De ondergang der Eerste Wareld
W >>
Willem Bilderdijk >> De ondergang der Eerste Wareld
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 | 12
En reeds "tien stammen" hadden zich aan dien eisch onderworpen.
Het was ook in dit Hanoch dat de dichter voor ons dien vorst
der Reuzen zou hebben doen optreden, wiens naam in het gemelde
boek van den Pseudo-Henoch gespeld wordt; dien Exael, [69] aan
wien verschillende uitvindingen daar worden toegeschreven: als
in de eerste plaats die tot de verbetering van wapentuigen en het
smeden der metalen betrekking hebben, die, als uit het voorgaande
waarschijnlijk is geworden, de dichter voor het krijgskundig genie
van zijn held gespaard had; maar ook daarenboven die daarmee strijdige
uitvindsels van verregaande weelde en pracht, die blijkbaar door den
dichter zijn in 't oog gehouden bij den zooeven vermelden eisch van
cijnsbaarheid. En wanneer wij nu hierbij opmerken dat Bilderdijk,
in zijne aanhaling uit het apocryfe boek, ook niet verzuimd heeft
op te teekenen, dat onder dien Exael "de uitvinding der kunst van
tooveren en onttooveren, der sterrekunst enz." vermeld wordt, dan
valt het in 't oog hoe, in den offerzang der Kainieten, [70] de Maan,
met bijzonderen zwier van woorden, als eene Hecate wordt aangeroepen,
en men vindt grond tot de veronderstelling, dat ook eenige verdichting
aan deze overlevering ontleend den Epos zou versierd hebben.
Na de vooropzetting van deze opmerkingen en veronderstellingen,
wagen wij het, als in een ruwen omtrek, den vermoedelijken inhoud
te doen volgen der zangen, waarin deze Epos zich verder zou hebben
ontwikkeld. Niet, dat wij dit kort-begrip willen beschouwd hebben
als noodzakelijke slotsom uit het voorafgegane op te maken; maar
als de mogelijke, en misschien in sommige deelen waarschijnlijke
gevolgtrekking, door de dichterlijke logica uit deze premissen
afgeleid.
Slot van den 5en Zang.
Segol wordt, na een kort aanschouwen van de heerlijkheid des
Hemels,--op gelijke wijze als de heilbegeerige Cornelius tot Petrus
(Hand. X : 3, 4, 5.)--tot Noach verwezen, aan wien inmiddels een
hemelbode ter aankondiging van zijn voortreffelijken gast wordt
afgezonden: (ald. vs. 19, 20, 21).
6.
Hij daalt op de aarde neder, nabij hare oosterkust, en komt tot
Noach; ziet den bouw der Arke;--verstaat de beteekenis daarvan
en de aanstaande verdelging des menschdoms, indien het zich niet
bekeert;--immers zijn de laatste jaren die het nog waren toegestaan,
haast ten einde; hij verneemt, dat hij (Segol) tot die bekeering als
laatste proef wordt aangewend, door zijn voorbeeld en vorstelijke
deugden; terwijl hij, als weldoener der menschheid door de uitroeiing
der Reuzen, den grootsten invloed op de menschen kan verwerven. Ter
bereiking van die zege wordt hij met eene natuurkennis verrijkt,
als die Noach bezit, en die hem ten dienste staat, vooreerst als
bouwmeester der Arke, en ten andere als temmer en belezer der dieren,
onder welke hij zich als een Orfeus beweegt.
7.
Afscheid van Noach, en verdere verwijzing naar Methusalah, naar
wiens eenzaam verblijf Segol door Sem geleid wordt. In de stille
dichtoverschaduwde bergstreek, eenigszins verwijderd van de kust en
van Noachs scheepsbouw, loopen de laatste dagen van den Aartsvader
ten einde. Eene vrouw is met hem, die boetvaardig tot zijn schoot
is teruggekeerd, en nu zijn stervenssponde bekleedt; het is Elpine,
van wier nauwe betrekking tot hemzelve Segol hier onderricht wordt,
en wier bescherming hij, als haar broeder, op zich neemt. Hij verneemt
van den stervenden Aartsvader, dat Zilfa hem zal worden teruggegeven;
maar dat in haar hem een zware proef wacht, en dat hij 't menschdom
van den ondergang redden zal, indien hij in die proef volstandig
blijft. In dit profetisch gezicht sterft de Aartsvader.
8.
Wederkomst van Segol tot de hem met angst in het palmbosch verbeidende
troepen, wier tot aanbidding overgaanden eerbied hij met zedigheid
en verwijzing tot het eenig aanbiddenswaardig Wezen beteugelt. Hij
keert met hen terug tot degenen die hij, bij den Frath, door de pest
aangetast heeft achtergelaten; die hij nu, door het onderricht en den
zegen des Aartsvaders met hooger wetenschap en krachten begiftigd, en
door Elpine bijgestaan, in staat is te genezen. Het leger in Hemath
vindt hij in afgodische zegefeesten vervallen. Verontwaardiging en
moedeloosheid, waarin hij getroost en opgebeurd wordt door Elpine,
die hem, als de hoop (Elpis) op al wat hoog en goed is, bijblijft,
terwijl de ontzettendste opstand der bijgeloovige troepen tegen
hem opsteekt.
9.
Bijgestaan door de hem trouw geblevenen, die deels zijn verheerlijking
gezien, deels zijn wonderkraeht ondervonden hebben, bedwingt hij de
oproerige afgoderij en doet nu niet meer dat gezag gelden dat alleen
menschen hem toekenden, maar dat hij van God, als van den oorsprong
van alle gezag, om hun heil te stichten, ontvangen heeft. Na de
vernieuwde toezwering hunner trouw, wijst hij hen op het werk dat hun
te verrichten staat: de bevrediging der Aarde, door de uitroeiing van
de goddelooze macht der Reuzen; daartoe moet hun thans hun hoofdzetel,
Hanoch, eer zij van daar met vernieuwden aanval de vruchten der
behaalde overwinningen verijdelen, worden ontrukt, met den roof van
zoovele dierbare panden die zij daarheen gesleept hebben, waaronder
ook zijn geliefde gade in hun ketenen zucht. Voorbereidselen tot dien
tocht:--nieuwe wapenen:--smeding der metalen: temmen van paarden en
elefanten. Wrevel der Paradijsgeesten tegen deze beweging, deels
bedwongen door ontzag voor Segol, in wien zij den gunsteling van
God kennelijk aanschouwen; deels tegengehouden door hun uitstekenden
broeder, Semeaza, (den minnaar van Elpine), die zich nog heimelijk
vleit dat hij, door haar, eenmaal invloed op Segol zal uitoefenen,
wanneer hij haar wederom zal durven smeeken, en zij den ban, dien
zij met zooveel kracht tegen hem heeft uitgesproken (IIe Z. vs. 463,
464,) wederom zal opheffen.
10.
Optocht van het gansche Kainietische leger over den Nilho. Vreugde
der Hellegeesten, die op verdelging hun hoop vesten, dat thans
verwoestingen op groote schaal te wachten zijn, terwijl zij die
op list rekenen zich vleien al die menschelijke krachtsinspanning
te verijdelen. Vruchtelooze tegenstand van de macht der Reuzen, nu
door hun vorst Exael aangevoerd, die noode de weelde zijner hofstad
verlaat om het rebelleerend menschdom te bedwingen. Gevechten,
waarin de door Segol verbeterde wapenen, de aanwending van ruiterij
en van elefanten hem de overwinning helpen verzekeren tegen de anders
verpletterende overmacht der Reuzen, nu niet meer met hun voorhoede en
in stroopbenden, maar met een leger strijdend. Toestand van Semeaza
tusschen de Reuzen, die hij wenscht te beschermen, en Elpine, die
hij niet durft naderen en die hen met Segol bestrijdt. Hij beweegt
zijn broeder en boezemvriend Fuael, dat hij tot Elpine nadere, en
haar smeeke om hem gehoor te verleenen. Bede daartoe strekkend, vol
ontzag en ootmoedigen aandrang door Fuael, om Semeaza, voor Elpine
uitgestort. Vergeefs!
11.
Beslissende veldslag, die de Reuzen tot voor de muren van Hanoch
terugslaat. De Paradijsgeesten ontwaren dat Semeaza hen niet
bijstaat. Hoe zou het kunnen, tegen Elpine en haar broeder? Hij
verzaakt de algemeene belangen om het kroost dat hij van Elpine
wacht, en ondertusschen dreigt de volkomen ondergang der Reuzen met
de inneming van Hanoch! Raad der Paradijsgeesten: het wordt tijd,
daar Segol vruchteloos, tegen hoogere Machten aan, bestreden wordt,
hem te winnen, en daartoe den invloed van Zilfa te gebruiken, die,
na de vermeestering van Bethur, als offer voor hen, als voor de goden
bestemd, door henzelven gered, naar Hanoch gevoerd, en in een hunner
tempels aldaar geplaatst is. Teekenen en orakels in dien tempel,
waardoor de Hanochieten worden gewaarschuwd Zilfa aan haar echtgenoot
terug te geven.
12.
Gezantschap uit Hanoch, zeer tegen den zin van Exael, die op Zilfa
verslingerd is; maar tot vreugd van Ada, de meest begunstigde zijner
Kainietische slavinnen, die, schoon van vorstelijke afkomst, thans
op die gunst verzot, door toovermiddelen met de booze geestenwereld
in verband, zijn liefde zoekt te behouden. Verzoek om vrede en
aanbod, in dit geval, van Zilfa terug te geven. Regol, gedurende
de onderhandeling, als gijzelaar tot Zilfa toegelaten, spreekt
met het scepticisme des wereldlings tot haar over Segols liefde,
en over eene vrouw die, altijd in de nabijheid des legers aanwezig,
zich in haar tent aan aller oogen onttrekt. Segol, die in Elpine zijn
goeden engel aan zijn zijde heeft;--die hem als eene Velleda op zijn
heirtocht vergezelt, en ook thans in hem de hoop levendig houdt, dat
God te zijner tijd hem Zilfa zal terug schenken,--Segol blijft tegen
den verleidelijken aanval standvastig. Geen vrede met de vijanden
zijns Gods!
13.
Beleg van Hanoch, eertijds de hoofdzetel der meest beschaafde en
verdorven Kainieten, thans van het rijk der Reuzen, die met eenige
beschaving vooral ook de afgoderij hunner thans met hen samenstemmende
verwonnelingen hebben aangenomen. Gruwelen aldaar door hen bedreven,
menschenoffers, anthropofagie, enz. Wanhopige worsteling, waarbij
de Reuzen, tot binnen de muren van Hanoch teruggedrongen, door de
helsche geesten worden bijgestaan met vuurwapenen in de verdediging
der veste. Vruchteloos!--de val der Reuzen met dien van Hanoch is
onvermijdelijk. Een krachtiger aanval moet op het hart van Segol
gedaan door het Edensch geestendom, maar thans door Sardach geraden,
die zelf door Satan geleid wordt. Zilfa zelve zal aan Segol worden
toegezonden; in weerwil van Exael, wiens dierlijke driften met
de verheven genegenheid van Segol contrasteeren, maar die door de
Paradijsgeesten, als door zijn goden, daartoe gedwongen wordt, met de
ontzettendste teekenen.--Ada, door het geestendom onderricht, deelt
aan Zilfa hare toovermiddelen mede, onder die voorwaarde, dat zij de
blijken van Segols min niet ontvangen zal, eer hij den vrede aan de
Reuzen heeft toegestaan; maar dan ook met belofte, dat zij voor eeuwig
zal zegevieren in zijn hart over die onbekende vrouw, die zijn tent
niet verlaat.--Ondertusschen ontvangen die toovermiddelen een gansch
andere kracht dan Ada die ooit gekend heeft, en zal Zilfa in het kamp
van Segol verschijnen, met meer dan sterfelijke schoonheid toegerust.
14.
Semeaza, die tot nu toe,--door zijn boezemvriend Fuael in zijn rouw
gesteund,--zich van elk verbond met de Hel heeft vrijgehouden,
aanschouwt dit plan zijner broeders met verontwaardigde
afkeuring.--Maar intusschen, terwijl dit wordt voorbereid, zijn
de maanden van Elpine vervuld, en Semeaza, zoo hij al, in dit
uiterst oogenblik, het verbod van haar te naderen overschrijden wil,
ondervindt dat hij het niet vermag: sinds met den zegen de kus van den
stervenden Methusalah op haar hoofd gedaald, dit met de glanskroon
der verheerlijkte boetvaardigheid voor altijd omgeeft. Zoo ligt hij
dan,--als eene hyene op haar prooi,--te loeren op het kind, dat zij
ter wereld zal brengen, om het aan den invloed der menschen, en vooral
van Segol te onttrekken, die het in haat tegen hem zou opvoeden.--Maar
ziet! terwijl Elpine, in barensnood, op den oever des doods verkeert,
dalen Engelen neder, en dragen haar in Eden met haar kind, waar het
in den schoot van Henoch, even als zij boven den dood verheven, zal
worden opgevoed:--in dat onbereikbaar Eden, waar Semeaza voor eeuwig
uit gebannen is!--Nu kent zijn razernij geen palen meer:--hij stoot
Fuael van zich af;--en er is niets meer dat hij ontziet.
15.
Exael is ziedend van haat tegen Segol, als tegen zijn overwinnaar,
die hem van het bezit van Zilfa ontzet. Semeaza verschijnt hem; maakt
hem bekend met het sinds lang onder de menschen vergeten bestaan van
Eden; [71] toont hem, dat indien hij al de takken van het geslacht
van Adam vereenigen kan onder eene gemeenschappelijke onderneming, ter
herovering van dit rijk van weelde en van genot, de val van Segol, die
zich daartegen verzetten zal, zeker is.--Intusschen verschijnt Zilfa
in het legerkamp van Segol, algemeene verbazing en bewondering, als
eene Armida, door haar buitengewoon schoon verwekkend. Zij beschrijft
voor Segol haar wedervaren, en smeekt hem, door de algemeene volksstem
gesteund, vrede te sluiten met den edelmoedigen vijand, die haar, in
stede van haar aan zijn goden op te offeren, aan hem terugschenkt,
terwijl zij zich als door eede verbonden aan hem voorstelt, om in
Hanoch terug te keeren, zoo het verdrag, dat zij op zich genomen
heeft te doen treffen, niet gesloten wordt.
Zoo meent zij die haar onbekende vrouw, die zij als haar mededingster
in het hart van Segol vreest, te overwinnen; die vrouw die zij niet
te zien krijgt; die zij niet zien zal, en van wier bestaan Segol haar
onkundig laat: want omtrent het lot van Elpine is hem door Methusalah
het zwijgen opgelegd.
16.
Segol, nu van zijn goeden engel verstoken, bezwijkt en stemt toe. De
hel treurt om het ophouden des oorlogs--Neen, juicht! zegt Satan in
den helleraad; nu zijn zij allen mijn: hun tweespalt verdierf alleen
hunne lichamen; hun vrede zal hun zielen ten verderve sleepen, en
Semeaza wordt nu mijn bondgenoot.--Inderdaad, terwijl Semeaza wanhopig
om de rotsen van Eden dwaalt, ontmoet hem Satan. Vroeger wilde de
Paradijsgeest, alleen aan 't hoofd der Reuzen en door zijn broeders
bijgestaan, Eden bestormen; de oorlog met de Kainieten belette dit;
nu schroomt hij niet tot dit doel de hulp der Hel aan te nemen, die de
samenzwering der vereende afstammelingen van Adam bij zal staan. Satan
onderricht hem, hoe het vuur, dat reeds op geringe schaal gediend heeft
ter verdediging van Hanoch, in vrij wat grooter mate tot vermeestering
van Eden kan worden aangewend, en de rotsen zal nedervellen, om hem
een baan te vormen ter herovering van zijn vaderland, en ter verlossing
van zijn gade en zoon uit de banden van een tyrannische macht.
17.
Het verdrag wordt getroffen, en draagt zijn noodlottige vrucht
in het zedelijk bederf, dat het leger van Segol aangrijpt door de
verbroedering met de Reuzen en de Hanochieten, en door het voorbeeld
van Hanoch, dien zetel en dit brandpunt der afgoderij. Vruchteloos
tracht hij den stroom te keeren, waarvoor hij de sluis heeft
opengezet. Een groot vredefeest moet gevierd; het is daar dat Exael,
door Semeaza opgemaakt, verschijnt met het denkbeeld, om deze
verbroedering van het gansche geslacht van Adam in een plechtige
daartoe te beschrijven bijeenkomst te vieren. Hij maakt hier het
bestaan van Eden bekend, als van het gemeenschappelijk afkomstoord:
(zie de kaart) "In de landstreek tusschen den Hiddekel en den
Frath is een onafzienbare vlakte, van waar men in 't verschiet een
hemelhoog gebergte zich in de wolken ziet verliezen: daar is Eden. In
't gezicht des algemeenen vaderlands zal het vereend geslacht zich
eeuwige trouw en broederschap zweren."--Uitbundig gejuich neemt dit
voorstel aan. Segol zelf, ofschoon door teekenen gewaarschuwd en
door de somberste voorgevoelens aangegrepen, meent wat hij misdreef
te zullen herstellen, door aldaar dien broederband te doen sluiten
onder de aanroeping van den waren God.
18.
Gods Engel daalt neder tot Noach, en zegt: bereid u de Arke in te
gaan met uw gezin; het einde is nabij.--Dagvaarding en verschijning
van het gansche menschdom, naar zijn verschillende geslachten, in de
vlakte tusschen den Hiddekel en den Frath.--Plechtigheden; waarbij
Segol zich in de aanbidding van den waren God meer en meer verlaten
gevoelt.--Op het einde en in de algemeene vreugdedronkenschap van het
als 't ware onmetelijk loofhuttenfeest, onthult Exael zijn bedoeling:
"Eden, de algemeene oorsprong van ons geslacht, is de eigenlijke
plaats waar dit broederfeest volmaakt zal wezen: laten wij ons
daar onverschrokken den weg toe banen; mijne goden gaan ons voor:
uit hun naam spreek ik."--Heldhaftige tegenstand van Segol tegen
den algemeenen afval, die hierop volgt, en hem weldra alleen laat
met zijn weinige getrouwen, die door het zwaard worden uitgeroeid;
en daar men hem om zijn vroegere weldaden niet dooden wil, voert men
hem naar de woestijn aan de overzijde van den Hiddekel, waar het
graf van Adam is en der eerste Aartsvaders, die daar in de stilte
der woestijn en in het gezicht van Eden begraven wilden worden. Daar,
over de rotsen gesleept en aan een rots geketend, blijft hij van elk
verlaten, behalve van Zilfa, die door een afwijzing vol verachting
den haat van Exael eindelijk ook tegen zich zelve gewekt heeft.
19.
Intusschen is het menschenheir opgebroken om Eden aan te
vallen.--Optocht, met de Reuzen en het afvallige leger van Segol aan
het hoofd, thans door Exael geleid, voorafgegaan door onweerswolken,
waarin zijn goden (Semeaza met de Paradijsgeesten) hem den weg wijzen,
en door de onzichtbare Hellemachten voortgedreven. Nadering tot de
steile hemelhooge rotsen van Eden, waarboven, als een noorderlicht, de
weerschijn blinkt der vlammende zwaarden der Wachtengelen.--Onthulling
van het helsche geheim, aan Exael medegedeeld, om de ontoegankelijke
rotsen door ontploffing van het inwendige aardsche vuur te
verbrijzelen.--Rustelooze arbeid, ter bereiking van dit misdadig
doel.--Rouw, ontzetting en afgrijzen in den Hemel. De Raad Gods
wordt aan de Hemelingen bekend gemaakt, en de bevelen gegeven tot de
naderende ontknooping.
20.
Schijnbaar welgelukken van den hemeltergenden aanval:--instorten
der rotsen, waarlangs Eden beklommen wordt. Reeds meent Semeaza
meester van Eden en van Elpine te wezen. Onthulling der ontzachlijke
Engelenwachten, waar de Reuzen op aandruischen met vruchtelooze
woede. Nog geduchter, dieper liggende vuren moeten, op aandrijven
der Hel, gebezigd. Laatste schok dier ontstoken onderaardsche vuren
ter omstorting der engelenweeren beproefd, maar waardoor Eden van
de Aarde wordt losgemaakt, (Bild. Luchtreis bl. 48, 49) om als
zelfstandig hemellichaam voortaan zijn loop door het hemelruim te
nemen; terwijl tevens door dien aardschok de vergaderplaats der
onderaardsche oceanen wordt opengebroken; en gelijktijdig, met het
inbreken van dien vloed, de dreigende wolken, die zich sinds lang om
Eden samenpakten, in cataracten op de aanvallers nederstorten. Het
leger wordt het eerst medegesleept, Reuzen, Kainieten en Sethieten
onder elkander, en met het overig menschdom verzwolgen, dat nog
in de vlakte, onder de ongebondenheid der afgodische spelen, den
uitslag der onderneming afwacht, en zich door Ada laat paaien,
als kon zij door toovergezangen de dreigende onweeren en stroomen
bezweren. Onder al deze tafereelen van verschrikking heeft nog
een aandoenlijk tooneel plaats: waar Segol, bij het naderen van
den vloed, aan zijn berouwhebbende verleidster vergiffenis schenkt,
zoodat hun vereende zielen ter plaatse varen waar eenmaal de Heiland,
op wien Segol, door Elpine getroost, vertrouwde, zal nederdalen als
hun verlosser:--terwijl daarentegen Semeaza met zijn broeders in de
diepste duisternis geketend wordt; maar waar toch eenmaal de zoon,
dien hij ten verderve wilde sleepen, hem op het aanhoudend gebed van
Elpine, door dienzelfden Heiland afgezonden zal komen stemmen tot
berouw en bekeering; om hem dan te ontboeien en voor zijn Rechter te
brengen, om met Fuael (Z. III, vs. 143, volgg.) genade te ontvangen.
NOOTEN
[1] Zie Petrus' Eersten Brief III, 19 : IV, 6.
[2] Boek der Schepping, IV, 1: naar het Hebreeuwsch: den man Jehovah.
[3] hichetaeria.
[4] Suringar, Leeuwaarden 1847.
[5] Bri w Ie Dl. bl. 224.
[6] IIe Z. vs. 408.
[7] bl. 446.
[8] bl. 385.
[9] bl. 63 uitg. v. D.C.
[10] Zie IIe Z. vs. 411 volgg.
[11] Z. II vs. 407 volgg.
[12] vs. 370.
[13] vs. 302.
[14] bl. 63. uitg. v. D. C.
[15] bl. 72. uitg. v. D. C.
[16] bl. 58. uitg. v. D. C.
[17] Verg. b. v. Z. I, vs 363, volgg. met Z. II. vs. 504, volgg.
[18] Ovid. Met. III vs. 101 sqq.
[19] vs. 1073, sqq. ed. Well.
[20] Ie Z. vs. 433, volgg.
[21] vs. 648, sqq.
[22] Ie Z. vs. 499, volgg.
[23] vs. 599, volgg.
[24] vs. 880, sqq.
[25] Ie Z. vs. 480, volgg.
[26] vs. 835, sqq.
[27] 582, sqq.
[28] vs. 749. sqq.
[29] vs. 773 en 873, sqq.
[30] vs. 199. sqq.
[31] vs. 281, sqq. 265 sqq.
[32] IIIe Z. vs. 119, volgg.
[33] bl. 64, Uitg. v. D. C.
[34] vs. 498, sqq.
[35] vs. 460 sqq.
[36] bl. 417.
[37] vs. 476, sqq.
[38] vs. 167, sqq.; vs. 758, sqq.; vs. 909, sqq.
[39] IIe Z. vs. 512, volgg. en 532.
[40] vs. 939, sqq.
[41] IVe Z. vs. 543, volgg.
[42] Ald. vs. 475.
[43] vs. 47, sqq.
[44] IVe Z. vs. 575.
[45] vs. 522, volgg.
[46] bl. 69 D. C.
[47] IIIe Z. vs. 39 volgg.--153.
[48] Ald. vs. 153-282.
[49] IIIe Z. vs. 487, volgg.
[50] Z. III, vs. 121-124.
[51] IIIe Z. vs. 307, volgg.
[52] Z. III. vs. 461, volgg.
[53] IVe Z. vs. 363, volgg.
[54] Ald. vs. 487, volgg.
[55] Ie Zang vs. 55, volgg.
[56] IIe Z. vs. 171 volgg.
[57] Ie Z. vs. 442.
[58] IVe Z. vs. 463.
[59] bl. 63. D. C.
[60] IVe Z. vs. 419-421.
[61] Bild. Voorr. bl. 71. D.C.
[62] IIe Z. vs. 480, volgg.
[63] bl. 392, 393.
[64] IIIe Z. vs. 322.
[65] IIe Z. vs. 288, volgg.
[66] IVe Z. vs. 477, volgg.
[67] Ie Z. vs. 262.
[68] Ie Z vs. 303, volgg.
[69] Bild. Voorr. bl. 70, Uitg. van D. C.
[70] Ie. Z. vs. 369.
[71] Ie Z. vs. 99-110.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 | 12