De ondergang der Eerste Wareld
W >>
Willem Bilderdijk >> De ondergang der Eerste Wareld
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 | 11 |
12
Wanneer men het eerst den persoon van Segol met dien van Prometheus in
vergelijking brengt, dan stuit men op een verschil. Immers is de held
van B. een mensch, de gelukkige bestrijder der Reuzen, die later als
de hoofdaanvoerders der Paradijsbestorming zullen optreden. Prometheus
is van hetzelfde geslacht als de Titanen, die de goden op den Olympus
aanvielen. Maar in Eschylus vinden wij spoedig eene overeenkomst, daar
volgens het verhaal dat Prometheus bij hem doet, [30] de aangevallen
goden, alleen door zijn wijzen raad geleid, de Titanen overmochten
even als, in onzen Epos, de menschen, door de krijgskunst van Segol
voorgegaan, de overmacht der Reuzen gelukkig bestrijden.
Ook staan, in de grieksche mythologie, de Titanen tot de goden in eene
andere verhouding, dan bij B. de Reuzen tot de Paradijsgeesten. De
Titanen zijn zelven goden, en van een ouder en sterker geslacht dan
de goden die onder Zeus regeeren; de Reuzen van B. zijn de afkomst der
Paradijsgeesten, en als zoodanig door hen beschermd en geliefd:--en uit
dit verschil van verhouding ontwikkelt zich de voorname overeenkomst,
die men tusschen Segol en den eschyleischen Prometheus opmerkt. De
hoofdtrek van Prometheus is, dat hij de weldoener der menschen en
daarom bij de goden gehaat is: [31] zoo is Segol, als de beschermer
der door de Reuzen verdrukte menschheid, haar weldoener, en juist
om die reden aan den haat blootgesteld der Paradijsgeesten [32] In
't vervolg van het gedicht zou Segol nog meer, door zijn weldadigen
invloed en schrandere vonden ter behoeding der menschheid, zijn
overeenkomst met Prometheus hebben getoond. Men herinnert zich dat
B. in zijne voorrede [33] zegt, dat hij "byzondere redenen" gehad
heeft "om de zeldzaamheid van het staal, het nog niet invoeren van het
gebruik des paards, en dergelijken meer, te veronderstellen." Segol
namelijk moest, in den loop van het gedicht, de verbeterde aanwending
en de zuivering der metalen, door middel des vuurs, aan de menschen
leeren, en reeds vindt men een toespeling daarop gemaakt in den
IVen Zang, vs. 323, volgg. Prometheus, als degeen die de menschen
tegen den wil der goden met het vuur begiftigde, wordt bij Eschylus
voorgesteld als de uitvinder aller nuttige kunsten, en ook in 't
bijzonder van de behandeling der metalen [34] Ook door hen in het
temmen der dieren, en in 't bijzonder der paarden, te onderwijzen,
had hij zich verdienstelijk bij hen gemaakt: [35] en zoo zoude ook
deze vond in 't vervolg aan Segol zijn toegeschreven. Immers komt het
natuurlijker voor, dat de menschen hierdoor hun gesteltenis tegenover
de Reuzen zouden hebben verbeterd, dan met D. C. [36] aan te nemen,
dat die reeds overmachtige wezens op paarden "als Centauren" zouden
te voorschijn zijn gekomen;--maar, naar het voorkomt, als wanstaltige
en half belachelijke Centauren; tenzij men ook een reusachtig en aan
hun gestalte geevenredigd geslacht van paarden zich voorstelle.
Op het eind van den IVen Zang van den Epos, doet de dichter een
gedeelte van Segols leger door de pest aantasten: men doorziet
nog niet, met welk oogmerk. Het kan zijn, dat ook hier Segol, door
goddelijke wijsheid en krachten bijgestaan, moest uitkomen bij de
genezing, en ook in dit opzicht stelt Prometheus, bij Eschylus, zich,
als verdrijver der ziektekwalen der menschen, en dus als hun weldoener
voor. [37]
Maar vooral wordt de overeenkomst treffend, wanneer men zich
herinnert, dat Prometheus bij Eschylus daarom vooral als bij der
goden opperhoofd gehaat en gevreesd wordt voorgesteld, omdat hem
bekend is, wie eenmaal de regeering van Zeus en der zijnen met eene
onweerstaanbare kracht zal te niet doen, en hij daarom op de macht
van Zeus, als op iets voorbijgaands en kortstondigs, neerziet [38];
terwijl de Segol van B., na eerst voor de dienst der goden die in de
lucht heerschen, en wier vereering de Paradijsgeesten zich aantrekken,
[39] onverschillig geweest te zijn, die eindelijk veracht, omdat
hij een grooter en machtiger God heeft leeren kennen, voor wien de
gansche wereld bukken moet. Zegt dan Prometheus bij Eschylus: [40]
Gaat, bidt, demoedig smeekend, elk gebieder aan!
Door mij wordt Zeus nog minder dan een niet geacht.
Hij moog zich machtig toonen voor een korten tijd,
Zooveel hij wil: beklijven zal zijn rijksmacht niet.
Wij hooren den weerklank bij Segol: [41]
Doch hoort me, en offert thands geen mindren Hemelmachten,
Geen stargevonkel, doof voor menschelijke klachten;
Maar 't Wezen dat omhoog op al wat is gebiedt:
Hem eere onze outerdienst! De luchtgoon achte ik niet.
en waar hij dus spreekt: [42]
--ijdle spoken,
Vergaan zy die voortaan op uwe altaren rooken!
Heeft nu, bij liet ontwerpen van het beeld van den weldoener des
menschdoms op aarde, en des bestrijders der hemeltergende Reuzen,
de persoon van Prometheus Bilderdijk voor den geest gestaan,
zooals ik meen, dat verschillende samenloopende trekken aanwijzen;
dan is het geen wonder, dat hij daarbij ook gedacht heeft aan eene
bijzonderheid dezen mythologischen persoon betreffend, die wel van
Eschylus niet vermeld, maar zoo algemeen bekend is, dat men nauwelijks
aan Prometheus denken kan, zonder zich deze te herinneren, ik bedoel
de fabel, die wij reeds bij Hesiodus, in de Werken en Dagen, [43]
vinden, volgens welke de weldaden door Prometheus aan de menschen
bewezen, verijdeld werden door de tusschenkomst eener vrouw, die de
goden, om hem te verschalken, met allerlei gaven en bekoorlijkheden
begiftigd hadden. Deze vrouw, deze Pandora, zag, indien ik mij niet
bedrieg, B. in Zilfa; en hij had haar zoodanig karakter gegeven, dat
zij eenmaal, in de hand van hoogere wezens, het noodlottige werktuig
kon worden om Segol ten val te brengen, en wat hij voor de menschen
deed onvruchtbaar te maken tot hun behoud. De eerste schakels dezer
keten zijn, om zoo te spreken, gesmeed in het bestaande gedeelte van
het gedicht, het bezit van Zilfa wordt Segol ontnomen, en hij ontvangt
een onvolledig en afgebroken bericht, dat zij uit de verwoesting,
die haar verblijf getroffen heeft, "gered is". [44] Is mijn vermoeden
gegrond; heeft het gezag der Paradijsgeesten, als van goden, de woede
der Reuzen, op welke wijze dan ook, beteugeld, en Zilfa, als eene
Iphigenia, aan het offerfeest door hen bereid onttrokken, om in haar
een middel machtig te worden ter omzetting van het hart van Segol,
wanneer zij het noodig zullen oordeelen; dan is het ook eene dankbare
verdichting, dat het in de macht dier bovenmenschelijke wezens lag,
Zilfa tot het uitoefenen van dien invloed door bijzondere gaven
bekwaam te maken. Hiertoe moest het karakter van Zilfa medewerken, en
zooals wij zeiden, de sporen der zwakheid, die haar en haar echtgenoot
noodlottig zullen zijn, zijn reeds duidelijk aanwezig in hetgeen wij
van het gedicht bezitten. Die zwakheid moest Segol de aanleiding worden
tot het begaan van een enkelen, zijn groot karakter niet onwaardigen
en niet onvergeeflijken misstap, maar van de ontzettendste en de
verst grijpende gevolgen. Voorbeduidsels dezer rampen vinden wij
in de droomgezichten, die, op onderscheidene plaatsen van den Epos,
aan de beide echtgenooten voorkomen. Het een en ander verdient eene
nadere beschouwing.
Het karakter dezer twee personen en hunne verhouding tot elkander
heeft de dichter zeer duidelijk uit doen komen in hun gesprek, door
hem in den IIIen Zang [45] geplaatst. Segol, tot het koningschap
der Aarde verheven, vat dadelijk het voornemen op om de Reuzen in
de bergachtig noordwaarts gelegen streek van Arbal, van waar zij
hun uitvallen op de nog door de Kainieten bezeten landen doen,
te gaan bestrijden. Maar de zorgen die hem als koning en veldheer
bezig houden, doen hem zijn echtgenoot Zilfa niet vergeten, aan wie,
schoon hij haar bijzijn aan zijn gewichtige plichten op kan offeren,
hij eenig en op het teederst gehecht is. Hij vreest dat, indien hij
haar in het meer zuidwaarts gelegen Bethur, zijn vaderlijk gebied,
achterlaat, zij aan een dier onverhoedsche aanvallen des erfvijands
bloot zal staan, als reeds in vroeger tijd dit landschap getroffen
hebben: hij wil haar dus in een verafgelegen burcht, in de landpalen
van Seth, in veiligheid doen brengen. Op het vernemen van dit besluit
wordt Zilfa, verre van zijne zorgzame liefde te erkennen, door eene
jaloersche achterdocht aangegrepen, meenende dat hij haar van de
hand wijst, omdat zijn liefde tot haar verflauwd is; en zij gaat
zoo verre in hare veronderstelling, dat zij zich bereid verklaart,
liever dan zijn bijzijn te missen, het huwelijksbed met de haar,
als zij waant, voorgetrokken echtgenoot te deelen. Segol stelt haar
met waardigheid en teederheid gerust, maar laat zich niet van zijn
voornemen afbrengen, en eindigt met als koning te gebieden wat hij
tot haar welzijn beslist heeft, en waarin zij, alles behalven tevreden
berust. Dit gesprek, dat, vooral in de persoon van Zilfa, juist niet
uitblinkt door een hoog epischen toon, zou noodeloos den gang van het
verhaal storen, indien hier niet de kiem gelegd was der gebeurtenissen,
die zich uit de jaloerschheid van Zilfa en de vurige liefde van haar
gemaal tot haar, onder den invloed der in dit gedicht handelende
bovenmenschelijke wezens, moesten ontwikkelen. Maar wij moeten, eer
wij die gebeurtenissen in hare voorbeduidsels aangekondigd zien, nog
een oogenblik bij deze zeer samengestelde epische machine stilstaan.
Wanneer wij onze aandacht vestigen op het ons in dezen Epos
voorgestelde Geestendom, dan vinden wij: vooreerst den minnaar van
Elpine, den in het apocryfe boek van Henoch, door Bilderdijk in
zijn voorrede aangehaald, [46] als aanvoerder der Paradijsgeesten
genoemden Semeixas (of Semeaza), die in zijn hart zwanger gaat van
het nog niet aan zijne broeders medegedeelde denkbeeld, van Eden,
aan het hoofd der Reuzen, met geweld te herwinnen:--vervolgens,
de Paradijsgeesten zelven, die, uit wrevel om hun verbanning uit
Eden en uit vrees voor het behoud van de uit hun gesproten Reuzen,
voor het meerendeel zich niet ongenegen toonen om, ter bestrijding
der tegen het gebied der Reuzen opgestane Kainieten, met de Hel in
bondgenootschap te treden, terwijl sommigen nog weifelen, en alleen de
zachtzinnige Fuael dit denkbeeld volstrekt verwerpt en verafschuwt; [47]
en eindelijk de Helsche Geesten, van welke, zoover het gedicht loopt,
nog slechts een voorpost, door Satan op aarde uitgezet, ons vertoond
wordt, en onder wie een zekere tweespalt heerscht: daar sommigen bloot
door moord en verwoesting de verdelging van het menschelijk geslacht
beoogen, terwijl anderen, en de meest door hun opperhoofd geachten,
door list dit verderfelijk doel zekerder meenen te bereiken. [48]
En nu mogen wij hieruit opmaken, dat wanneer eenmaal, door den loop
der gebeurtenissen gedrongen, de Paradijsgeesten zich tot verdediging
der meer en meer bedreigde Reuzen nauwer aan die Duivelen aansluiten,
het middel door hen beraamd, om Segol tot het belang der Reuzen over
te halen, uit zal loopen op het verderf der Reuzen zelven en van heel
het menschelijk geslacht.
Zoo ontdekt men met eenige waarschijnlijkheid de beteekenis
der voorbeduidsels, die in den loop van het gedicht, de beide
echtgenooten treffen. Zilfa, [49] in de beslissende nacht, die de ten
troon verheffing van haar gemaal voorafgaat, ziet eerst halfwakend,
"in mijmering verzonken," woede en moord" die haar bedreigen. Het is
de aanval der Reuzen op haar verblijf te Bethur. Daarna, zich zelf
"voor 't outer keelen". Dit is het offerfeest der overwinnende Reuzen,
waarin zij zelve voor het outer ten offer bestemd zal zijn. Eindelijk
"den donder die haar Ega 't hoofd verplet": het is de wraak der
op de sterren en in de lucht heerschende [50] Paradijsgeesten, om
de nederlaag van hun Reuzenkroost op Segol verbolgen. Maar in een
"droom" vervallen, dringt haar gezicht in de verdere toekomst. Zij
ziet zich met haar echtgenoot in een woestijn verlaten; het bloed van
den door monsters aangegrimden en mishandelden Segol op haar kleven,
en zich zelve met hem in de ontzettendste natuurtooneelen, waarin
men duidelijk den zondvloed erkent, omkomen.
Ook Segol ontvangt zoodanige waarschuwende teekenen. [51] Eerst, naar
't voorkomt, als werktuig bedoeld door den listigste der Hellegeesten
(Sadrach), die in de gedaante van zijn voorvader Hanoch hem verschijnt,
en in zijn slaap aanspoort om, na den val van zijn broeder Argostan,
naar de opperheerschappij der Aarde te staan, slaagt hij in dit
voornemen. Hij wordt door het volk gekozen, met een snoer (let
wel!) aan de altaren der valsche goden ontleend gewijd; en beschouwt
zich daarna als regeerend door den wil des volks, en, als dien wil
vertegenwoordigend, tot aller gehoorzaamheid gerechtigd. [52] Maar
zoodra hij onder zijn oorlogsbedrijven, in een kommervolle nacht,
door het hooren van een offerzang van Seth, schoon hem die door zijn
bloedverwant Regol, een onverschilligen wereldling, wordt voorgedragen,
kennis ontvangt van den eenigen waren God, voelt hij zich gedrongen
om dien God alleen alle oppermacht op Aarde toe te kennen, en den
dienst der Luchtgoden, die hij even als zijn broeder altijd met weerzin
heeft aangezien, te verwerpen. [53] Ook hem wordt het dan in een droom
vergund een blik in de toekomst te slaan. [54] Het beeld van Hanoch
verschijnt hem opnieuw; niet met de trekken der afgeleefdheid door den
Duivel aangenomen, maar als der onsterfelijkheid deelachtig, stralende
van heerlijkheid, en hem den zegen des Hemels op zijne bekeering met
opgeheven handen verkondigend;--maar dit licht wordt onderschept, door
"een nachtzwerm van gevogelt", die de verleidingen van booze machten
voorstelt, waardoor zijn ziel weder verduisterd zal worden; en hierop
eindelijk volgt de voorstelling der wroeging en der mishandeling,
die uit dien val voort moet vloeien, door slangenbeten verbeeld,
die zijn hart pijnigen,--"dat steeds aangroeit onder 't leed":--met
kennelijk terugzicht op de foltering van Prometheus.
Wanneer men nu gissen wil, langs welk eene reeks van gebeurtenissen de
dichter ons tot die uitkomst zou geleid hebben, dan moeten wij eerst
den blik op zijn tijdrekenkunde slaan, om eenigszins te bepalen,
op welk een afstand wij ons nog van den zondvloed bevinden: eene
beschouwing die, naar het mij voorkomt, door Da Costa te veel is uit
het oog verloren. Het blijkt ons dan, dat daar waar de dichter de
naaste wereldgebeurtenissen ophaalt, die het begin der handeling door
hem bezongen zijn voorafgegaan, [55] hij ruim twee eeuwen achteruit
treedt; dat is tot dien Aartsvader onder wien het apocryfe boek
aan Henoch toegeschreven het ontstaan der Reuzen vermeldt. Maar
daar waar de handeling die het eigenlijk onderwerp van het gedicht
uitmaakt, begonnen is [56] wordt gezegd, dat reeds "zes geslachten"
na Adam zijn voorbij gegaan: hiermede worden wij verplaatst onder het
geslacht van Methusalah, die elders [57] als de opvoeder van Elpine
genoemd wordt, en die, volgens de tijdrekenkunde van het O. V., in
het jaar zelf waarin de zondvloed uitbrak, gestorven is. Zoodat men
als waarschijnlijk kan stellen, dat waar de epische handeling begint,
men zich op geen verwijderd tijdstip van de groote omkeering bevindt.
Om dit nog juister te beseffen moet men zich herinneren, dat waar
de dichter op de twee voorgaande eeuwen een blik slaat, hij tot vijf
onderscheidene historische tijdvakken doorloopt, die elk vele jaren
behoefden tot hun afloop. Het 1e, van het verschijnen der Reuzen
op Aarde uit de noordelijke streken, meermalen Arbal genoemd, en
hun allengs zich van daar verheffende macht:--het tweede, van hun
uitval uit die streken, gevolgd van de vermeestering van Hanoch,
de hoofdplaats van het Rijk der Kainieten, en van de verwoesting
van het dal van Hemath, de schoone landstreek zich zuidwaarts
uitstrekkende naar Bethur, het vaderlijk verblijf van Segol;--het
3e, van de terugwerking der Kainieten tegen deze overweldiging en
van oorlogvoering tegen de Reuzen, tot deze in het Noorden worden
teruggedrongen;--ten 4e, van een vijftigjarigen vrede en van een
vernieuwden voorspoed voor de Kainieten, met wie het versmeltend
overschot der met hen in afgoderij vervallen Sethieten zich vereenigd
heeft:--en eindelijk ten 5e, van een nog geduchteren inval der Reuzen:
waardoor Hanoch opnieuw veroverd wordt met het land tot aan de Nilho,
terwijl het aan de andere zijde van dien stroom gelegen dal van Hemath
met Bethur telkens gedreigd en geteisterd wordt door de macht der
Reuzen, die zich nu voor goed in het Oosten gevestigd en Hanoch tot
zetel heeft, eenige beschaving heeft aangenomen, althans het genot
der weelde heeft leeren kennen, en van daar het lot der cijnsbaarheid
aan haar gezag aan de gansche Aarde op wil leggen.
Hier volgen dan de gebeurtenissen waar het eigenlijk onderwerp van
den Epos zich aan vastknoopt, en die men aandachtig in het fragment
volgen moet, zal men zich een juist denkbeeld maken van de voortzetting
van het geheel. Tegen de tyrannieke eischen der Reuzen is het dat
Segols broeder van moederszijde, Argostan, aan het hoofd van een
Kainietisch leger zich verzet. Maar hij bezwijkt in een oproer en
onderlinge slachting, onder zijn leger, door zijne oneerbiedigheid
jegens de afgoden, verwekt; en Segol volgt hem op, door het volk
daartoe gekozen, dat zelfvernietiging vreest uit de onderlinge
twisten. De krijgsbedrijven van Segol, tegen Arbel, het broeinest der
Reuzen, gericht, vervullen grootendeels het overige van het epische
fragment. Het behelst zijne eerste overwinningen, door krijgskundig
beleid op blinde kracht en woede behaald; de vreugde over dit voordeel
gestoord door een aanval, achter zijn leger om uit het Zuiden volvoerd,
waardoor Zilfa hem ontroofd wordt; zijn besluit om aan het hoofd van
een gering aantal strijders heimelijk zich naar Bethur te begeven,
dat op die wijze verras is; zijn tocht daarheen en zijn ontmoeting
met de jagers uit het Westen, die zijn dagvaarding als hulptroepen
had opgeroepen; maar waarvan hij de helft, met zijn keurtroep door
de pest aangetast, aan de oevers van den Frath achter moet laten,
terwijl hij met de andere helft stuit op den zegevierenden hoop der
Reuzen, die Bethur geplunderd heeft, maar door hem overwonnen en
verstrooid wordt. Zoo is dan het leger der Kainieten, daar waar het
fragment eindigt, op drie plaatsen verspreid: als ten 1e, het gros
van het leger dat in het dal van Hemath is teruggebleven; ten 2e,
de door de pest met de jagers gedeeltelijk aangetaste keurtroep,
die bij den Frath is achtergelaten, en ten 3e een gering gedeelte
van die strijdkrachten, die met de Reuzen, die het Zuiden geplunderd
hebben slaags geweest is. Het is na dien slag, dat Segol, als hij voor
deze zijne krijgsmacht volmondig het oppergezag van den Eenigen God
erkend heeft, voor aller oogen in een meer dan menschelijk voorkomen
verheerlijkt wordt en, waarschijnlijk, tot een hooger aanschouwing
der waarheid hemelwaarts wordt opgenomen; waaruit men mag afleiden,
dat het in de bedoeling des dichters lag, hem na dit gezicht, dat de
onsterfelijke pen niet ten einde toe beschreven heeft, op een ander
tooneel te verplaatsen.
De veronderstelling biedt zich aan, dat door deze verplaatsing de
held in aanraking gekomen zou zijn met Noach, naar wiens ontmoeting
hij het verlangen reeds geuit heeft [58]; welke opwelling van Segol
Bilderdijk in zijn voorrede [59] heeft aangeduid, als een voorbereiding
om Noach te doen "optreden." Men moet evenwel dit woord, naar alle
waarschijnlijkheid, niet opvatten in dien zin, alsof de Aartsvader
zelf gemengd zou zijn geraakt in de gebeurtenissen, die de zanger
zich voorstelde te doen hooren. Het blijkt uit de aanwijzing, aan
Segol gedaan [60], der woonplaats van het aartsvaderlijk gezin,
dat het zich niet meer in de gemakkelijk te bereiken landpalen van
Seth, aan de Westkust der Aarde, maar aan den tegenovergestelden
kant, op het hooge gebergte achter de velden van het door de Reuzen
onveilige Arbal bevindt; waar het, van het menschdom afgezonderd,
bijkans vergeten leeft. Men kan zich voorstellen, hoe de Aartsvader,
als later met Abraham geschiedde, om niet in de afgoderij zijner
stamgenooten te vervallen, verre van hen is afgeroepen, onder een
geheel hem vreemde, doch voor hem niet gevaarlijke woestheid: en de
dichter heeft aanleiding gevonden tot die voorstelling in het door
hem vermelde apocryfe boek aan Henoch toegeschreven, waar God den
Aartsengel Uriel tot Noach zendt met den last: "zeg hem in mijnen naam:
verberg u zelven: en maak hem het naderend einde bekend, dat geheel
de aardbodem vergaan zal." [61] Ook valt het niet moeielijk wanneer
men het door den dichter ontworpen kaartje van de, ik mag zeggen,
door hem geschapen eerste wereld inziet, te bevroeden, dat zich op
de N. Oostelijke kust dier wereld de geschikte bosschen bevonden,
op de teekening afgebeeld, die tot den bouw der Arke geschikt waren.
Dit evenwel zij in 't algemeen omtrent het gebruik van dit kaartje
opgemerkt: dat het niet overal, aandachtig beschouwd, met het gedicht
is overeen te brengen; hetzij de dichter onder het bewerken van zijn
plan daarvan afging; hetzij hij het later voor de uitgave van het
fragment ontwierp, toen alle deelen van zijn bestek hem niet even
levendig voor den geest stonden. Want ook dit behoorde tot de redenen,
die hem van het wederopvatten van zijn meesterwerk afschrikten,
ja, die het hem "onmogelijk" maakten, als hij eens den schrijver
dezer regelen betuigde, toen deze, met jeugdige vrijmoedigheid,
zich veroorloofde hem daartoe aan te sporen.
Het was naar diezelfde streken van Arbal dat de dichter de stappen
van Elpine richtte, daar waar zij voor't laatst in het fragment
vermeld wordt. [62] Hij voert haar aldaar, nadat zij haar minnaar
voor eeuwig van zich heeft afgewezen, door "het palmbosch" dat
zich van den Nival noordwaarts tot de "zandvalleien" van Arbal
uitstrekte; en geeft te kennen dat zij in die richting voortging,
door de vermelding der eikenbosschen tot welke zij kwam, die, in
tegenstelling met de palmen, een meer noordelijke streek voor de
verbeelding roepen. En wat was ook natuurlijker, wanneer men eenmaal
vasthoudt dat het aartsvaderlijk gezin zich reeds in Arbal bevond,
dan deze beweging aan Elpine toe te schrijven, met de bedoeling van
zich weder onder de hoede van haar pleegvader Methusalah te begeven,
om in zijn schoot den ontzachlijken vijand van haar rust te vergeten,
die haar verleid had om in zijne liefde te deelen, en bij wien het
denkbeeld rijpte van zich in opstand tegen God te begeven.
Wanneer men in 't oog houdt dat de dichter dus zijn beide hoofdpersonen
naar de streek door het aartsvaderlijk gezin bewoond gelijktijdig
richtte, ligt het voor de hand te veronderstellen, dat zij zich
daar ontmoeten zouden, en dit met een bepaald oogmerk des dichters,
dat ook Da Costa geraden heeft, om hen aldaar bekend te maken met
den band van bloedverwantschap die tusschen hen, naar zijn ontwerp,
bestond. D. C. veronderstelt, [63] dat Elpine als de volle zuster
van Argostan, Segols halven broeder, zou zijn erkend geworden;
maar hetgeen B. zelf heeft te kennen gegeven, doelt op een nauweren
band tusschen Segol zelf en Elpine. Immers Segol was de zoon van
den Vorst van Bethur; [64] en het was uit dit Bethur dat Elpine,
als een kind in de wieg door de Reuzen geroofd, [65] en vermoedelijk
naar Arbal vervoerd was, waar zij, kunnen wij ons voorstellen, door
Methusalah aan hunne handen onttrokken was, met het gezag dat soms
op de meest barbaarsche volken hooge ouderdom met heiligheid van
zeden gepaard uitoefende, waarvan de geschiedenis der invallen der
noordsche volken in het Romeinsche Rijk, als die der middeleeuwen,
merkwaardige voorbeelden heeft opgeteekend.
Men kan zich eenigszins verbeelden hoe Segol, uit die heilige omgeving
op het woelige tooneel der Aarde teruggekeerd, als een Mozes van den
Sinai, geergerd als deze zou worden door de afgoderij, en tegen haar
dien kamp zou aanvangen, waartegen de voorzichtige en op dit punt
onverschillige grijsaart Regol hem gewaarschuwd had. [66] Maar ook hoe
zijn hart verdeeld en getrokken zou zijn door de gedachte aan Zilfa,
die hij zou kunnen veronderstellen dat, om hare bekoorlijkheden,
naar Hanoch, thans den hoofdzetel en hofstad van het Reuzenrijk,
vervoerd was. Immers dit Hanoch, "'t omwalde Hanoch" genoemd, [67]
dat de dichter reeds in den aanhef van zijn verhaal dus beschrijft:
(Ie Z. vs. 65, volgg).
Het fiere Hanoch, 't oudst der burchten, stak het hoofd
In 't uiterst Oost omhoog, van d'uchtendgloed gestoofd;
En telde als moederstad, van Land- tot Landgewesten,
Een overtalrijk kroost in meer bekrompen vesten:
die hoofdstad was voor de tweede maal in handen der Reuzen gevallen,
die daar den zetel hunner macht gevestigd hadden en zich de weelde
der Kainieten hadden laten welgevallen. Het was aldaar, als de dichter
zingt, [68] dat hun volk
Verslingerde op 't genot der zoetheen van het leven;
Maar machtloos om zich zelv' dat streelend lot te geven:
't Bood vrede, of eer, 't gebood, op naam van vreeverdrag,
Geschenken, cynsbaarheid en Opperstaatsgezag------
Men eischte 't meerendeel van vee en akkergaven,
Ten jaarlijksch schattingrecht; en duizenden van slaven,
En maagden; hemelschoon, met trippelenden voet,
En wulpsch van zangstem, ter ontsteking van het bloed,
Op luitspel afgerecht en dartle schouwgebaren;
En bergen smijdig goud, gezuiverd uit zijne aaren;
Robijn uit Pizons kil en hellen diamant;
En d' eelsten roofschat van het parelvoedend strand.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 | 11 |
12