A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Editorial
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

De Liereman

L >> L. Schipper >> De Liereman

Pages:
1 | 2 | 3 | 4


This eBook was produced by Vital Debroey



DE LIEREMAN.

Luimige en Ernstige
MUZE.

door

L. SCHIPPER.





DE LIEREMAN.


Vrienden! koopt! wie koopen kan,
Koopt wat van den Liereman;
'k Heb weer liedjes van elks gading,
'k Breng een schip met rijke lading,
Zoekt maar uit den vollen hoop,
'k Heb er nog genoeg te koop.

Maar, gij vraagt me: "zijn ze mooi?"
't Antwoord is: van 't beste allooi,
Vol van vinding, gloed en leven,
Immers, 'k heb ze zelf geschreven?
En een hoofdpoeet als ik,
Kent de rijmkunst op een' prik.

Ergo, wie dees zangen laak',
Heeft geen enkel greintje smaak;
Weest dus op uw hoede, Heeren!
Die mijn werk zult recenseren;
Want, wie deze deuntjes fluit,
Wijst zijn eigen vonnis uit.

Koopt dan, koopt! wie koopen kan,
Koopt wat van den Liereman;
'k Heb weer liedjes van elks gading,
'k Breng een schip met rijke lading,
Zoekt maar uit den vollen hoop,
'k Heb er nog genoeg te koop.





INHOUD.

De Liereman.
Het Kaartspel.
De Oude en Nieuwe Maat.
De Droom.
De Patrijzen.
Jan.
De twee Honden.
De vrome Werkbaas.
De Vlieg.
Het Medaillon-Portret.
De verdronken Acteur.
Het Portret van den Dood.
De Gekken.
Stalen Pennen.
Mijn Grootje.
Gerust in de onstuime Baren.
Een klein Spruitje wordt eindelijk een Boom.
Voor Godsdienst en Vaderland.
Deugd schept Vreugd.
Elck wat Wils.
Genoegh is meer.
Elck zijn Waerom.
Elck spiegele Hem Zelven.
't Kan Verkeeren.
Hora ruit.
Peut-etre.
Repos ailleurs.
Vita mortalium vigilia.
Getrouw.
't Uur is daar.
Huwelijks-Liedje.
De Ooijevaars.
Op den Dood van een' Landman.
Aan een' rat.
De Lach.
Het Weesje.
Huwelijksvereeniging.
Drift.
De Laster.
Eenvoud.
Aan een' blinden Toonkunstenaar.
De Muis.
t' Huiskomst.
Wie?
De Mensch.
Aan een' Schilder.
De Grafsteen.
Toonkunst.
Gedachten bij het Graf van _A. C. W. Staring_.
Het levenspad.
Het blinde Vinkje.
Troost.





WAARSCHUWING
van eenen Onbevooroordeelde.


Hoe de Liereman ook roepe en schreeuwe en zijne koopmanschap
aanprijze, men meene daarom niet, dat al wat hij uitvent, voor den
zang geschikt, of zoo bijzonder mooi is.

In geenen deele; hij handelt meestal in oude snuisterijen, en nieuwe
snuifjes zoudt ge vruchteloos bij hem zoeken.

Gij moet dus wel opletten, dat hij u geene appelen voor citroenen in
handen stopt, want, ieder is een dief in zijne nering.

Nogtans, ik wil zijn nadeel niet, en wensch zijne waar eene even
vleijende recensie, als het onlangs bij den Boekhandelaar LAGERWEY te
Dordrecht uitgegevene product: Engelin! vergeet mij niet, geheeten--
welke beoordeeling Refer. (Letteroefeningen No 9, voor Julij 1843.)
aldus eindigt: "Ook Luimigheid is een lief stukje, hetwelk gelijk mede
sommige der overigen, geen ongeschikt Volksliedje zou wezen."

VORDEN,
30 Sept. 1843.





HET KAARTSPEL


"Wat!" vraagt gij, "is dat consequent?
"Erast, de nieuwe lichter,
"Koopt steeds 't antiekste ameublement,
"Maar blijft Gomaars betichter,
"Hij is 't, die, 't oude en nieuwe zoekt,
"En tevens 't nieuwe en oude vloekt!"

Ik vonnis niet en haat den twist,
Ja, laat aan elk zijn keuze,
Wie 't aardsch en hemelsch stout beslist,
De vrijheid zij mijn leuze!
Maar toch, ik zeg uit vol gemoed,
In 't oud en nieuw is kwaad en goed!

Doch nu van 't kaartspel - zie! uw drift
Bragt heel mij van 't chapiter;
Het kaartspel, luidt het bovenschrift,
Voor 't kaartspel klink' de citer;
Welaan, mijn zangster! men verbeidt,
Zing luid van de oudste antiquiteit!

1. Met regt, dat Memphis boezem zwell',
Om de eer haar rijk beschoren;
Daar, daar is 't eerste kaartenspel,
Door 't schoonst genie geboren;
En de allergrijste piramied,
Is nog zoo grijs als 't kaartspel niet!

2. Hoe juichte Egypte in d'eelsten schat,
Den schat van eigen vinding,
En bragt, door hieroglyphen, 't blad,
Met godsdienst in verbinding;
Zoodat, van vromen geest bezield,
Men kaartenspelend oefning hield!

3. Sibyllen! uw orakelhol,
Hadd' nooit van goud geblonken,
Zoo niet de kaart, den vragersbol
Het antwoord hadd' geschonken;
Uw goochelkunst staat nog in eer,
Groei, bloei, o kaartenleggren-heer!

4. Hoe! rukken Moor en Arabier
Zoo plotsling uit het Oosten?
U, Spanje! geldt het krijgsgetier,
Maar 't zoetst geschenk zal troosten!
De vijand biedt de kaart u aan,
En gij--verwenscht heur naar de maan!

5. Fluks waagt ze een kans in Frankenland,
't Wou eerst ook daar niet lukken,
Maar--zesde Karel,--zijn verstand,
Kreeg eensklaps bijstre nukken!
De Vorst wordt meer dan stapel gek,
En nu, nu komt de kaart in trek!

6. De groote schilder Gringoneur,
Een baas in 't portretteren,
Liet in het spel, door frissche kleur,
Geheel het hof spanceren;
Dat deed den Koning zulk een deeg,
Dat Gringoneur een lintje kreeg!

7. Maar eerst verdeelt hij nog de kaart,
In vier verscheiden rijken;
Hij had het opperbest geklaard,
Elk stond er van te kijken!
Geen mensch, die iets te vitten had,
En, bij de Vorsten, zegt dat wat!

8. Bourgondie verkreeg een ruit;
De Frank, een schop, op 't plaatje;
Een hart viel Orleans ten buit;
Brittanje een klaverblaadje;
Naauw was het af,--of zie, 't palet
Schonk nu den hofstoet zijn portret!

9. La Hire en Hector, o, hoe schoon
Wist u de kunst te malen!
Gij spreidt het beeld van Mars ten toon,
Kloekhafte Generalen!
En wie de ronde boeren ziet,
Miskent uw sprekend wezen niet!

10. Dat 's ruitenvrouw '--neen, 't is Sorel,
Het liefje van den Koning,
't Was met des Konings hoofd niet wel,
Daarom dient hij verschooning,
Geen ander Vorst, bij vol verstand,
Heeft immers liefjes aan de hand?

11. Wie, Pallas, maagd van Orleans!
Die streed voor 's Konings regten,
Wie waagt niet liefst met u een kans
In 't eten, dan in 't vechten?
Uw schoppen, schoppenvrouw, had klein,
Gij schopte menige _Goddem_!

12. Wat majesteit, wat fiere bouw,
Wat pracht van zijde lokken,
O, overschoone klavervrouw!
Gij hebt mijn oog getrokken!
Maar dat mijn min zich zelv' verwinn',
Ik bloos--'t is Frankrijks Koningin.

13. Wat lacht die freule harten wit,
Haar hartje speelt in harten,
Voor 't klooster had de maagd geen zit,
Wis bragt ze er vreemde parten!
Foei, Isabel van Beijren, foei!
Uw goede naam krijgt nog een' knoei!

14. Maar wie of schoppenheer mag zijn?
Dat 's wel een uitgelezen!
't Is Isrels David--de Dauphin,
Er schijnt iets joodsch in 't wezen!
Hij is, gemeten met een zeef,
Nog Koning Davids achterneef!

Zoo biedt u elke pop het beeld
Van eene onschatbre parel;
En ieder, die een kaartje speelt,
Speelt met het Hof van Karel!
Doch de arm wordt lam van 't wijzen, stop!
Sla zelv' uw kunstverzaamling op.

Wij keeren tot den Koning weer,
Hoor, 'k wil het niet verhelen,
't Was droevig toch, een Vorst en Heer,
Met prentjes te zien spelen,
Maar wonder, zonder wederga,
Gansch Frankrijk aapte 't voorbeeld na!

Wat, Frankrijk? door heel 't wereldrond
Kwam 't kaartspel in de mode;
Nu, daar een Koning 't aardig vond,
Een zot, die 't niet vergoodde,
En was het spel, het spel eens dwaas,
't Was toch ook 't spel eens grooten baas!

Lof, driewerf lof, dus, de eedle kaart!
Wier kunst de tijd doet spoeijen;
Lof, 't vorstlijk spel! zoo wijd vermaard,
Dat gekken zelfs kan boeijen,
Lof, lof, aan de oudste antiquiteit,
Die zoo veel vreugd voor de aard bereidt!

* * * * *

1. De eigenlijke oorsprong der speelkaarten, huist in Egypte.

2. De Egyptenaren beschreven de kaart met hieroglyphen, waardoor hun
spel tegelijk eene godsdienstige strekking kreeg.

3. Op dergelijke bladen, van Egypte afkomstig, schreven ook de
Sibyllen, eene soort van waarzegsters, hare orakelen. Voor hen, die
haar kwamen raadplegen, wierpen zij deze kaarten in het wilde en door
elkander, uit haar donker woonverblijf, waaruit dan de vrager een
antwoord moest zoeken.

4. Weldra verspreidde zich de kaarten door geheel het Oosten, vooral
onder de Mooren en Arabieren, die haar wederom in Spanje, onder den
naam van Terrotten invoerden, waar dezelve, uit haat tegen de Moren,
ten strengste verboden werden.

5. Uit Spanje werden zij in Frankrijk overgebragt, waar Koning Karel
de Vijfde in 1396, ze mede niet dulden wilde. Een beter lot trof haar
staande de regering van zijn' ijlhoofdigen opvolger, Karel den Zesden.

6. Een zeker Franschman, Jacquemin Gringoneur, vond uit, (tot niet
weinig vermaak van den simpelen Koning), om eenige voorname personen
van het Hof, op de kaart te schilderen.

7. De vier hoofdbenamingen der kaart, verdeelde hij in vier rijken.

8. Bourgondie was ruiten, Frankrijk schoppen, Orleans harten en
Brittanje klaverkaart.

9. La Hire en Hector, waren twee dappere Fransche Generaals, die in
harten en ruitenboer werden afgebeeld.

10. Agnes Sorel, de maitresse des Konings was ruitenvrouw, onder de
benaming van Rachel.

11. De beroemde maagd van Orleans, die zoo moedig tegen de Engelschen
streed, werd Pallas genoemd, doch is eerst later in de kaart
opgenomen.

12. De schoone Koningin Maria van Anjou, werd, onder den titel van
Argina, eene verbastering van het Latijnsche Regina (Koningin), in
klavervrouw voorgesteld.

13. Isabella van Beijeren, een niet onbekend hofdametje, werd in
vervolg van tijd als Judith' in hartenvrouw vereerd.

14. Schoppenheer was de Dauphin, naderhand Koning Karel de Zevende.
Omdat zijn leven iets naar dat van Koning David zweemde, werd Karel op
de kaart naar Israels Vorst vernoemd.





DE OUDE EN NIEUWE MAAT.


De oude maten en gewigten
Verlieten 't land;
De nieuwe gaan hun dienst verrigten,
En treen in stand;
Dat gaf aan de eedle winkelieren,
Een dolle pret,
Maar hoe misnoegdheid moge tieren,
Men vreest de wet!
Het hoog bevel, had ook de scholen
Voor wijd en zijd,
Het nieuwe stelsel aanbevolen,
Der school ten spijt:
"Weg, met die leelke decimalen!"
Zoo riep de jeugd,
"De duivel mag die vinding halen,
"Tot aller vreugd!"

Eens kwam de meester met twee ellen,
Een nieuw', een oud',
"Kom," zegt hij, "staak dat babblend rellen,
En wees niet stout!
"'k Wijs u het voordeel aan, dat de eene
Op de andre heeft,
"'t Is tot uw eigen best, naar 'k meene,
"Zoo ge aandacht geeft!"

Maar geene attentie is te winnen,
Men meesmuilt slechts,
En ziet, met afgedwaalde zinnen,
Dan links, dan regts,
Een onder hen, een kleine snuiter,
Die niets ontziet,
Roept luid, van kop tot teen een muiter,
"Ik leer dat niet!"

"Wat!" zegt de meester, "kwade jongen!
"Hoor ik het wel?
"Dat liedjen is gaauw uitgezongen!"
Hij dreigt met de el ...
Maar de ondeugd roept: "spaar uw geweten,
Wat euveldaad,
"Gij moogt mij met dees el niet meten!"--
't Was de oude maat!





DE DROOM.


Van mijn wandling moe en mat,
Gaf ik me, onder 't beukenloover,
Bij eens beekjes kabblend nat,
Aan de rust op 't mosbed over,
'k Viel in sluimring; maar, wat droom!
Droomde ik aan dien oeverzoom?

't Was me, als gleed ik telkens meer
In de diepe waterkolken,
Bij het schubbig goedje neer,
Burgers, die den stroom bevolken!
Enklen, uit hun element,
Waren mij bij naam bekend.

O! wat wereld leefde om mij!
Welk een wriemlen, wat krioelen,
In die vreemde maatschappij,
Welk een trachten en bedoelen;
Want, geen vischje was zoo dom,
Dat niet wist waarom het zwom!

Maar, door welk een vrees beklemd,
Gaat dat kleine kaarsje dolen?
Hoe 't dien grooten snoek ontzwemt!
De angst houdt het in 't riet verholen,
Had de groote u daar betrapt,
Kleine! gij waart opgehapt.

'k Schrikte wakker--"Foei, dat's wreed!"
Riep ik, "dat gij, groote slokkers!
"De arme kleine vischjes eet,
"Schaamt u, leelke booze schrokkers!
"Neemt een voorbeeld toch aan de aard',
"Daar is 't, dat de sterke groote steeds den zwakken kleine spaart!"





DE PATRIJZEN.


"Tom! breng deez' brief met zes patrijzen
"Eens gaauw naar 't landgoed Smullenhof;
"Maar," spreekt Mijnheer, "niet droomen, of
"Dees stok zal straks zijn kracht bewijzen!
"('k Zie hoe Baron van Lekkerbek
"Al schranst ...) toe, voort dan, luije gek!"

De vluggert ijlt met slakke schreden,
En meer en meerder krimpt zijn stap.
"'k Was," zegt hij, "altijd kloek en rap,
"Ja schaars, die zoo veel arbeid deden,
"Maar zonder poozen, zulk een vracht,
"Geen Simson zelfs bezat die kracht!"

Tom rust--verbruid, was dat ook sjouwen!
Een half kwartier heeft de arme vent,
Het telkens zwaardere present,
Al voortgesleept ... wie kon 't aanschouwen?
Wel is de weg haast afgelegd,
Maar hoor, natuur heeft ook haar regt!

Ras sluit de slaap zijn oogleen digt,
Een guit, die hem in 't gras zag glijden,
Werd zoo vervuld van medelijden,
Dat hij des stakkers last verligt.
"'k Deed," zegt de schalk, "nog nooit een schot,
"Maar 't loopt mij mee, dees jagt gaat vlot!"

En naauwlijks is een uur vervlogen,
Of vlugge Tom is reeds ontwaakt;
Dan ach, de vogels zijn geschaakt!
"Een dief," snikt hij, "heeft mij bedrogen!"
Want waar het zoekend oog ook ziet,
Het malsch gevleugelte is er niet!

Wat raad? de vrees verheert zijn zinnen!
Halfdood zal Lekkerbek hem slaan,
Om 't boutjen aan zijn' mond ontgaan.
"Stil," roept hij, "daar schiet me iets te binnen!
"'k Geef aan de poort den brief gaauw af,
"Zwijg van 't geschenk en neem den draf!"

Maar zie, tot overmaat van smarte,
Treed onverwachts het aadlijk bloed,
Hem, uit een zijlaan, te gemoet.
Tom zit er in, hoe heeft zijn harte!
Toch brengt hij, schoon hem de angst verwon,
Zijn halve boodschap den Baron.

En nu--of Tom ook wist van beenen,
Geen haas, door't schot verschrikt, zoo vlug,
Maar Heer Baron roept hem terug.
"Waar," vraagt hij, "toch zoo vliegend henen?
"Ik zag je nooit zoo driftig vlien,
"Ligt moet er antwoord zijn, laat zien."

"'t Schrift zie ik, houdt een gift in, jongen!
"an zes patrijzen." "Hoe!" juicht Tom,
"De vlugtelingen zijn weerom?
"Wat pak van 't hart! nu luid gezongen!
"Ik dwaas, toen 'k meende, dat een dief....
"Het doode wild vloog in den brief!"





JAN.


"Is niet mijn naam," sprak Jan, "de schoonste naam op aarde?
"Waar klinkt er een van hooger waarde?
1. "heeft hij geen Heilge tot Patroon?
"Droeg menig Jan geen Koningskroon?
2. "En liet niet de Amstelstad mijn' doopnaam door haar' toren,
"Voor zij dien toren had verloren,
"Tot boven in de wolken gloren?
"Omhoog, omlaag, ja van 't begin tot 's werelds end,
"Is overal mijn naam Bekend!"

Uw mond spreekt waarheid, Jan! den nijd ten spijt,
Uw grootsche naam klinkt wijd en zijd!
Doch 'k hoorde u lang de helft niet noemen,
Van de eer, waarop uw naam kan roemen.
Uw kieschheid wil zijn' lof verbloemen!
Uw onvolprezen naam, bevat
Een' schat voor zee, en dorp, en stad;
Ja, zoo eens de aarde uw' naam niet hadd';
Hoe zou het onze taal gelukken,
Door een woord, zoo veel uit te drukken?

_Het Jan en alleman_, bij voorbeeld, vindt
Gij dat het juiste woord niet, vrind!
Om rijp en groen,
Fatsoen en geen fatsoen,
Om vogels van allerlei zangen en veeren,
Als in een voliere te zien converseren?

Zoo is uw oordeel ook het teeken,
Waarmee wij van rapalje spreken,
Voorzeker duizendwerf gebleken,
Daar niets uw vlug begrip ontgaat,
_Jan rap en zijn maat_,
_Janhagel van straat_,
Geen naam, van welk een krachtgeluid,
Drukte immer zoo 't kanaljen uit!

En o! hoe vol beduidenis,
Uw naam op 't golvend zeeveld is!
Het zeeveld, waar de nijvre hand
Goud oogstte voor het Vaderland.
Wie onzer kent in ieder deel,
Niet _Janmaat_ van het zeekasteel?

Gij weet, wie men _Jan_ op het aangezigt leest?
't Is immers de knecht, de gedienstige geest?
Zijn naam is als knechtsnaam gepersonifieerd,
Geen knecht, die niet hoort, dien men Jan tituleert!

Er heerschte eens een groot Koning,
In 't fier Brittannisch rijk;
In magt en prachtvertooning,
Geen Sultan hem gelijk!
Maar wat den glans verhoogde
Der schitterende ster,
Waar 't meest de Vorst op boogde,
3. Hij heette _Jean sans Terre_!

Beeld der reinste huwlijkstrouw!
Hulp der liefderijkste vrouw!
Onvermoeide plasser!
Nooit zie ik mijn schoolprent aan,
Of mijn oog wijdt u een' traan,
Wakkre _Jan de wasscher_!

Schoon ook vol spijt op Neerlands roem,
Uitheemsche nijd, _Jan Kaas_ ons noem',
Wie immer zich deez' titel schaam',
Gij prijst dien zuivelrijken naam!

Wat gekwels, wat gekwels,
Voor de kindren Israels!
Als de schimp zich durft vermeten,
Honend, _Spek Jan_ hen te heeten,
Wetend, dat der Joden wet,
Hun dien vetten mond belet!

Hoe menig kransjen ik reeds vlocht,
'k Ben, vriend! nog lang niet uitverkocht,
Kom, nieuwe _Jannen_ opgezocht!

En zou ik dan _Jantje Contrairie_ niet melden?
In tegenspraak, zeker, de held aller helden!
Die nimmer, in wat gij beweren zult, treedt,
De wijsheid in pacht heeft, alleen het maar weet!

Zie, achter gindsche schuine deur,
Woont weer een _Jan_ van de eerste keur;
Of noemt de mond, van oud tot ouder,
Niet _Janoom_, d'eedlen lombardhouder?

Juich, weer hebt gij juichensstof,
Hecht aan de u geschonken' lof,
Vol van dank, uw zegel!
Zelfs een hof heeft zich vernoemd,
Naar uw' puiknaam zoo beroemd
't Hof is 't van _Jan Vlegel_!

Een Jan, wiens aard ik nooit ontdekken,
Wiens afkomst 'k nooit naar eisch vernam,
Komt weer mijn peinzende aandacht wekken,
_Klein Jantjen is 't van Amsterdam_!

Was hij een oude knaap,
Als Zandvoorts Simon Paap,
En daarom de Amstelstad,
Met regt op hem zoo prat?
Een prijsvraag dient geschreven,
om 't duistre licht te geven!

Ai, hoor mij dien razender driftkop eens woen!
"'k Zal daadlijk," dus gilt hij, "den snoodaard gaan vinden,
"Die zoo mij te lastren zich dorst onderwinden!
"'t Duel zal beslissen en eer geen verzoen."
Daar naakt zijn doodsvijand--wat lot zal hem beiden?
Bedaar slechts, 't loopt af met een _Jantje van Leiden_!

En koos niet zelfs Voltaire's luit,
Uw' naam voor duizend anderen uit,
En heeft zijn dichterlijke stift,
Voor tijdgenoot en nageslacht,
Niet schitterend uw' naam gegrift,
4. In _Jan die weent, en Jan die lacht_!

Speelt iemand een geklijken rol,
Van handel en wandel wat dol,
Uw naam biedt zijn beeld aan de lippen:
Zijn rede is dan, zegt men, op hol,
Hij schermt in het ronde, de bol,
_Als malle Jan onder de kippen_!

Ook leent ge uw' naam aan 't achtbaar wapen,
Dat strijdende voor pligt en eer,
Een' lauwerkrans drukt op de slapen,
Van wien het moedigst trekt van leer!
Dat lemmer forsch en breed,
Dat van geen zwichten weet,
Op wier het is gebeten,
Door zee-robs krijgstuigboek, met regt, _Kortjan_ geheeten!

Wat woelt en wat joelt de krioelende jeugd?
De blos van 't genoegen kleurt lagchend heer kaken!
Zij springen en dansen en dartlen van vreugd,
Ze hoores den Ronzebons fluitend genaken.
Zeg, maakt niet _Jan Klaassen_ de jeugd zoo verheugd?

Amsterdamsch Menagerie!
'k Denk aan u met zoet ontroeren;
Apentuin der tuinen, die
Ook den schoonsten naam mag voeren.
Wat zijt gij, _Artis_ van ons heden,
5. Bij _Blaauw Jan_ van het verleden?

Ook voor den man, die graag de broek
Verruilt voor vrouwliefs schorteldoek,
Voor keukenklouwers, die zich 't pottenschrappen wennen,
Klinkt weer uw puiknaam in _Janhennen_!

Nieuwe, flonkerende luister,
Is weer voor u opgedaagd!
Neerlands schrandre Pensionaris,
Droeg den naam, dien gij thans draagt;
Naam, als type van de staatkunst,
(Wondere karaktrestiek!)
Vele Jannen steeds gegeven,
Om hun fijne politiek!
Of, zijn het geen diplomaten,
Vol verstand, vol kern en pit,
Waar de lof van kan getuigen,
Jongens zijn 't van _Jan de Wit_?

Wat rare Jan treedt daar te voren?
Zijn phlegma schijnt hem aangeboren;
Nooit kon de drift zijn rust verstoren;
't Is hem hetzelfde hoe het gaat,
Neen, hij weet van den Prins geen kwaad!
Hij is wat lijmig in zijn' praat;
Een snuggre kop, die op hem staat!
Het is _Jan Salie_, kameraad!

Maar ook in 't zedelijk bestaan,
Hoort men uw' naam den grondtoon slaan
Of duidt hij niet den lichtmis aan,
Zoo goed als 't Fransche bon-vivant,
In 't enkel woordje, _'t is een Jan_!

"'k Zeg, langzaam gaat zeker!" roept _Jantje sekuur_!
Want langzaam en zeker is Jantje's natuur,
Zijn gansche bestaan door exactheid geteekend,
Heeft ieder bedrijf met een' passer berekend,
En wikkend en wegend met rijp overleg,
Betreden zijn schreden den veiligsten weg!
"Beloften," dus spreekt hij, "beloften verzwinden,
"'k Hecht steviger banden, die knellender binden,
"Al ware 't een Engel, 't moet zwart maar op wit;
"'k Erken geen contract, zoo ik dat niet bezit!"

Noem me op aarde een rijksgebied;
Waar men dezen Jan niet ziet?
Kijk, hij is een heele piet!
Schoon zijn boeltje liep in 't riet,
't Baart zijn' boezem geen verdriet,
"Borg maar!" is zijn daaglijksch lied,
Welke winkel kent u niet,
Welke winkel, _Jan Crediet_?

Wat onderwerp vol weidschen zwier,
Zet, zangster! uw gemoed in vier,
En boeit ons aan uwe elpen lier?
"Lof, driewerf lof, den _Jan pleizier_!
Dien snellen wagen,
Het welbehagen
Der oude dagen!
Die ook al verdween,
Door mode bestreen,
Maar toch om zijn' naam;
Nog leeft door de Faam!

Bij den Jan pleizier in aanzien,
Als bij d' edelman de boer,
Naakt het beeld des sjouwend' ezels,
Weer een wagen van vervoer,
't Is de _Malle Jan_, die kreunend,
Vracht, bij vracht, wordt opgetast,
Is dan Jan geen goeije slokker,
Die zich bukt voor zulk een' last!

Ei, zie eens, op mijne eer,
Dat 's eerst een proper Heer!
Gij vraagt: "wie hij mag wezen?"
't Is uit zijn oog te lezen!
Mij dunkt, zijn eernaam staat
In wat hij doet, of laat;
En 'k dacht, hij schoot uw zinnen,
Al reeds voor lang te binnen.
Hoe suft uw schrandre kop?
Hoor, volg deez' raad dan op:
Uw allerrapste looper,
Vlieg' naar den boekverkooper,
6. En vraag den _Jan Perfekt_!
Het raadsel is ontdekt.

Wiens naam geeft men genien milder,
Genien van het edelst soort?
Ook Neerlands kunsten kweekend oord,
Gaf hem zijn' snaaksten schilder!
Of zegt men niet met alle reen,
Van schalksche en oolijke aardigheen,
Ons onder 't lagchend oog getreen,
_Het is een stukje van Jan Steen_?

"Hoe 't valschheid misduid',
"Al kost het, verbruid!
"Ook haring of kuit,
"Mijn tong, wie haar stuit--"
Roept: _Jantje regt uit_!

En dichters van uw' naam, 'k zeg, dichters,
Wie noemt het tal dier gloriestichters?
Neen, evenmin m' in 't nachtlijk uur
De starren telt aan 't luchtazuur,
Zoo min telt m' ook de lichten, die
De _Jannen_ zijn der poezie.

En nu, vermoeid van al het Jannen,
Dien 'k eerst mijn kracht weer zaam te spannen,
Voor ik het verdre van mijn taak,
Door de allerschoonste kroon volmaak,
O! 'k heb nog _Jannen_ groot en klein,
Mijn vriend! in 't altoos vruchtbaar brein,
'k Moet eerst maar wat op adem komen,
En dan zij 't loflied weer vernomen
Van
_Jan_.

* * * * *

1. Sint Jan.

2. De Jan Roode-poortstoren, te Amsterdam, doch nu gesloopt.

3. Jean-sans-Terre, Koning van Engeland, in 1166 geboren, en Jan
zonder Land genaamd, omdat zijn vader, Hendrik de Tweede, hem geene
bezittingen naliet.

4. Dichtstuk van Voltaire.

5. Voorheen op den Kloveniers-Burgwal, te dier stede.

6. Een met lof bekende roman van dien naam.





DE TWEE HONDEN.


"Ei zeg, is dat nu reg?
"Mijnheer heeft zoo een' ekel
"Aan Lord, dien boozen rekel,"
Sprak Piet, de brave knecht,
"En toch, hij krijgt het meest!
"Gaan niet de lekkre beenen
"Altoos naar de ondeugd henen?
"Daar heb je Does, dat beest,
"De beste van de honden,
"Die ergens wordt gevonden,
"Die 't nimmer gortig maakt,
"Bij al die vette beten,
"Hoe trouw het dier ook waakt,
"Wordt Doesje maar vergeten.
"Dat 's onregt, op mijne eer!"

"Wel, domoor!" sprak mijnheer
Die Piet had afgeluisterd,
Hoe zacht hij had gefluisterd,
"Ik dacht je meerder leep!
"Zeg, voel je niet de kneep?
"Mijn beentjes te verspillen
"Aan Does, wat dwaze grillen,
"'k Zou hem niet trouwer willen;
"De lobbes hoeft ze niet!
"Maar Lord, die kwade rakker,
"Die valsche kuitepakker,
"Door kluifjes wordt hij makker,
"Ik vrees zijn tanden, Piet!"





DE VROME WERKBAAS.

(_Vertelling aan Frans._)


Gij weet, mijn baas is, Frans! een vroompje!
Zijne oefningsklub noemt hem het roompje
Der heiligste regtzinnigheid,
Wien lang de hemel is bereid!
Vaak spreekt hij in geheimenissen,
Waar 'k nooit de meening van kan gissen;
't Heeft wel iets van mystiekerij,
Hij noemt het echter profezij!
Eerst zocht zijn vroomheid me op te wekken,
Om mee naar de oefening te trekken;
Daar spraken ze allen, zei hij, Frans!
De ware tale Kanaans;
Daar riep de zuivre Dordsche leere:
"Bekeer, bekeer, u tot den Heere!
"Want wie niet Orthodoks wordt, is
"Een prooije der verdoemenis!"
"Daar kwamen al de nieuwgeboren',
"De van den Hemel uitverkoren',
"En laafde aan manna-spijs hun ziel,
"Zoo als er nooit voor Isrel viel,
"Die God het kuddeke verleende,
"Dat daar zich in den geest vereende!"

Hoe meer hij voortging met zijn preek,
Hoe meer 'k zijn oefening ontweek;
Want, vriendje! ik kan het niet verbloemen,
Dat staag verkettren en verdoemen,
Met al die duistre somberheid,
Die nooit verstaat hetgeen ze zeit,
Ik haat die leer met ziel en zinnen:
"De Godheid bovenal te minnen,
"Zijn naasten als zich zelv'--mijn vrind!
Die taal verstaat een grijze en kind!

Maar wacht nog wat en spits uwe ooren,
Want 'k moet u een geval doen hooren,
Hetgeen mij gistren is ontmoet,
En dat mij telkens lagchen doet:
Weet, sinds de baas zijne oefeningen
Mij vruchteloos zocht op te dringen,
Heb ik het ieder' keer verbruid,
Het mooije weer is met ons uit!
Ja, 't heeft er 's middags, onder 't eten,
Dan ongemaklijk opgezeten!
Mijn honger, kameraad! vergat,
Dat ik nog niet gebeden had;
Wat nooit mijne appetijt gebeurde,
Hoe lekker ook de schotel geurde.
Maar o, wat kwam ik slecht te pas!
Of mij de baas de les ook las!
Hij gaf me van de coteletten!
"Godlooze! is dat uw ziel besmetten,
"Steekt," riep hij, "eer ge uw' dank verkondt,
"Gij zelfs een kruimeltje in uw' mond,
"En vreest gij niet, dat 's Hemels wrake,
"Die kruimel tot een vuurvlam make,
"Die u nog eer den duivel geeft,
"Waar uw geheele ziel voor leeft?
"Leer, Heiden! leer het van de dieren,
"Wat dankbaarheid u moest bestieren,
"Zelfs voor den kleinsten waterdronk,
"Die u de milde gever schonk!"

Pages:
1 | 2 | 3 | 4
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.