A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Annual Bibliography of Commonwealth Literature 2007
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

De Liereman

L >> L. Schipper >> De Liereman

Pages:
1 | 2 | 3 | 4



Treur, achtbre Wildenborch!
Uw bloei was al zijn zorg;
Hij gaf u vreugd en leven;--
Uw heldre zon zeeg neer;
't Werd somber in uw dreven ...
Uw Landheer is niet meer!

De trots van Gelderland,
Wien braafheid en verstand
Met schoonen glans mogt sieren,--
Zijn levensdraad brak af ...
Schonk hem de kunst laurieren,
Nu weeklaagt ze op zijn graf.

Nu zwijgt zijn citertoon,
Zoo krachtig, kunstig, schoon,
En Febus Priesterscharen,
Staan in het kunstenkoor
Den lievling na te staren,
Dien het te vroeg verloor.

Weer heeft het Vaderland,
Een' kostbren diamant
Uit de achtbre kroon verloren!
En gade en minnend kroost
Staan, bij der dichtren koren,
Weemoedig, zonder troost!

Maar welk een treffend woord
Lokt mij naar 's kerkhofs poort,
En schenkt den geest bedaring:
"Uit nacht rijst morgenrood (1),"
Het was uw spreuk, o Staring!
"Het leven uit den dood."

* * * * *

(1) Woorden van den Overledenen, op het Kerkhof te Vorden,
waar des Dichters grafplaats gevonden wordt.





HET LEVENSPAD.


Allen op des levens paan,
Vallen, staan weer op en vallen;
Zelfs de trotschheid durft niet brallen:
Ik kan zonder struiklen gaan!
Steen, op steen, verrast den voet,
Waar men zich aan stooten moet!

Maar hoe telkens uitgegleen,
Broeders! toch weer opgekropen;
Homplen, stromplen wij in 't loopen,
Meer oplettend voortgetreen;
Aan het einde van ons pad,
Ligt de goede Vader-stad!

Matte Pelgrim! daar is rust,
Van uw hobbelige wegen!
Daar stroomt nooit gekende zegen,
Nooit gesmaakte levenslust!
Daar is 't eind der aardsche smart,
Hemelvreugd vervult er 't hart!

Voor den togt dan niet versaagd;
Welberaden voortgewandeld;
Naar gebod en pligt gehandeld;
Struiklen wij, God zelve schraagt!
En, is 't doel der reis volbragt,
o, De blijde Heilstad wacht!





HET BLINDE VINKJE.


Vinkje! welk een gruwzaam monster,
Vreemd aan alle menschlijkheid,
Heeft uw vlugge wiek gekluisterd,
Heeft uw' dag, in nacht verduisterd,
Heeft u 't foltrendst leed bereid?

Eens zoo vrij en vrank op aarde,
Nu gedoemd tot de enge kooi;
Nu, door gloeijend erts uwe oogen
Aan het vriendlijk licht onttogen,
Nu des euveldaders prooi!

Werd het u noodlottig ijzer,
Slechts de duistre groeve ontrukt,
Om, der snoodheid ten believen,
Dus uw argloos hart te grieven?
Dan is 't euvel wel gelukt!

Doch, o neen! niet tot dien gruwel
Opent zich de schoot der mijn;
Maar de boosheid keert den zegen,
Uit Gods milde hand verkregen,
Vinkje! de onschuld vaak tot pijn.

Wat is 't u, of zich de schepping
Nu net lente-siersels hult?
Niet voor u zal de aard' zich tooijen,
Daar ge uw vlerkjes niet ontplooijen,
Nimmer 't schoone aanschouwen zult!

Ach, waar zijn de blijde dagen?
Van het lagchende verleen?
Vlijm, op vlijm, moet u doordringen,
Woelt het heir herinneringen,
Door uw mijmrend kopje heen!

Mooglijk waart gij aan een gaaike,
Aan een teederminnend kroost,
Op het liefderijkst verbonden ...
Wreed werd dan de band geschonden,
Die uw blijdschap was en troost!

Niets is u van 't heil gebleven,
Waar uw borstje zoo van zwol;
Uw gelukzon is verdwenen,
Heeft voor altijd uitgeschenen,
Blind en in een kerkerhol!

o, Mijn teergevoelig harte,
Doet uw rampental zoo zeer!
Kon het innigst medelijden,
U van jammeren bevrijden,
'k Zag u 't beeld der vreugde weer!

IJdle hoop--maar hoor, arm Vinkje!
Schal met pletterend geluid,
Schal en schater den vervloekte,
Die uw' lust en rust verkloekte,
Uw' ontzagbren wraak-kreet uit!

Doch uw toovrend orgelkeeltje,
Wanhoop nam het kracht en klem;
Nooit ... maar wat welluidend kwelen,
Komt mijn luistrende ooren streelen!
Lieve vogel! is 't uw stem?

"Ja, mijn stem, meelijdend vreemdling!"
Zingt het Vinkje op zoeten toon,
"'k Laat, getuigen het mijn zangen,
"Moedloos niet mijn wiekjes hangen,
"Welk een rouw mijn borst bewoon'!

"Wat baat wanhoop, wat baat wraakzucht?
"Heelen ze ooit de wond van 't hart?
"Veel verloor ik--maar, mijn roover
"Liet mij toch mijn stem nog over,
"o, Die vreugde troost mijn smart!

"Drage ik dan mijn lot gelaten,
"'k Heb nog ruime dankensstof;
"Om het goede mij gebleven,
"Min ik nog het lieve leven,
"En zing luid mijns Scheppers lof!





TROOST.


"Hij heeft den laatsten strijd gestreden!"
Dat hartdoorvlijmend woord,
Dat zoo veel vreugd verstoort,
Het was den mond van d' Arts ontgleden,
Maar 't klonk als niet gehoord,

Het kon het oor der vrouw niet boeijen;
Nog lonkt de hoop haar aan;
Zoo schrikklijk zal de orkaan
Niet door haar' bloeijend' echtgaard loeijen,
En bloem, bij bloem verslaan.

"Neen, neen," spreekt zij zielroerend teeder,
"Neen, dierbare echtgenoot!
"Zoo ras ontbindt de dood
"Dien vastgelegden knoop niet weder,
"Die 't huwelijk pas sloot!"

En slaat ze op 't schomlend wiegje de oogen,
Naar 't liefelijk gezigt
Van 't sluimerende wicht,--
Dan smeekt ze: "o! doof niet, Alvermogen!
"Zijns Vaders levenslicht!"

"Moest zulk een ramp ons huis genaken ..."
Maar, God! wat raauwe gil!
Zij voelt het doodlijk kil
Op 's ega's ingezonken kaken,
Zijn ademtogt staat stil.

Haar zoete hoop vervloeide in tranen
Van bittre zielesmart;
Gebroken is haar hart;
Wel spoedig ging haar heilzon tanen,
En liet haar 't nachtlijk zwart.

Ze rigt het schreijende oog naar boven:
"Wat lot," snikt zij, "wat lot,
"Na twee jaar echtvreugd ... God!
"Waarom moest ik een' droom gelooven,
"Waarmee de ontwaking spot?"

Wie zalft uw wond, geslagen vrouwe?
Uw wichtje, als 't onverpoosd
U vleijend kust en koost?
Ach, ook dat kozen scherpt uw rouwe,
Voor uw gemoed geen troost!

Geen troost? hoe 't harte ook pijnlijk bloede,
Ja, Troost in d' eelsten zin,
Dringt tot haar' boezem in;
Zij kust Gods vaderlijke roede,
De Weduwe is Christin!





Pages:
1 | 2 | 3 | 4
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.