A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Annual Bibliography of Commonwealth Literature 2007
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

De ondergang der Eerste Wareld

W >> Willem Bilderdijk >> De ondergang der Eerste Wareld

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12



IVe Zang, vs. 493, bl. 66, rl. 15 v. b.

En helder licht straalde uit zijn boezem op hem af.

B. had, meen ik, geschreven: "Een helder licht".

IVe Zang, vs. 521 bl. 67, rl. 5 v. b.

Verheug uw volken met uw aanblik weer, en straal
Ons gunstig toe.

Ook hier vindt men een herinnering van een der oden van Horatius (IV
Boek 5e Ode), waar hij, in naam van 't Romeinsche volk, Augustus om
een spoedige terugkomst bidt, (naar de vertaling van P. van Winter):

"Keer in den zetel van 't gebied,
o Goedertieren vorst, keer naar belofte weder;
Daal als een lentedag die al het land verblijdt:
Het dankbaar volk bemint u teder,
U, die hun dag, hun zonlicht zijt."

Ve Zang, vs. 35, bl. 72, rl. 4 v. b.

Het hoofd hangt moedloos op de schouder.

B. in de "Verklarende Geslachtlijst" verkiest voor het woord "schouder"
het m. g. en naar de afleiding die hij er van geeft, en zijn stelsel
daarop toepassende, kon men wel geen ander geslacht aan dit woord
toekennen. Doch het schijnt dat, op deze plaats van zijn Epos, B. het
woord "schouder" genomen heeft als een van die afgekorte meervouden
als er in sommige spreekwijzen onzer taal aanwezig zijn, en waartoe
betrekking heeft de belangrijke aanteekening van Huydecoper, in zijn
Proeve van Taal- en Dichtkunde, op het VIe Boek der Herscheppingen
vs. 799, op welke plaats van den grooten taalgeleerde B. doelt in zijn
"Geslachtlijst" op het woord "schouder". Dat hier sprake kan zijn
van het meervoud is denkbaar, wanneer men zich het verslappende hoofd
voorstelt van d' een op d' anderen schouder zinkend en neerhangend;
hetgeen Virgilius heeft uitgedrukt met het woord "utroque," Aen. V,
vs. 469.

Ve Zang, vs. 80, bl. 73, rl. 14 v. b.

"Dit (het vaderland) moog verloren gaan, de menschlijkheid houdt
stand".

Ik meen dat men lezen moet: "houd' stand".

Ve Zang, vs. 125, bl. 74, rl. 15 v. o.

--"In der vossen holen
De dood die hen vervolgt voor 't oogenblik ontscholen".

Kan de mensch schuilen in een vossenhol? Ik meen dat B. schreef,
of bedoelde te schrijven: "der losschen holen".

Ve Zang, vs. 162 volg., bl. 75, rl. 16 v. o.

--Reuzentelg, die opgeroeid in 't strijden,
Reeds driewerf Beth-urs burg verbrand hadt en vergruisd.

Nu voor den derden keer, bij die overrompeling vermeld in den vorigen
zang vs. 570, volgg. De twee vroegere vermeesteringen of althans
verwoestingen van het dal van Hemath, waarin Beth-ur lag, vermeldt
de dichter in zijn verhaal in den eersten zang, vs. 264, en 291;
en het was bij een dezer invallen dat Elpine, als kind, in handen
der Reuzen was gevallen (Z. II, vs. 290). De vraag, in welk der
vijf historische tijdvakken, die in het zooeven gemeld verhaal des
dichters onderscheiden kunnen worden, die roof op Elpine gepleegd,
naar de bedoeling des dichters, voorviel, schijnt niet gemakkelijk
ter beantwoording. Heeft de dichter deze gebeurtenis in zijne
gedachte geplaatst op het einde van het 3e tijdvak, d. i. der eerste
overheersching der Reuzen, toen hun rot, als hij zingt: (Z. I, vs. 278)

--"met moed en kunst bestreen,
Week naar den hooger grond, als in zijn schansen, heen";

of wel in het begin van het 5e, toen, ofschoon het niet gezegd
wordt, het in den aard der zaak ligt, dat de Reuzen, bij de tweede
vermeestering vaan het oostelijk deel der Aarde en hunne vestiging
tot aan de Nilho, waarbij van den roof van "vrouwen, kinders, vee"
(vs. 285) gewaagd wordt, het aan de andere zijde van die rivier
gelegen Beth-ur, het verblijf van Elpine's ouders, in een strooptocht
hebben geplunderd? Neemt men dit laatste aan, dan is het een zeer
natuurlijke bezorgdheid in Segol, die hem Beth-ur als eene onveilige
verblijfplaats voor Zilfa doet beschouwen; en deze wordt ook door de
uitkomst bevestigd; (IIIe Z. vs. 630 en IVe Z. vs. 573). Daarbij komt,
dat na de eerste overheersching der Reuzen een tijdvak van vrede van
50 jaren verloopen is (I. 280) en ook tot de bevestiging van het tweede
rijk der Reuzen eenige tijd als noodig is aan te nemen; en zoo schijnt
men in de eerste veronderstelling het tijdstip van de geboorte van
Elpine wel wat verre achteruit te schuiven. De levensperken echter
van het menschelijk geslacht, zooals het toen volgens de bijbelsche
oorkonde was, in aanmerking genomen, is een leeftijd, als dan aan
Elpine wordt toegesehreven, nog jeugdig; ofschoon men het dan als eene
voorzichtigheid in den dichter prijzen moet, dat hij het getal harer
jaren niet gespeld en ons daardoor den zonderlingen indruk gespaard
heeft, dien Hoogvliet, in Abraham, op ons maakt, wanneer hij Sara
dus sprekende invoert:

"Zou dan dit schijnschoon nogh zoo groot een onheil baren,
In mijnen ouderdom van vijf en zestigh jaren?"

Ik hel dus meer over tot het denkbeeld, om de kindsheid van Elpine in
het meer verwijderd tijdperk te plaatsen, en meen dat de vermelding
van "den hooger grond" (I. 278.) waar toen de Reuzen op terugtrokken,
in verband staat met de redding van Elpine uit hunne handen, door haar
pleegvader Methusalah; daar het als aannemelijk kan beschouwd worden,
dat het aartsvaderlijk gezin van Noach, met Methusalah, zich reeds
toen op die hooge en eenzame bergstreek ophield.

Ve Zang, vs. 171, bl. 75, rl. 7 v. o.

Ontzinden! is 't de pijl, of is 't de zwakke hand?

Niet de pijl--zegt de aanvoerder--is uw vijand, tegen wien gij te
strijden hebt; maar de hand die haar afzendt, en deze is "zwak" en
ontleent alleen haar macht aan den afstand; vernietig dien door een
snellen aanval, en zij vermag niets meer.

Ve Zang, vs. 223, bl. 77, rl. 6, v. b.

"Den veewolf".

Een vreemdsoortig samengesteld woord, om een wolf aan te duiden,
die voornamelijk voor het vee te duchten is.

Ve Zang, vs. 246, bl. 77, rl. 12 v. o.

(De Koning) knarstandt van de spijt, als duizend ijzren harren
Op grendels, rood verroest, en in hun ring verwrikt,
Zoo klinkt het door de lucht, en heel het heir verschrikt.

D. C. schrijft het hier beschreven geluid toe aan de booze geesten:
verg. zijn aant. op vs. 335. Er is echter van een onmiddellijk nabij
zijn dier wezens niet gesproken: zooals b. v. in den IIen Z. vs. 504;
en zoo, op zichzelf genomen, schijnen deze woorden ter tekennengeving
van zoodanige bedoeling des dichters niet genoegzaam. Ik meende dat
wij hier te doen hadden met eene dier hyperbolische vergelijkingen
als soms bij de epische dichters voorkomen, en dat de geheele plaats
op het knarstanden des Konings moet worden toegepast.

Ve Zang, vs. 350, bl. 80, rl. 15 v. b.

--Tot nieuwe krijgsbedrijven
Gesterkt, wat wacht mijn hoop van zulk een heldenstoet.

Men moet de woorden "Tot nieuwe krijgsbedrijven gesterkt" voegen
bij het woord "heldenstoet", als las men: van zulk een heldenstoet,
als hij tot nieuwe krijgsbedrijven gesterkt zal zijn, wat mag ik
daarvan verwachten.

Ve Zang, vs. 409, bl. 82, rl. 5 v. b.

Wen een onzichtbre hand zich in de zijne kleefde,
Hem opvoerde, en met hem den ethersfeer doorzweefde,
En Segol, Segol, riep!

Deze plaats moest anders worden uitgegeven om de bedoeling des dichters
uit te drukken. Na het woord "doorzweefde" moest een sterker leesteeken
staan. Van daar begon een nieuwe zinsnede, en het onderwerp dat het
laatste werkwoord "riep" vorderde, was nog niet geschreven, toen de
pen aan den onsterfelijken zanger ontzonk.

Het ontwerp van Bilderdijks epos.

Toen Bilderdijk er toe kwam om de vijf eerste zangen van zijn
voor altijd onvoltooid gebleven heldendicht uit te geven, werd dit
merkwaardig en geheel eenig gewrocht der nederlandsche poezy over
't algemeen met koelheid ontvangen. De dichter, als blijkt uit zijne
voorrede, had zich niet anders voorgesteld van een publiek, dat van
alle werken van kunst en van smaak vooral verlangt, zonder inspanning
op eene aangename wijze bezig gehouden te worden. Zij echter die
door hun studien en de richting van hun geest in staat waren het
meesterwerk te genieten, stonden verbaasd over de stoutheid van het
ontwerp en den reusachtigen greep, die in de gekozene stof gedaan was;
en aan hunne bewondering paarde zich een gevoel van weemoed over de
afgesneden hoop, dat een zoo verheven kunstgewrocht ooit zou worden
voltooid. Het was natuurlijk dat de verbeelding van sommigen van hen
niet kon blijven staan aan de grens waar de dichter, door grievende
rampen getroffen, moedeloos was neergezonken, maar hem zocht vooruit
te streven in de nevelen van dat onbekende gedeelte der baan, waar
zijn vlucht zich verder in bewegen moest; ja, zoo ver te komen, dat
zij, al ware het in een enkelen omtrek, het geheel kon overzien dat
hij zich had voorgesteld in het leven te roepen. Indien er iemand
in staat scheen dit doel nabij te komen, dat de dichter met zekere
achterhoudendheid als onbereikbaar gemaakt had, het was zeker zijn
voortreffelijke leerling en vriend, Da Costa. En inderdaad, deze
hield zich met de oplossing van het vraagstuk bezig, en in de zeer
verdienstelijke uitgave afzonderlijk door hem bewerkt van Bilderdijks
Epos [4] vindt men (bladz. 371 volgg.) eene verhandeling, waar het
"Ontwerp des Geheels", naar het gevoelen van den schrijver, voor den
lezer onthuld wordt. Aan zeer bevoegde rechters voldeed dit werk
van D.C., en zij deelden in de door hem uitgesproken overtuiging,
dat hij het geheim des ontslapen dichters had geraden. Mijn ontzag
voor deze goedkeuring en mijne oprechte bewondering voor het groot
en eerbiedwaardig genie van D.C. beletten mij niet, hier onbewimpeld
als mijn gevoelen uit te spreken, dat Bilderdijks ontwerp anders
dan het naar die gissing wordt voorgesteld, moet geweest zijn: ja,
dat zijn leerling, in de voornaamste trekken, die hij daarvan meende
te hergeven, heeft misgetast.

Het onderwerp van dezen Epos, zooals de dichter zelf, in een
brief aan zijn vriend den Hoogleeraar H.W. Tydeman, het uitdrukte,
[5] is eigenlijk "de zondvloed" niet: "doch hetgeen den zondvloed
verwekte." Deze daad die bezongen moest worden, was de aanval door het
menschdom ondernomen ter herovering van Eden, onder voorleiding der
Reuzen, gesproten uit sterfelijke menschendochters en onsterfelijke,
in het Paradijs geteelde, menschenzonen, met bovenaardsche lichamen
omkleede geesten; die, als kinderen van Adam voor zijn val geteeld,
in Eden achtergebleven waren; doch later, om hun verboden omgang met de
dochters van het gevallen menschenras, insgelijks uit den zaligen hof
verbannen werden, en zich als goden in het luchtruim bewogen. Aan het
hoofd van dien opstand zou men een dier Paradijsgeesten zien treden,
den verleider van Elpine, eene Kainietische maagd door Methusalah in
't geloof aan den eenigen waren God opgevoed. Deze haar minnaar moest
zich, als vader van het uit haar te verwachten kroost, aan het belang
der Reuzen verbonden gevoelen; [6] en uit verschillende aanduidingen in
het bestaande fragment aanwezig, blijkt, als door D.C. is opgemerkt,
dat Elpine in bloedverwantschap moest staan tot Segol, het opperhoofd
der Kainieten, die, zoover als het dichtstuk loopt, voorkomt als de
gelukkige handhaver des menschdoms, tegen de overmachtige dwingelandij
der Reuzen; die, in dezen kamp kennelijk door God beschermd zich
gezind toont Hem te dienen, en, daar waar het fragment eindigt,
op het punt staat eene goddelijke openbaring te ontvangen.

Nu is het hoofddenkbeeld van D.C. ter aanvulling van het geheel: dat
het kind waarvan Elpine zwanger is bij den aanvang van dezen Epos,
een der voornaamste rollen daarin vervullen moet; dat Elpine zelve,
in het ontwerp des dichters, bestemd was te sterven bij het ter
wereld brengen van dat kind; dat het zou worden opgevoed door Segol,
haar halven broeder van moederszijde, en door Zilfa zijn echtgenoot;
terwijl dit deugdzaam en godvreezend paar, na de volslagen nederlaag
en bijna geheele uitroeiing der Reuzen, onder eene voorspoedige
regeering, vrede en godsvrucht over de geheele Aarde, wier troon
het beklom, zou doen bloeien: dat dit kind evenwel, tot jongeling
opgegroeid, door zijn wraakzuchtigen vader tot de snoodste ondeugd
en tot ondankbaarheid jegens zijn pleegouders zou worden opgeleid,
om Segol van den troon te stooten en het gansche menschdom, met het
inmiddels weder aangegroeide geslacht der Reuzen, in een algemeenen
afval van God te wikkelen en tot den lang beraamden aanval op Eden te
vereenigen; bij welks verdediging Segol, doodelijk gewond, met zijne
echtgenoot, in den inmiddels ter stuiting van den hemeltergenden
aanval uitgebroken zondvloed, om zou komen.

Ik vrees niet van bedilzucht beschuldigd te worden, wanneer ik zeg,
dat er bij mij gewichtige bezwaren tegen dit denkbeeld bestaan,
die het mij onmogelijk maken aan te nemen, dat hiermede het ontwerp
des dichters in zijn voornaamste trekken is teruggegeven.--Ik mis
vooreerst, en in de voornaamste plaats, die eenheid, die, volgens
D.C. zelf [7] overal "maar vooral in zijn Epos het karakter van
Bilderdijks streven, aanleg en geest was." Er zijn hier blijkbaar
twee heldendichten: het eene bezingt de overwinning op de Reuzen door
Segol behaald en zijn verheffing ter wereldmonarchy: het andere zijn
val in verband gebracht met de bestorming van Eden. Dat in het begin,
in eenige verzen, van het voornemen tot dien aanval gerept wordt,
vormt geen band, die de beide onderwerpen tot een geheel vereenigt,
waarvan de behandeling, D.C. erkent het zelf, [8] door "een pauze"
is vaneen gescheiden; omdat dit voornemen zoo lang op den achtergrond
rust, en van geen den minsten invloed is op al de gebeurtenissen,
die het eerste onderwerp tot een besliste uitkomst leiden.

Ook valt de gerektheid, zooals D.C. zich dien Epos voorstelde, in
het oog. Of de dichter had de dorheid der kroniekschrijvers moeten
aannemen, of aan zijn werk eene uitgebreidheid geven, die niet binnen
de grenzen viel van den klassieken Epos, zooals Bilderdijk zich dien
voorstelde, maar veeleer een dier indische Epopeen nastreefde die
het getal harer verzen bij tienduizenden tellen. Het gedicht zou een
geschiedverhaal behelsd hebben van hetgeen in het laatste tijdperk
voor den zondvloed op aarde was voorgevallen; geen episch drama had
het voorgesteld: en dit te minder, omdat de trage ontwikkeling der
gebeurtenissen, zich door verschillende levensperioden derzelfde
personen uitstrekkend, er een zekere "slaperigheid"--het woord is
van Bilderdijk--aan zou gegeven hebben.

Een ander hoofdgebrek in dit plan had, dunkt ons, den indruk van
het geheel benadeeld: het gemis van een bevattelijke en het hart
bevredigende theodice. Immers zou, volgens dat bestek, de deugdzame
koning Segol, die met zijn deugdzame echtgenoot de aarde gelukkig
maakte en tot de kennis van den waren God terugbracht, niet alleen
ten gevolge van den opstand tegen dien God van den troon gestooten
zijn, maar in de algemeene strafoefening door die misdaad verwekt,
niet al de opstandelingen zelven, zijn omgekomen.

Nog minder waarschijnlijkheid toont het bedoeld ontwerp, wanneer
wij het met het program dat Bilderdijk zelf in zijn voorrede [9]
van zijn plan geeft, vergelijken. Wij hooren hem spreken van dit plan
en van "de menigte van Epizodes of byverdichtsels die het insluiten
moest, en wier nauwe aaneenschakeling eerst volmaakt in de geheele
samenvloeiing mag blijken," en van "de algeheele verwikkeling, die
van oogenblik tot oogenblik groeien moet, en hare ontknooping ineens
bereikt, als het oogenblik der verdelging daar is," enz. En nu was
het van D.C. noch van iemand te vergen, dat hij die Epizodes raden
zou, waarvan de personen misschien zelfs nog niet genoemd zijn in
het onafgewerkte gedicht; maar het blijft niet te min waar, dat deze
woorden, vooral de laatste, iets vrij wat ingewikkelders voorspellen,
en iets geschikters om zoovele invlechtingen te ontvangen, dan het
zoo effen en eenvoudig verhaal dat D.C. den dichter toeschrijft.

Maar zelfs strijdt het door D.C. uitgedachte ontwerp in sommige
opzichten met het afgewerkte gedeelte van het gedicht, en met
hetgeen B. er van zegt in zijne voorrede. Zoo kennen wij uit B. den
Paradijsgeest, minnaar van Elpine, als een hartstochtelijk wezen,
dat alleen door overmaat van liefde voor haar en voor het kroost
dat hij van haar wacht, een roekeloos voornemen opvat, waarvan het
uitspreken alleen hem bijna bezwijken doet onder een geheimzinnige
wroeging. [10] Bij D.C. wordt hij een toonbeeld van kwaadaardigheid,
die een boosaardig plan jarenlang kan doen rijpen, om het eindelijk
door dien zoon van zijn geliefde Elpine, die hij daartoe tot een
zedelijk monster vormt, te doen uitvoeren: een plan waarvan niets
blijkt in de bestaande zangen; daar integendeel, op de eenige plaats
waar van dit voornemen tot opstand gesproken wordt, de woorden van
den Paradijsgeest iets geheel anders doen verwachten. [11] Hij zegt
daar tot Elpine, van de Reuzen sprekende:

Het lot der dierbre vrucht, die mij uw schoot belooft,
Verbindt me aan hun belang: Ik stel mij aan hun hoofd:
Hun zal ik en die Ga, die 'k eeuwig zal beminnen,
Het erfgoed van hunn' stam, het Paradijs herwinnen.

Daarbij komt, dat dit geheele hoofddenkbeeld van D.C. omtrent de rol
door dien zoon van Elpine in het gedicht te vervullen, en van het
afschuwelijk verraad door hem jegens zijne pleegouders te bedrijven,
geheel gebouwd is op de blijkbaar verkeerde opvatting eener plaats
voorkomende in den IIIen zang, vs. 359, volgg. Aldaar wordt, onder
zekere teekenen, die in het leger der Kainieten gezien waren, of
althans "geloof" vonden, [12] na andere wonderen ook dit vermeld:

Een slang ontsprong aan 't ei waarop de stroomzwaan broedde;

en D.C. past dit toe op Segol, die het kind van Elpine als een slang
aan zijn boezem zou opkweeken; terwijl het daarentegen, voor die
met aandacht die plaats in haar geheel verband leest, blijkbaar is,
dat de mare dier voorteekenen, wel verre van iets zekers of waars te
beduiden, door "het kroost der List," [13] d.i. de duivelen, onder
het leger verspreid is.

Een anderen strijd vindt men tusschen het ontwerp van D.C. en hetgeen
B. zelf in zijne voorrede [14] zegt: dat men zich niet licht uit dit
voorgedeelte een denkbeeld zal maken "wat gewichtige rol de ongelukkige
Elpine of haar hooge minnaar te vervullen heeft". Hoe toch kon B. de
rol van Elpine gewichtig noemen, indien zij verder in het gedicht
tot niet anders bestemd was, dan om een kind ter wereld te brengen
en in het kraambed te sterven?

Zoo ook wanneer B. t. a. p. het als moeielijk voorstelt, "zich een
denkbeeld te maken van hetgeen hij met Segol en zijne Zilfa voorhad,"
schijnt hem wel iets anders voor den geest gestaan te hebben dan het
doodeenvoudig denkbeeld van Segol, die reeds in dit voorgedeelte als
Koning der Aarde gehuldigd is, op dien troon lang en voorspoedig met
zijn echtgenoot,--die volstrekt geen rol vervult,--te doen regeeren.

Zonder twijfel is Segol de held van dezen Epos, de persoon om wien
alles zich heenwendt. Is er geen hoop dat men het raadsel oplosse dat
B. ons omtrent hem gesteld heeft, dan is het zeker, dat men naar den
inhoud van het geheel vruchteloos zal blijven raden.

Het schijnt dan alleen mogelijk in dien doolhof een draad te vinden,
indien de Oudheid ons een persoon heeft voorgesteld, die voor de
verbeelding des dichters heeft kunnen staan bij de beraming van zijn
werk: zoodat men uit de bijzonderheden aangaande dien persoon ons
bekend, in verband gebracht met de voorbeduidsels in het onvoltooide
gedicht gestrooid, naar de verdere bedoelingen des dichters zou
kunnen gissen.

Bilderdijk noemt zelf de overlevering waaraan hij het voornaamste
denkbeeld van zijn gedicht ontleende, in zijne voorrede: [15] "eene
oude mythologie": hij vergelijkt zijn onderwerp [16] met "de heidensche
fabel der Hemelbestormers": zijne Paradijsgeesten vervullen de plaats
der grieksche mythologische goden. [17] En er zijn plaatsen aan te
wijzen waarin de vindingen des dichters aan de grieksche mythologie
ontleend schijnen;--als b. v. waar de onderlinge slachting in het
kainietische leger den broederkrijg voor den geest roept, die het
uit de aarde ontstane volk van Cadmus tot op een gering aantal doet
versmelten. [18] Zoo heeft hij dan zijn gedachte kunnen vestigen op een
belangrijk mythologisch persoon, die ten nauwste met de verdichting
van den reuzenstrijd in verband stond:--op Prometheus:--en nu blijkt
het dat, bij het schrijven van zijn heldendicht, een der schoonste
gedenkstukken der Oudheid, dat dezen persoon ten onderwerp heeft,
hem voor den geest stond, de Prometheus van Eschylus.

Twee plaatsen wilden wij vooral uit dit treurspel aanwijzen, waarvan de
woorden, naar 't schijnt, in de herinnering van onzen dichter levendig
waren bij de bewerking van zijn Epos. De eerste is, waar, in Eschylus,
de Rei der Oceanitische nymfen gewaarschuwd wordt, zich niet roekeloos
met Prometheus in 't verderf dat hem wacht te storten [19]:

Zegt dan nimmer,
Dat u Zeus in een niet voorzienbaar leed
Nedergestort heeft: neen, gij zult dan
Wetens, en niet bij verrassing gevangen,
In 't onontwarbare net des verderfuurs
U verwikklen, verstrikt door uw dwaasheid.

Van deze plaats vindt men een weerklank terug in het slot der
toespraak, waar onze dichter de dochters van het geslacht van Seth
verwijt, dat zij zich het verderf van den stam van Kain eigen maakten:
[20]

En zwoert ge uw God niet af, voor 't minst gy sloot Hem 't Hart,
En blindlings stort gy 't hoofd in 't net dat u verwart.

De andere plaats is die waar Ioe verhaalt, hoe zij het eerst tot de
liefde van den god die haar rampzalig maakte, getrokken was: [21]

Gedurig zweefden nachtgezichten om mij heen,
Op 't maagdlijk leger; die, met fluisterende stem,
Dus tot mij spraken: o volzalig maagdelijn!
Hoe blijft ge uw staat bezwaren, daar de heerlijkste echt
U werd beschoren? Immers door een pijl der Lust
Moest Zeus voor u ontgloeien; en der minne juk
Met u vereend te dragen is zijn wensch. Doch gij
Versmaad, o kind! dit hooge huwlijksleger niet;
Maar ga waar Lerna op haar welig grastapeet
De driften weidt uws vaders. Dat uw aanblik daar
Het godlijk oog verblijde dat u smachtend zoekt.

Met vindt hier als den oorsprong van hetgeen onze dichter van Elpine
zingt: [22]

Zy zucht om de onschuld van haar kindschheid: om 't gemis
Van 't geen haar dierbaar bleef, maar onherroeplijk is;
Zucht om 't noodlottig vuur, 't betoovrend van een weelde,
Die eerst in zoeten droom 't onwillig harte streelde;
Daarna door wonderkracht, der menschheid veel te hoog,
Haar overstelpte en dwong, en aan zich zelve onttoog.

Maar de geheele persoon van Ioe, de tweede hoofdpersoon in het
treurspel van Eschylus, heeft overeenkomst met die van Elpine;
en dit kan geene bevreemding wekken, wanneer men bedenkt, dat haar
verhouding tot den Paradijsgeest, die haar door zijn min rampzalig
gemaakt heeft, dezelfde is als die van zoo vele sterfelijke vrouwen,
waar de grieksche mythologie van gewaagt, die tegen haar wil door
de goden bemind zijn, en wier toestand zoo aangrijpend door Eschylus
in Ioe is voorgesteld. Men vergelijke b.v. de treffende plaats in den
Ien zang, vs. 462, volgg, met plaatsen als deze in Eschylus [23]:

Gij kent de kwaal die mij verteert
En voortdrijft met haar rustelooze prikkels.
Zoo zwichte ik, uitgehongerd door mijn woesten loop,
Helaas! voor d'ongestuimen zin
Die mij vervolgt. Waar zijn op aard'
Rampzaalgen mij gelijk te vinden?

Of waar, nadat in een aanval van woede de wanhopige Ioe het tooneel
verlaten heeft. [24] het daarop volgend koorgezang het geluk van den
sterveling die met zijns gelijke paart, bezingt en het lot van door
Zeus bemind te worden afbidt.

Ook die troostende toespraak die Elpine uit het "boomloof" als toewaait
[25], herinnert de vertroostende ontmoeting die Ioe te Dodone bejegent:
[26]

Waar 't onbegrijplijk wonder van der eiken taal:

(zoo herinnert haar Prometheus:)

U onverholen als de wijdberoemde Ga
Heeft toegesproken, die met Zeus gepaard zal zijn.

En de zoo aandoenlijke uitstorting van wanhoop, die wij bij
B. (ald. vs. 501, volgg.) lezen, vinden wij bij Eschylus in
uitdrukkingen als deze [27]:

Uw vlam verteer me, of de aard verzwelge mij;
Of 'k zij een prooi der zeegedrochten.
Verwerp, o God! mijn bede niet.
Te lang reeds heb ik omgedoold;
En 'k zie niet waar 't mij is vergund
Zooveel smart te ontvluchten.

...

[28]Wat wacht ik nog van 't leven? waarom stort ik niet
Mij zelve neder van de steile rots?
Waar, op den grond verpletterd, ik van al mijn wee
Bevrijd zou zijn 't Is beter eens voor al den dood
Te ontmoeten dan dat leed van elken dag.

Men vindt bij de beide in kracht wedijverende dichters wel niet
dezelfde woorden, maar de vlucht der tragische wanhoop in de beide
personen, die zij als onder een voor den sterveling onweerstaanbare
macht bezweken opvoeren, is dezelfde.

Eer ik tot de beschouwing van den persoon van Prometheus overga,
moet ik nog op het verband wijzen, waarin de persoon van Ioe, in
het stuk van Eschylus, tot hem staat; omdat, indien de overlevering
juist is die tot mij kwam, een dergelijk verband, dat tusschen Segol
en Elpine bij B. zou bestaan hebben, een treffend bewijs te meer
moest leveren, dat B. het treurspel van Eschylus voor den geest
zweefde. Ik bedoel de voorspelling die in den Prometheus voorkomt,
dat het een der afstammelingen van Ioe zijn zou,--namelijk Hercules,
de groote beschermer der menschheid,--die Prometheus eenmaal van zijn
vreeselijke foltering zou verlossen: [29] en nu is mij door iemand,
die het voorrecht genoot van lang en zeer vriendschappelijk met
B. om te gaan, in vroeger jaren medegedeeld, dat Elpine, volgens het
denkbeeld des dichters, bestemd was om met haar vrucht in het Paradijs
aan den dood onttogen te worden, en dat het onsterfelijk wezen door
haar te baren in een zeker verband zou staan tot de menschwording
des Heilands der wereld, of, zooals het mij aannemelijker voorkomt,
tot zijn verzoeningswerk ten opzichte van het menschdom der eerste
wereld, waarop B. reeds doelt in den Ien Zang, vs. 47, volgg. Maar
liever dan hier verder in te treden geef ik toe aan de vrees van,
door een verkeerde opvatting of onjuiste herinnering, iets aan den
oprecht gemoedelijken dichter toe te schrijven, omtrent een punt,
waar hij zelf misschien geschroomd heeft, een al te stouten blik,
dien hij in de geestenwereld geslagen had, vol te houden.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.