geene doeleinden zijn, en dus,
in alle opzichten, van allerlei byzondere en zich zeer ongelijke
omstandigheden af moeten hangen; en die dus, zoodra als zy anders
aangemerkt worden, onzinnige opofferingen zijn van waarheid, van
plicht, en van rechten, waaraan men het heiligst ontzag verschuldigd
is, en waar boven men niets op aard stellen mag. Maar de razerny
dezer eeuw was reeds lang, a priori te willen zien, en dus scheppen,
in plaats van, met wijzer tijdvakken, a posteriori te kennen en
in te volgen; en daaruit rees noodwendig, dat het doel voor het
middel moest onderdoen en de zaak-zelve aan het stelsel ten beste
gegeven wierd. De Taal bestaat in geen letterfiguren, maar in levende
klanken; deze te kennen te geven, en dit zoo na mogelijk, is al wat
het schrijven beoogt, en de byoogmerken waardoor men iets meer wil,
hebben altijd de nadeeligste invloeden gehad. En echter wy kunnen
er ons, waar zy algemeen zijn geworden, niet geheel van losmaken,
maar worden, als in 't Newtonianismus de planeten, tusschen de twee
verschillende krachten, van eigen rechtstreeksche beweging, en van
aantrekking, in vrij ongelijke kringen gesleept. Die ellips, hoezeer
met zich zelve nooit gants eenvormig, houdt echter haar eigen gang, en
deze gang is ten mijnen aanzien reeds lang bekend. Ik heb dus omtrent
mijne spelling hier niets byzonders te melden, ten zij misschien dat
ik ten gemak van den Lezer, den derden naamval (dien wy dan toch
eenmaal, het moge in den grond met den aart der taal overeenkomen
of niet, gewoon zijn geworden op zijn Latijnsch van den vierden te
onderscheiden) waar het geschieden kan, met de apostrofe teekene,
die in mijne jeugd bij alle gebogen naamvallen gebruikt werd; het
geen ik ter vermeerdering van duidelijkheid, by ruime en somtijds veel
omvattende volzinnen, niet onnuttig vind, doch niet te min, als al het
willekeurige, gants niet aanprijze.--Liever had ik in de zinsnijdingen
meer onderscheiding ingevoerd, daar ons buiten twijfel een minder of
flaauwer snede dan het Komma, en een tusschenscheiding tusschen Kolon
en Semikolon, ontbreekt, die elk kundig of liever verstandig lezer
wel in acht neemt, doch moeilijk by een vaardig lezen, zonder eenige
aanwijzing vooraf, weet te plaatsen. Doch in het algemeen is het waar,
dat wy, om verzen of proza wel te doen gelden, een duidelijk en licht
verstaanbaar teekenstelsel vermissen, het geen ieder zekerlijk voor
zich-zelven, zoo wel als by 't onderwijs van de uitspraak der taal,
uitdenkt; maar, by de ware muzyk der taal, nog iets meer behelzen kon,
om recht nuttig te zijn. Doch dit kan uit den aart voor het algemeen
niet geschikt zijn, het geen nogthands meer en bepaalder aanwijzing
behoeft, dan onze vier zinteekens met de twee bykomstige van Uitroep
en Vraag, opleveren. Het gebrekkige van deze zinteekens maakt ook dat
zy van volzin tot volzin geene vaste en volstrekte maat van during
aanwijzen kunnen, maar alleen eene betrekkelijke onderling in elken
afzonderlijken volzin; zoo dat somtijds het Semikolon niet meer
during dan elders het kommateeken heeft, en somtijds in tegendeel
zich tot de langere rust van het volkomen kolon (de twee punten)
uitstrekt. Dit in acht te nemen, en ieder volzin, als eenigermate
een byzondere wijze van interpunctie hebbende, aan te merken, zal
aanmerkelijk tot de klaarheid der rede toebrengen. De aaneenschakeling
toch der volzinnen aan elkander, en de naamloze verscheidenheid daarin,
is alleen uit hun vorm- en inhoud-zelven te kennen.
Doch wat trede ik in dit alles, als of het stuk Lezers, als of het
belangstelling genoeg vinden zou, om wel gelezen, wel verstaan, en
wel gesmaakt te worden!--Men schrijve dit aan geene zelfmisleiding
toe, waarvoor ieders eigenliefde zeer vatbaar is, maar die by
my onvereenigbaar zijn zou met den tegenwoordigen toestand onzer
Letterkunde, zoo als ik haar in dit oogenblik zelf beschouwe.--Maar,
indien geene zelfmisleiding, wat is het dan?--'t Is, Lezers dezer
voorrede! eene bloot Dichterlijke omwandeling in de wareld van
verbeelding, waarin 't my zoo dikwijls een lust, zoo dikwijls een
behoefte is, uit te stappen; en die het zoo geheel vreemd niet is,
zoo ik wel eens (men verweet het my somtijds, doch gunne men my deze
troost, en misduide men 't niet!) met de werkelijke wareld, waar wy
in leven, vermenge.
Leyden;
in Bloeimaand 1820.
DE ONDERGANG DER EERSTE WARELD.
EERSTE ZANG.
Ik zing den ondergang van d' eersten Wareldgrond,
En 't menschdom dat, met Hel en Duivlen in verbond,
In gruwelen verhard, Gods Hoogheid durfde trotsen
En 't aardsche Paradijs beklautren langs zijn rotsen,
Tot de Almacht, worstlens moe met Adams zondig bloed,
Des aardrijks bodem sloopte en omkeerde in den vloed,
Wat adem haalde op 't droog, van d' afgrond in deed zwelgen,
Een huisgezin behield in 't algemeen verdelgen,
En, op 't verbrijzeld puin in lager lucht verspreid,
Het sterflijk kroost vernieuwde, en 't zaad der eeuwigheid.
Wien smeek ik, die mijn oog, ten hemel opgeheven,
Die wareld weer herbouw' en weer herroep' in 't leven,
Die, wat der waatren stroom in 't denkbeeld achterliet,
In de eb der eeuwen met heur' afloop dreef in 't niet?
Wie voert haar uit die nacht van 't ondoordringbaar duister
Te rug?--U roep ik aan, o Gy, wier hemelluister
Tot d' afgrond doordringt, en den dag voert in 't gezicht,
Waarheen gy d' opslag van uw Godlijk aanschijn richt!
Gy, Dichtkunst, 't zij ge omhoog aan 't hoofd der Englenchoren
Gods lofzang aanstemt, die geen' weergalm schept in de ooren,
Maar elken zenuwdraad en drupjen hemelsch bloed
Bezielt, en op zijn toon welluidend trillen doet,
En tot een' enklen zang, een zangtoon samenvlieten,
Waar alles by beweegt en wegsmelt in 't genieten:
Het zij ge, uitdeelster van Gods weldaan aan 't heelal,
De harten hier omlaag met d' eigen hemelval
By dropplen laaft, en 't heil der diamanten zalen
Den stervling overbrengt in amethysten schalen:
Gy! schiet uw Godheid in een' lichtstraal uit! Gebie,
Die dart'le klanken niet van aardsche melodie,
Waarop de weelde en lust met lichtgeschoeide voeten,
In hupplend nachtgebaar den bleeken morgen groeten,
En 't lachende vermaak den kommer drukt in 't hart:--
Neen, schep hier klanken, waard den Koninklijken Bard,
Wen hy 't Onsterflijk oog, op de aarde neergeslagen,
't Gevallen menschdom toont, en Godlijk laat beklagen!
Schep tonen, waar de ziel in huppelt tot Gods eer!
Of, Dichtkunst, wees my ziel; geen Dicht- geen Zangkunst meer!
Gevoele ik slechts door U! beveel, doordring mijn zinnen!
Voer, voer my d' afgrond door en hoogste hemeltinnen,
Waar de aadlaar van het zwerk de wieken druipt, en geef
Den Zanger vleugelen waarop hy zeker zweef;
Of, valt hy, laat zijn val die Almacbt niet onteeren,
Wier wraak hy zingt!--
Maar Gy, die boven 's Hemels sfeeren
Aan 's Vaders rechterhand den ongeschapen throon
Beklomt: Gy, God uit God, en menschgeworden Zoon!
Gy die, in 't graf gedaald, ook d' eersten wareldvolken
Uw vrede en zoenbloed bracht in de onderaardsche kolken,
Waar ze, in een ijzren nacht gekerkerd, hunnen band
Verbroken zagen door uw zegerijke hand! [1]
Verlosser! zie, zie neer op dit vermetel pogen!
Begunstig 't, is 't iets meer dan Dichterlijke logen;
Maar, stijgt het stouter dan eens Christens Godsvrucht past,
Verstoor het uit genade, en leg mijn' waanzin vast!
Aartsvader Adam had, met twee paar rijen neven,
Natuur den tol betaald, den stervling voorgeschreven;
En 't menschelijk geslacht, het aardrijk overspreid,
Zich reeds, naar 't Godlijk woord, vertalrijkt uitgebreid.
In steden saamgeschoold, beschut voor 't overvallen
Met ondoordringbaar woud of opgeworpen wallen,
Bebouwde 't, met een' arm door d' arbeid sterkgespierd,
Zijne akkers, zonder vrees voor 't woeste roofgediert';
Of 't zwierf, met draagbre tent, en zuivelrijke lammeren,
De bergvalleien langs, te vreden in zijn jammeren.
Het fiere Hanoch, 't oudst der burchten, stak het hoofd
In 't uiterst Oost omhoog, van d'ochtendgloed gestoofd,
En telde, als moederstad, van Land- tot Landgewesten,
Een overtalrijk kroost in meer bekrompen vesten,
Tot waar de Hiddekel by d'avondgroet der zon,
Zijn' Westelijksten tak te rug boog naar zijn bron,
Om, dwars door 't steil gebergt', in slorpende aard bedolven,
Een' weg te zoeken ter ontlasting van zijn golven.
De middelvlakte was van Gihons kil besproeid,
Met Pizon, arm in arm, doorstrengeld en doorvloeid,
En zag, door cederbosch, en palmen, en olijven,
Den Frath zijn' sneller stroom naar de open zeekust drijven
Alwaar de middagzon zich spiegelde uit het Zuid,
En strekte een heuvlenrij naar Hanochs landpaal uit.
Het Noorden, door een' muur van hoog gebergt' omsloten,
Weerhield den stormwind daar, die, 't aspunt afgeschoten,
Het landomvaamend meir van uit zijn kolken joeg,
Om 't droog te omspoelen dat des aardrijks rug besloeg.--
Een koopren schild gelijk, dat zwellende uitgebogen,
Zich opheft uit zijn rand, met blaauwend staal omtogen.
En door 't geweld des krijgs met bult en bluts bedekt,
Lag daar 't bewoonbaar vlak, van oost naar west gestrekt.
Zijn bodem was graniet, met aardmulm overtrokken.
Men zag geen menigte dooreen geworpen brokken
Van rots 't eenvormig strand, of, midden in het meir,
De golven scheiden, of geen spits het hemelsch heir
Verbergen. 't Was een land, van eenen plasch omgeven:
Een eiland, in een zee; geen andre kust daar neven.
Een bergrij, vlak van kruin, omheinde 't voor het Noord,
En bracht den fieren pijn en statige olmen voort.
Geen heuvels, dan alleen waar zachte beekjens gleden,
Die, wellende uit den grond zijn bovenkorst doorsneden,
En in de vlakte zich verloren, of hun nat
Den stroomen huwden, eerst in Edens Hof ontspat.
Een hooger grond alleen, in nevelen en wolken
Gehuld, verborg dien Hof aan 't kortziend oog der volken,
Waar nog des Levens boom zijne appels, maar de tronk
Der Kennis, bladers en onvruchtbre bloesems schonk,
Sints 't doodelijk vergrijp der Oudren, door zijn vruchten
Verlokt. Een zoete walm van balsemige luchten
Doorwaaiden uit dien hoek de lager liggende aard,
By wijlen zoeter dan de Lenterozengaard
Waar 't bietjen honig puurt en dartle nachtegalen
In zwijmen van vermaak; maar de omgelegen dalen
Erkenden 't aan dit merk noch aan de onzichtbre wacht
Van Hemelingen die 't omzwierden dag en nacht.
De stam van Kain hief, in weinige geslachten
Zich boven 't zaad van Seth. Door meerderheid van krachten,
Door yver, altijd schrap op voordeel, buit, of baat,
Niet sluimrend in de rust, noch zorgloos tegen 't kwaad,
En, door een' schrandren geest, by 't forsche lijf, gesteven,
Scheen de eerstling na den val nog in zijn kroost te leven:
Die zoon, dien Eva groette als nieuwgeboren' God,
Die de aard verzoenen zou van 't doodlijk proefgebod! [2]
Hoe blind in 't lot, helaas! Wat zaagt ge, ontroerde Moeder,
In hem den moorder niet van zijn' godvruchten broeder,
Gods lust en de uwe? Maar Gods goedheid spaarde uw hart
Het aaklig voorgevoel der grievendste oudrensmart;
Te vroeg nog trof zy u.--De wakkre Kainieten
Bedekten de aard weldra, sints Abels bloedvergieten
Hunn' stamheer, met den vloek geteekend van dien moord,
Naar 't diepst van 't Oosten dreef en Pizons slinkerboord,
Om aan der heuv'len voet, waar Ur en Ets zich voegen,
In eenzaam zelfverwijt een ledig erf te ploegen.
Dat erf werd eigendom, en dierbaar, zelfs door 't zweet
Dat druppelde op zijn zand; maar dierbrer nog om 't leed
Des zwervens, daar verpoosd; hoogst dierbaar, door de panden
Van 't vruchtbaar huwlijksbed. Met opgeheven handen
Riep Kain, toen zijn zoon, zijn Hanoch, hem gewierd,
Den God des zegens toe: "Gy hebt gezegevierd!
'k Verhard mijn borst niet meer, ik zink in tranen neder,
o Almacht! ja 'k versmelt, mijn ziel werd week en teder,
Ze is menschlijk. 'k Ben, o God, 'k ben vader, 'k voel het bloed
Van vader in dit hart, 't verandert my 't gemoed.
Twist' kinderlooze met uw Almacht! Vloek' verwaten
Zich-zelf' en U, en dwing' zijn boezem zich tot haten,
Die in 't aanvallig kind zich-zelven niet herteelt,
Geen hemel aanblikt in den aanblik van zijn beeld!
Ik kan niet langer.... niet verstokt zijn, Uw genade
Niet trotsen; neen, mijn God! Ik heb en kroost en gade;
o! Wijt hun 't misdrijf niet van vader en gemaal!
Straf, straf me, ach! niet in die in wie ik ademhaal!
Dit: dit-alleen is straf, dit, lijden voor een' Vader!
'k Aanbid U, God! gena voor d' eersten plichtversmader!
Mijn oudren zondigden; ik trapte in dollen zin
My-zelven, U ter spijt, het hart, de ribben in,
Ik doodde, in Abels dood, my 't leven van het leven.
o! Zegen thands mijn kroost, en 'k zal, u dankbaar, sneven."
Hier zeeg hij spraakloos neer, in tranen als versmoord.
Men zegt, een Engel stortte, op 't uitgesproken woord,
Een' hemeldaauwdrop op zijn voorhoofd, die het teeken
Des bloedvleks, als een schim by d'ochtend, deed verbleeken,
En 't uitgewischt had, had aan 't wraakgeschrei der aard
De vloek zijns vaders zich, by 't misdrijf, niet gepaard.
Hoe 't zij, hij rees verkwikt, en aamde een ander leven,
Aan Hanochs voedstergrond werd Hanochs naam gegeven.
En 't uitgestrekte Nod, tot d'oever van den Frath,
Werd een vereenigd Rijk met Hanochs bakermat.
Sinds zette 't volkrijk land, tot aan den boord van 't Westen
Langs elken landstroom uit, in honderden van vesten.
Gelukkig, zoo hun ziel bij overvloed en macht
Geen' God vergeten had, geen zede en deugd verkracht;
Of zoo de dartelheid der ongebonden weelde
In gruwlen maat behield, noch snood- uit snoodheen teelde!
Het nageslacht van Seth, aan Abels spoor getrouw,
Was veeteelt meer geneigd dan straffen akkerbouw,
En plach, van erfgrond wars en vaste landverblijven,
Door 't onbeheerschte veld zijn kudden om te drijven;
Maar stond den Kainiet, op zoetheid van 't bezit
Verslingerd, en weldra op roofgenot verhit,
Ten doel, wen deze, stout in 't aangeschoten wapen,
Den herder dolend trof, onweerbaar als zijn schapen,
En, als een wreede gier of havik, op zijn prooi
Geschoten, nederwierp in 't midden van zijn kooi,
En plonderde, of verdreef, of in zijn bloed deed baden,
En de opgevangen roof, den schouder opgeladen,
Zich eigende, als het recht der strijdkolf in zijn vuist;
Of wen hy, met een' troep van roovren, onbesuist,
In plaats van in 't gebergt den woudos af te jagen,
De velden afliep, kudde en manschap voor zijn slagen
Als slachtvee henendreef en omdeelde als zijn buit,
Wie drukt de onmenschlijkheid der dolle hebzucht uit,
Of schildert d' overmoed, als ze eenmaal, losgebroken,
De teugels afschudt? als in 't bruischend hart aan 't koken,
De drift zich uitzet en het zuizlend brein besmet!
Dan gaat ze in stroomen bloeds, in bloed en brein, te wed,
En holt zich-zelven blind, en stoot op post en wanden
Het hoofd te barsten, om den Hemel aan te randen,
Tot eens de Godswraak, door die gruwlen afgemat,
Den bliksem aangrijpt en het schuldig brein verspat!
Zoo heb ik Nederland, sints overmaat van weelde
Brooddronken moedwil en verdwaasden waanzin teelde,
En bandloosheid den klem der wetten had verkracht,
Zien opstaan in geweld, en moord, en broederslacht.
Zoo zag ik 't van zich-zelv', van plicht, en eer verbasteren,
Den God die 't steeds behield, verzaken, honen, lasteren,
Zijn dienst verschoppen en vertrapplen met den voet,
En hen door wie 't bestond, mishandlen in hun bloed:
Hem eindlijk, die 't, verplet, van 't wis verderf behoedde,
Voor weldaan wrevel bien en opgezette woede;
Tot de Almacht, afgetergd, het overgeve aan 't zwaard,
En wegvage uit den rang der volken van deze aard.
Zoo ging 't in Kains stam.--Om have en lijf te dekken,
Sethiet, bestondt ge ook u met wal en rest te omtrekken,
Of mengde uw afkomst met des broedermoorders tak,
En koost hun veiligheid voor 't zwervend herderdak,
Naamt in hun spelen deel, hunn' roof, hun dartelheden
En, werdt gelijk aan hen in inborst, hart en zeden;
Haalde op uw broedren buit, vergat u-zelv' en God,
En huwde aan Kains zaad uw smeltend overschot.
Het aardrijk walgde toen van 't menschenbloed te slorpen,
En torschte 't zwaar gevaart' van steden, sterkten, dorpen,
Met weerzin: 't riep tot God.--Ook de Almacht hield altaar
Noch offer meer. Men zag verdwaasde schaar by schaar
Zich Goden zoeken in Gods dienaars, in de lichten
Des hemels, en voor hen de rookende outers stichten,
Die, afgevallen, God bestormden tot hun straf,
En wien de ontzinde mensch zich roekloos overgaf.
Doch hooger liep het kwaad. Een volksstam, breed van schouderen,
En meer dan menschlijk sterk, onkundig van zijne ouderen,
En als de distel, of de rups van 't dorrend blad,
Verschenen, onbewust uit wie het oorsprong had,
Stond op. De tederheid van vaderlijke zorgen,
De moederlijke zucht was dit Geslacht verborgen;
En, opgegroeid in 't woud, by berg- en boschgedrocht,
Was menschlijkheid hun vreemd en menschelijke tocht:
Verworpen bastaartkroost, met de intree van het leven
Uit schaamte of wederwil 't verderf ten prooi gegeven,
Maar dat van wolf en beer, bewogen door 't gehuil,
De speen gezoogd had met de welpen in hun kuil,
Tot dat ze in rijper kracht, by wie zy deernis vonden,
Vermoordden, en verwoed hun voedsters zelfs verslonden;
En, vijand even zeer aan alles wat bestaat,
Niet leefden dan van roof, en moord, en gruweldaad.
Een volk, zoo gruwzaam, hief sints twee paar deinzende eeuwen,
Den stuggen nek omhoog, onbandig fier als leeuwen.
Des aardrijks bodem dreunt op 't bonzen van zijn' voet.
't Rukt eik en ceder om, en lescht met tijgrenbloed
De dorst van 't brandend hart; en, van een drift aan 't zieden,
Wil heerschen over de aard, wil al wat is, gebieden,
Verdelgen naar zijn lust, vertrapplen, nederslaan:
En wee, die voor hun bukt, maar meer, die durft weerstaan!
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12