A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Annual Bibliography of Commonwealth Literature 2007
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

Drie Vertellingen

G >> Gustave Flaubert >> Drie Vertellingen

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8



Hij was gehuld in een zwaren zwarten mantel, welks weefsel geheel
schuil ging onder kleurige ophechtsels. Hij droeg den baard
waaiervormig, had blanketsel op de kaken, en azuurpoeder in het haar,
dat omsloten werd door een diadeem van edelsteenen. Vitellius had
den purperen bandelier niet afgelegd, die schuin over de linnen toga
plooide.

Aulus had de mouwen van zijn paars-zijden met zilverdraad doorweven
opperkleed op den rug laten vastknoopen. Zijn tot rollen gekamde
haren waren trapsgewijze op zijn hoofd getast, en een halssnoer van
saffieren glinsterde op zijn borst, rond en blank als die eener vrouw.
Dicht naast hem zat een heel mooi knaapje neergehurkt op een mat. Het
glimlachte aldoor. Aulus die het straks in de keukens voor 't eerst
had gezien, kon niet meer buiten hem, en daar hij moeielijk zijn
Chaldeeuwschen naam kon onthouden, noemde hij hem eenvoudig-weg "den
Aziaat". Van tijd tot tijd strekte Aulus zich in zijn volle lengte uit
op het triclinium. Dan zagen de mede-aanliggenden tegen zijn naakte
voetzolen op.

Aan dat tafeleinde waren de priesters en Antipas' officieren
geplaatst, de oppersten uit de Grieksche steden; aan des Proconsuls
zijde: Marcellus met de tollenaars, vrienden van den Viervorst,
aanzienlijke lieden uit Cana, uit Ptolemaide en Jericho, dan in bonte
rijen: bergbewoners van den Libanon en de oude soldaten van Herodes:
twaalf Thraciers, een Gallier, twee Germanen, gazellen-jagers,
Idumeesche herders, de sultan van Palmyra, zeelieden van Eziongaber.
Ieder had een weeken deeg-koek voor zich om de vingers af te wisschen,
en de armen, die zich als gieren-halzen rekten, namen olijven,
pistaches en amandelen. Aller aangezicht glansde blij onder een krans
van bloemen.

De Farizeers hadden hun kransen weggestooten als een Romeinsche
onbetamelijkheid. En ze huiverden wanneer men ook hen met galbanum
en rosmarijn besproeide, een mengsel dat uitsluitend gebruikt mocht
worden in den Tempel.

Aulus wreef er zich de oksels mede, en Antipas beloofde hem er een
heele lading van, met drie zakken vol van dien onvervalschten balsem,
die Cleopatra's begeerte naar het bezit van Palestina had opgewekt.

Een hoofdman van zijn Tiberiaansch garnizoen, kwam tot achter zijn
ligbed getreden, om hem over buitengewone gebeurtenissen te spreken.
Maar zijn aandacht werd verdeeld tusschen den Proconsul en de
gesprekken aan de nabije tafels.

Men praatte daar over Jaokanann en lieden van zijn soort; Simon van
Gittoi louterde de zondaars met vuur. Een zekere Jezus...

"De ergste van allen," riep Eleazar uit "wat een lage goochelaar!"
Achter den Viervorst richtte een man zich op, bleek als de rand van
zijn chlamys. Hij daalde van de estrade, den Farizeers toeroepend:
"Leugens! Jezus doet wonderen!"

Antipas zou er willen zien.

"Ge had hem mede moeten brengen! Vertel ons eens alles over hem!"

Toen verhaalde hij, dat hij-zelf, Jacob, zich naar Capharnauem begeven
had toen zijn dochtertje ziek lag, om den Meester te vragen haar te
genezen.

De Meester had geantwoord: "Keer terug naar uwe woning, uw dochtertje
is genezen!" En hij had haar op den drempel gevonden, opgestaan
van haar sponde, toen de zonne-wijzer van het paleis het derde uur
aanwees, het eigen oogenblik, waarop hij Jezus had aangesproken.

"Natuurlijk," wierpen de Farizeers hem tegen, "er bestaan zekere
praktijken en geneeskrachtige kruiden. Hier op de eigen plek, te
Machaerous, vond men wel de baaeras, die onkwetsbaar maakt. Maar
genezen zonder zien of aanraken, was een onmogelijkheid, zoo Jezus ten
minste niet de booze geesten tot handlangers had.

En de vrienden van Antipas, de oppersten van Galilea, herhaalden
hoofdschuddend:

"De booze geesten,--dat is klaarblijkelijk!"

Jacob, die tusschen hun tafels en die der priesters stond, bleef
hooghartig maar zachtmoedig zwijgen. Ze vorderden hem tot spreken op:

"Rechtvaardig zijn macht!"

Hij boog zich wat voorover en met gedempte stem begon hij langzaam als
verschrikt door zijn eigen woorden:

"Weet ge dan niet, dat hij de Messias is?" Alle priesters blikten
elkaar aan, en Vitellius vroeg uitleg van het woord. Zijn tolk draalde
een wijle met antwoorden.

Ze noemden zoo een verlosser, die het volle bezit van alle goed en de
onderwerping van alle volkeren zou brengen. Eenigen zelfs beweerden
dat men op twee zulken moest rekenen. De eerste zou door Gog en Magog,
de booze geesten van het Noorden, overwonnen worden; maar de tweede
zou den vorst van het kwade verdelgen; en sinds eeuwen wachtten zij
hem ieder oogenblik.

Toen de priesters beraadslaagd hadden, nam Eleazar het woord.
Vooreerst zou de Messias de zoon van David zijn, en niet die van een
timmerman; hij zou de wet bevestigen. Die Nazarener schond ze. En wat
nog sterker bewijs was, de komst van Elias moest aan hem voorafgaan.

Jacob antwoordde: "Elias! maar die is reeds gekomen!"

"Elias! Elias!" herhaalde de menigte, tot in het andere einde der
zaal. In hun verbeelding zagen allen een grijsaard oprijzen, een
vlucht raven streek om zijn hoofd. Een bliksemschicht zette een altaar
in vlammen; afgodendienaars werden meegesleept door een stroom. De
vrouwen op de galerijen dachten aan de weduwe van Sarepta.

Jacob werd niet moede te herhalen, dat hij hem kende! Hij zelf had hem
gezien! en het volk ook had hem gezien!

"Zijn naam?"

Toen riep hij zoo luid hij vermocht: "Jaokanann!"

Antipas viel achterover als door een stoot midden in het hart. De
Sadduceers hadden zich op Jacob gestort. Eleazar begon een redevoering
om gehoor te krijgen.

Toen de stilte gezonken was, plooide hij zijn mantel terecht, en
stelde als een rechter zijn vragen:

"Daar de Profeet dood is..."

Gemompel onderbrak hem. Men geloofde dat Elias slechts tijdelijk ten
hemel opgenomen was.

Eleazar toornde tegen de menigte, en zette zijn ondervraging voort:

"Meent ge, dat hij verrezen is?

"Waarom niet?" zei Jacob.

De Sadduceers haalden de schouders op. Jonathas sperde zijn oogjes
wijd open en deed moeite om als een nar te lachen:

"Niets dwazer dan de aanspraak van het lichaam op de
onsterfelijkheid;" en, voor den Proconsul, haalde hij een vers aan van
een toenmalig dichter:

Nec crescit, nec post mortem durare videtur.

Maar Aulus had zich over den rand van het ligbed heengebogen, het
zweet stond hem op het voorhoofd, zijn gelaat was groen, de vuisten
drukte hij tegen de maag.

De Sadduceers veinsden groote ontroering; (den volgenden dag kregen
ze de offer-waardigheid terug), Antipas deed alsof hij wanhopig was;
Vitellius leek onbewogen. Toch doorstond hij groote angsten; met zijn
zoon immers zou hij zijn schoone kans verliezen. Nauwelijks had Aulus
met braken opgehouden, of hij wilde weer aan 't eten.

"Laat ze me raspsel van marmer geven, aardolie van Naxos, zeewater, of
wat dan ook! Als ik eens een bad nam?"

Hij kauwde sneeuw, weifelde voor een schotel rose merels, en nam ten
laatste honingpompoenen. De kleine Aziaat zag bewonderend naar hem op;
die zwelgers-aanleg verried een wonderbaar en bovenaardsch wezen.

Men diende stier-nieren op, marmotten, nachtegalen, gehakt vleesch in
wingerdbladeren; en de priesters redetwistten over de verrijzenis.
Ammonius, leerling van den Platonicus Philon, vond dat ze dwazen
waren, en zei het tot eenige Grieken die over de orakels lachten.
Marcellus en Jacob hadden elkaars gezelschap gezocht. De eerste
verhaalde aan den tweede over zijn geluk bij het doopsel van Mithra,
en Jacob ried hem Jezus te volgen.

Wijn uit palmsap en tamariskenschors getrokken, wijnen van Safet en
Byblos stroomden uit de amphoren in de mengvaten, uit de mengvaten in
de drinkschalen, uit de drinkschalen de kelen in.

Er werd druk gepraat, en de harten begonnen zich te openen.

Jacim was een Jood, maar hij hield het niet langer geheim dat hij de
sterren aanbad. Een koopman uit Aphaka verblufte de nomaden door
hun de wonderen van den tempel van Hierapolis, in de kleinste
bijzonderheden, voor oogen te tooveren. Ze vroegen hem hoeveel een
beevaart daar heen zou kosten. Anderen hielden het bij den godsdienst
waarin ze geboren waren. Een bijna blinde Germaan zong een hymne ter
eere van dat Scandinavische voorgebergte, waar de goden verschijnen
omstraald door den glans van hun aangezicht, en lieden van Sichem aten
geen tortels uit eerbied voor de duif Azima. Verschillende gasten
stonden midden in de zaal te praten, en hun adem wademde, met den rook
der luchters, als een nevel in de ruimte. Phanuel kwam langs de muren
gegleden. Nogmaals had hij zooeven het uitspansel bestudeerd, maar
hij durfde den Viervorst niet naderen, bang voor olievlekken, die de
Esseers als een groote smet beschouwden.

Er vielen slagen op de burchtpoort.

Men wist thans dat Jaokanann hier gevangen werd gehouden. Mannen met
flambouwen klommen het bergpad op, een zwarte menigte krioelde in het
ravijn, en van tijd tot tijd schreeuwden ze daar:

"Jaokanann! Jaokanann!"

"Alles brengt hij in de war!" zei Jonathas.

"Als hij doorgaat, krijgt het rijk geen geld meer!" voegden de
Farizeers er aan toe.

De verwijten kwamen los: "Bescherm ons!"

"Laat ze ophouden!"

"Ge zijt een afvallige!"

"Goddeloos als Herodes en de zijnen!"

"Minder goddeloos dan gij!" antwoordde Antipas. "Mijn vader was het,
die uw tempel bouwde!"

Toen begonnen de Farizeers, de zonen der bannelingen, aanhangers van
Matathias, den Viervorst te beschuldigen van de misdaden, door zijn
verwanten bedreven.

Ze hadden spitse schedels, een stekeligen baard, slappe en boosaardige
handen, of wel een plat gelaat, dog-achtig, met groote ronde oogen.
Een twaalftal schriftgeleerden en tempeldienaars, gevoed door den
afval der offeranden, sprongen op de estrade aan, en dreigden Antipas
met messen. Hij sprak hen toe, terwijl de Sadduceers hem zwak
verdedigden. Hij zag Mannaei wel, maar gaf hem een teeken liever maar
weer heen te gaan, daar Vitellius door zijn houding deed uitkomen, dat
de dingen hem niet aangingen.

De Farizeers, die nog op hun ligbedden gebleven waren, raasden in
duivelsche woede, ze sloegen de schotels stuk die voor hen stonden.
Men had hun Mecena's geliefkoosd gerecht opgediend, vleesch van den
woudezel, een onreine spijze.

Aulus dreef den spot over den ezelskop, dien zij, volgens de verhalen,
zouden vereeren, en verkocht ook geestigheden over hun weerzin tegen
varkens. Zeker was die haat ontstaan omdat dit vette beest hun Bacchus
gedood had, en daar men in den tempel een gouden wijnstok ontdekt had,
hielden ze zooveel van wijn!

De priesters begrepen zijn woorden niet. Phineas, een Galileer van
afkomst, wilde ze niet vertolken. Toen kende de toorn van Aulus geen
grenzen meer, te erger omdat de kleine Aziaat, door vrees bevangen
verdwenen was; en het maal stond hem niet aan, de spijzen waren te
alledaagsch, niet kunstig genoeg verwerkt! Hij kwam tot kalmte, toen
hij staarten van Syrische schapen zag opdragen, louter rollen van vet.

De aard der Joden leek Vitellius een gruwel. Moloch, wien hij langs
den weg altaren had zien opgericht, kon best hun god zijn; en het viel
hem te binnen, hoe ze den naam hadden kinderen ten offer te brengen.
Ook de geschiedenis van den man, dien ze op geheimzinnige wijze zouden
vetmesten, kwam hem in de gedachten. Hij, de Latijn, voelde zijn hart
walgen van hun onverdraagzaamheid, hun beelden-vernielende furie, hun
afstuitende ruwheid.

De Proconsul wilde heengaan. Aulus weigerde hem te vergezellen.

Hij lag achter een hoop etenswaren, te verzadigd om er nog van te
gebruiken, maar te koppig om ze in den steek te laten.

De opwinding van het volk werd steeds grooter. Ze gingen op in plannen
voor hun onafhankelijkheid. De herinnering aan Israels glorie werd
opgeroepen. Alle veroveraars hadden ze afgeslagen: Antigonus, Crassus,
Varus...

"Ellendelingen!" zei de Proconsul. Want wel verstond hij de Syrische
taal: zijn tolk diende slechts om hem tijd tot antwoorden te laten.

Antipas trok haastig de medaille van den Keizer te voorschijn, en,
bevend hem bespiedend, hief hij haar op, den beeldenaar naar hem
toewendend.

Daar plotseling werden de vleugels der gouden galerij opengeworpen; en
in den luister der toortsen, tusschen haar slaven die festoenen van
anemonen droegen, trad Herodias te voorschijn,--een Assyrische
mijter stond, met een kinneband, op haar hoofd bevestigd; haar
spiraal-vormige lokken hingen over een scharlaken peplum, waaruit door
wijde armsgaten de mouwen plooiden. Twee steenen monsters, gelijk aan
die bij den schat der Atriden, stonden tegen de deurposten opgesteld,
en ze geleek op Cybele tusschen haar leeuwen. Hoog van de balustrade
boven Antipas' hoofd, de offerschaal op de handen, riep ze: "Dat Cesar
leve!"

Die hulde werd herhaald door Vitellius, Antipas en de priesters.
Maar uit de diepte der zaal drong een gemompel aan van verrassing en
bewondering. Een jong meisje was zooeven binnengekomen.

Onder een blauwachtigen sluier, die haar de borst en het
hoofd verhulde, onderscheidde men den boog harer oogen, de
chalcedoon-steenen in haar ooren, de blankheid harer huid. Een lap
van weerschijnende zijde bedekte haar schouders en was op de
heupen bevestigd door een fijn-gesmeden gouden gordel. Haar zwarte
beenbekleedsels waren met mandragoren bezaaid, en als voor evenveel
liet ze haar muiltjes van colibri-dons over den grond klapperen.

Op de estrade gekomen wierp ze haar sluier af: het scheen Herodias,
zooals die was in haar jeugd. Ze begon te dansen.

Haar voeten hieven zich, de een voor den ander, op het rhythme van een
fluit en een paar ratels. Haar gebogen armen riepen iemand, die altijd
weer vluchtte. Lichter dan een vlinder achtervolgde ze hem, als een
nieuwsgierige Psyche, als een zwervende geest, en ze scheen gereed om
weg te vliegen.

De rouwklanken van den gingras vervingen de ratels. Neerslachtigheid
had de hoop vervangen. Haar gebaren werden als verzuchtingen, en in
geheel haar wezen lag zulk een smachtend verlangen, dat men niet weten
kon of ze een god beweende of duizelde in een droom van liefde.

Met half-geloken wimpers boog ze en wiegde ze zich met deinende
golvingen, haar boezem trilde, haar gelaat bleef onbewogen en haar
voeten hielden niet stil. Vitellius vergeleek haar bij Mnester.

Aulus braakte nog altijd.

De Viervorst zat in een droom verloren en dacht niet meer aan
Herodias. Toen hij haar meende te zien, in de nabijheid der
Sadduceers, verzwond zijn visioen.

Het was geen visioen.

Ver van Machaerous had ze Salome, haar dochter,--die de Viervorst
eenmaal lief moest hebben,--laten opvoeden. En het was een goede
toeleg geweest. Thans wist ze het zeker!

Nu werd het de vervoering der liefde die bevrediging zoekt. Ze danste
zooals de Indische priesteressen, gelijk de Nubische vrouwen die bij
de watervallen wonen, als de bacchanten van Lydie. Ze wierp zich naar
alle zijden om, gelijk een bloem, die door den storm wordt bewogen. De
schitter-steenen in haar ooren dansten mede, de glanzende kleuren der
zijden stoffe, die haar rug verhulde, wisselden; uit haar armen, haar
voeten, uit haar gewaad, sprongen onzichtbare vonken, die het hart
der mannen deden ontvlammen. Een harp zong; de menigte jubelde ze
na, ontsteld van bewondering, zoowel de nomaden, die aan versterving
gewoon waren, als de Romeinsche soldaten zoo deskundig in
uitspattingen, de gierige tollenaars en de oude priesters verbitterd
door 't levenslang redetwisten.

Zonder de knieen te buigen bukte ze zich zoo diep dat haar kin den
vloer raakte. Vervolgens wentelde ze om Antipas' tafel heen in dolle
vaart, wervelend als de draaischijf der tooverkollen, en met een stem,
door snikken van wellust onderbroken, riep hij haar toe:

"Kom! Kom!" Ze wendde en wentelde al voort; zoo luid klonken de
tympans alsof ze scheuren zouden, de menigte joelde. Maar nog luider
riep de Viervorst: "Kom! Kom! Capharnauem zult ge hebben, de vlakte van
Tiberias! mijn burchten! de helft van mijn koninkrijk!" Ze wierp zich
op de handen, de hielen omhoog, liep zoo als een groote tor de estrade
over, en hield plotseling stil.

Haar nek en haar rug vormden een rechten hoek. De kleurige schachten
die haar beenen omsloten, rondden als regenbogen boven haar schouders
uit, en gingen, een armlengte hoog van den bodem, met haar gelaat in
eene richting mede. Haar lippen waren gekleurd, haar wenkbrauwen zeer
zwart, haar oogen bijna verschrikkelijk, en de zweetparels op haar
gelaat schenen een dauw over wit marmer.

Ze sprak niet. Ze zagen elkaar aan.

Een vinger-klap klonk van de tribune. Ze klom daarheen, kwam weer te
voorschijn, en met eene wat lispelende stem zei ze kinderlijk:

"Ik wil, dat ge me op een schotel, het hoofd geeft van..." Ze was
den naam vergeten, maar met een glimlach hernam ze: "het hoofd van
Jaokanann!"

De Viervorst zakte ineen van ontzetting.

Zijn woord moest hij gestand doen, en het volk wachtte.

Maar zoo de dood, die voorspeld was, een ander werd aangedaan,--zou
de zijne dan niet afgewend worden?

Indien Jaokanann wezenlijk Elias was, kon hij zelf er zich aan
onttrekken, zoo niet dan beduidde de moord niet veel! Mannaei stond
naast hem en begreep zijn bedoeling.

Vitellius riep hem terug om hem het wachtwoord te geven, daar er
soldaten bij het kerkerhol stonden opgesteld.

Het was een verademing: binnen een oogenblik zou alles gedaan zijn.

Maar het werk ging Mannaei niet vlug van de hand.

Ontdaan kwam hij weer binnen.

Sinds veertig jaar oefende hij het beuls-bedrijf uit. Hij was het
die Aristobulos verdronken had, Alexander gewurgd, Matathias levend
verbrand, die Zosima, Pappus, Josephus en Antipater onthoofd had; en
Jaokanann durfde hij niet dooden! Hij klappertandde, en rilde over
zijn geheele lichaam.

Voor den kerker-kuil had hij den grooten Engel der Samaritanen zien
staan geheel met oogen overdekt, zwaaiend met een reusachtig zwaard,
rood en gekarteld als een vuurvlam.

De twee wachten tot getuigen meegebracht, zouden het staven.

Ze hadden niets gezien, dan alleen een Joodschen legerhoofdman, die
zich op hen gestort had, en die thans niet meer tot de levenden
behoorde.

De toorn van Herodias barstte los in een stortvloed van platte en
bloeddorstige verwenschingen. Ze scheurde zich de nagels aan de
tralies der tribune, en de twee gebeeldhouwde leeuwen leken in haar
schouders te bijten en te brullen als zij.

Antipas schreeuwde, de priesters, de soldaten, de Farizeers, allen
riepen ze om wraak en ook de anderen, verontwaardigd dat men hen op
dat nieuwe tijdverdrijf liet wachten.

Mannaei ging heen met bedekt gelaat.

Den gasten viel de tijd nog langer dan eerst. Ze verveelden zich.

Eensklaps klonken er voetstappen op in de gangen. Het weee ongeduld
werd onhoudbaar!

Het hoofd kwam.

Mannaei hield het bij de haren aan zijn gestrekten arm, trotsch op het
gejubel.

Hij legde het op een schotel en bood het Salome aan.

Snel klom ze de tribune op. Na een lange pooze werd het hoofd
teruggebracht door de oude vrouw, die de Viervorst's morgens was
gewaar geworden op het platform van een huis, en straks in Herodias'
kamer.

Hij deinsde terug om het niet te zien. Vitellius wierp er een
onverschilligen blik op.

Mannaei daalde van de estrade af, en toonde het aan de Romeinsche
hoofdlieden, die langs deze zijde aanzaten.

Ze bekeken het met onderzoekende blikken.

De scherpe snede van den bijl had het van boven naar beneden gekloofd,
en de kaak gespleten. Een stuiptrekking trok de mondhoeken neer.
Stollend bloed vlekte den baard. De gesloten oogleden waren bleek als
schelpen; rondom straalden de luchters. Het hoofd kwam bij de tafel
der priesters. Een Farizeer keerde het nieuwsgierig om en om, en
Mannaei zette het weer stevig recht en plaatste het voor Aulus, die
er door ontwaakte. Tusschen hun even open wimpers schenen de doode
oogappels en de verwaterde oogappels elkaar iets te zeggen.

Toen bood Mannaei het Antipas aan. Tranen stroomden den Viervorst over
de wangen.

De toortsen smeulden uit. De gasten vertrokken, en niemand bleef er in
de zaal dan Antipas, die met de handen tegen de slapen staag naar
het afgehouwen hoofd zat te staren, terwijl Phanuel, halverwegen het
groote middenschip, met uitgestrekte armen gebeden stond te prevelen.

In het uur van zonsopgang, kwamen de twee mannen, die laatst door
Jaokanann uitgezonden waren, met het lang verhoopte antwoord.

Ze vertrouwden het Phanuel toe, die het in zielsvervoering aanhoorde.

Toen toonde hij hun het gruwelijk voorwerp op den schotel, tusschen de
resten van het feestmaal.

Een der mannen zeide:

"Troost u! Hij is nedergedaald tot de dooden, om Christus te
verkondigen!"

Thans begreep de Esseer de woorden: "Hij moet grooter, maar ik kleiner
worden!"

En het hoofd van Jaokanann met zich nemend, gingen ze met hun drieen
den kant van Galilea uit.

Daar het zeer zwaar was, droeg ieder het op zijn beurt.








Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.