A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Annual Bibliography of Commonwealth Literature 2007
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

Drie Vertellingen

G >> Gustave Flaubert >> Drie Vertellingen

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8



De Viervorst had zich aan de knieen van den Proconsul neergeworpen,
bejammerend, naar hij zeide, niet vroeger de gunst van zijn komst te
hebben vernomen, anders zou hij zich beijverd hebben dat er op de
wegen alles geweest ware, wat een Vitellius toekwam! Het geslacht
Vitellius immers stamde af van de godin Vitellia. Een weg, die van den
Janiculus naar zee leidde, droeg nog hun naam. Ontelbare keeren
was aan de hunnen het quaestor-schap of het consulaat toevertrouwd
geweest; en wat Lucius aanging, die thans zijn gast was, hem was men
grooten dank verschuldigd als overwinnaar der Cliten, en als vader van
den jongen Aulus, die hier in zijn eigen rijk scheen terug te keeren:
want was het Oosten niet het vaderland der goden?

Deze hyperbolen werden in 't Latijn uitgesproken. Vitellius hoorde ze
onbewogen aan. Hij antwoordde dat Herodes de Groote volstond voor den
roem eener natie. Hem hadden de Atheners het oppertoezicht gegeven
over de Olympische spelen. Tempels had hij gebouwd, Augustus ter eere,
geduldig, vindingrijk en onverzettelijk was hij geweest, en altijd den
Cesar getrouw.

Tusschen de zuilen met koperen kapiteelen zag men Herodias te
voorschijn treden, fier als een keizerin, te midden harer vrouwen en
eunuchen, die op vergulde schotels brandende reukwerken droegen.

De Proconsul trad haar drie schreden te gemoet, en toen hij haar met
een hoofdbuiging begroet had, riep zij uit:

"Welk een geluk, dat het Agrippa, den vijand van Tiberius, voortaan
onmogelijk is, kwaad te stichten!"

Vitellius wist niets van het gebeurde, en het leek hem gevaarlijk.
Toen Antipas onder eeden begon te verzekeren, alles voor den Keizer
veil te hebben, voegde Vitellius er aan toe:

"Zelfs ten koste van anderen?" Hij, Vitellius, had eens losgeld geind
van den koning der Parthen, en de Keizer dacht er niet verder aan.
Maar Antipas, die met hem aan een zelfde vergadering deelnam, begon er
dadelijk ruchtbaarheid aan te geven. Vandaar een diepe wrok, en het
getalm met den bijstand.

De Viervorst stotterde iets. Maar Aulus kwam er lachend tusschen:

"Wees maar bedaard, ik zal je beschermen!"

De Proconsul deed, alsof hij 't niet hoorde.

Het welslagen des vaders hing af van de verdorvenheid van den zoon; en
die bloem van Capri's slijk gaf hem zulke aanzienlijke voordeelen, dat
hij haar met zorgen omringde, hoe hij haar overigens ook wantrouwde om
haar vergiftigheid.

Er ontstond gedruisch bij de poort. Men leidde een rij witte
muildieren binnen, waarop mannen zaten in priestergewaad. Het waren
Sadduceers en Farizeers, die door eenzelfde eerzucht naar Machaerous
gedreven werden, de eersten om de waardigheid van offerpriester te
erlangen, de anderen om die waardigheid te behouden. Hun gelaat stond
somber, vooral dat der Farizeers, want ze waren Rome en den Viervorst
zeer vijandig gezind. De slippen van hun opperkleed hinderden hen
in het gedrang, en de tiara waggelde hun op het voorhoofd, boven de
perkamenten letterbanden.

Bijna tegelijkertijd kwamen de soldaten der voorhoede aanrukken. Ze
hadden hun schilden, om ze te beschutten tegen het stof, in hoezen
gehuld.

Achter hen volgde Marcellus, luitenant van den Proconsul, met
verschillende tollenaars die houten schrijftabula's onder den arm
droegen. Antipas noemde de voornaamsten zijner hofhouding: Tolmai,
Kanthera, Sehon, Amonius van Alexandrie, die aardpek voor hem
aankocht, Naaman, hoofdman zijner lichte troepen, Jacim den
Babylonier.

Vitellius had Mannaei opgemerkt.

"Wie is die man?"

De Viervorst gaf door een gebaar te kennen, dat het de beul was.

Toen stelde hij de Sadduceers voor.

Jonathas, klein van gestalte en los van beweging, smeekte den
meester, in 't Grieksch, hen in Jeruzalem met een bezoek te vereeren.
Waarschijnlijk zou Vitellius aan die bede gehoor geven.

Eleazar met zijn krommen neus en zijn langen baard, eischte voor de
Farizeers den mantel van den Hoogepriester op, dien het burgerlijk
bestuur binnen den toren Antonia in beslag hield.

Vervolgens klaagden de Galileers Pontius-Pilatus aan. Om wille van een
bezetene, die Davids gouden kannen zocht in een hol dicht bij Samaria,
had hij verscheidene landslieden gedood. Ze spraken allen gelijk,
Mannaei nog heftiger dan de anderen. Vitellius verzekerde dat de
misdadigers zouden gestraft worden.

Er ging geschreeuw op bij een poortnis, waar de soldaten hun schilden
hadden opgehangen. De hoezen waren losgeraakt, en men zag op de
schildknoppen Cesars beeltenis.

Voor de Joden was dit afgoderij.

Antipas sprak hun toe. En, van zijn verhoogden zetel tusschen de
zuilen, zag Vitellius verwonderd hun gramstorigheid aan. Wel had
Tiberius gelijk gehad, vierhonderd van dezen naar Sardinie te
verbannen! Maar in hun eigen land waren ze machtig, en hij gaf bevel
de schilden weg te nemen.

Toen drongen ze om den Proconsul heen, rechtvaardiging afsmeekend,
privileges en giften. Dringend en duwend scheurden ze elkaar de
kleederen van 't lijf, en om ruimte te maken, stonden slaven met hun
stokken naar rechts en links te slaan. Zij, die het dichtst bij de
poort stonden, werden langs het voetpad teruggedrongen, anderen kwamen
dat pad opklimmen, en moesten wijken; twee stroomen stuwden tegen
elkaar in, en die ontzaglijke menschenmenigte saamgehoopt binnen de
omwalling, deinde als een woelige zee heen en weer.

Vitellius vroeg waarvandaan die toevloed van menschen.

Toen verklaarde Antipas hem de oorzaak: zijn geboortefeest. En hij
wees de lieden aan, een groot aantal van zijn dienaren, die, over de
borstwering heengebogen, reusachtige manden ophaalden, gevuld met
vruchten en groenten, met antilopen, reigers en groote azuurkleurige
visschen met druiven, meloenen en tot pyramiden opgetaste
granaatappels.

Aulus kon het niet lijdelijk meer aanzien. Hij haastte zich naar de
keukens, gedreven door die gulzigheid, waardoor hij eenmaal de wereld
zou verbazen.

Langs een der kelders gaande zag hij vleeschketels, die wel pantsers
geleken. Ook Vitellius kwam er naar kijken; en hij gebood, dat men hem
de krochten van het fort zou ontsluiten.

Ze waren hoog gewelfd in de rots uitgehouwen, en werden van afstand
tot afstand door pijlers geschraagd.

De eerste bevatte oude harnassen, maar de tweede was overvol van
speren, die dreigend haar punt uit een bos van pluimen opstaken. De
muren der derde schenen wel met rietmatten bedekt, zooveel pijlen
hingen er loodrecht naast elkaar. Lemmers van kromzwaarden verborgen
de wanden der vierde krocht. In het midden der vijfde leek een leger
van roode slangen te kruipen: het waren lange rijen helmen met kammen
van scharlaat.

In de zesde: niets dan pijlenkokers, in de zevende beenplaten, in de
achtste armstukken, in de vele die nog volgden: gaffels, enterhaken,
ladders en touwwerk, tot staken voor catapulten, tot rinkelbellen voor
het borsttuig der dromedarissen toe.

Wijl de berg naar zijn voet zich steeds verbreedde, en in zijn
binnenste uitgehold was als een bijenkorf, bevonden er zich onder deze
vertrekken weer andere, talrijker en nog dieper.

Vitellius, Phineus zijn tolk, en Sisenna hoofd der tollenaars,
doorschreden ze bij het licht der door eunuchen gedragen flambouwen.
Uit het duister doemden de afgrijselijkste dingen op die de barbaren
ooit uitvonden; knotsen met stekels van spijker-punten, werpschichten
die vergift in de wonden brachten, tangen gruwbaar als de muil van
krokodillen, kortom: de Viervorst bezat binnen Machaerous oorlogstuig
voor wel veertig-duizend manschappen.

Hij had dat verzameld met het oog op een verbond tusschen zijn
vijanden. Maar de Proconsul zou kunnen meenen, of zeggen, dat het
dienen moest om de Romeinen te bestrijden, en daarom zocht Antipas
verklaringen te geven:

Het behoorde hem niet toe; veel ervan diende tot verweer tegen de
rooverbenden; daarenboven was er zoo iets noodig tegen de Arabieren,
of wel: dit alles was het bezit geweest van zijn vader. En, in plaats
van achter den Consul aan te schrijden, ging hij hem met haastige
stappen voor. Toen bleef hij staan tegen een muur, wel zorgend ze te
bedekken met zijn toga, de ellebogen ver van 't lichaam af. Maar de
kroonlijst van een deur stak boven zijn hoofd uit. Vitellius werd dat
gewaar en wilde weten wat die deur verborg.

Alleen de Babylonier kon haar openen.

"Roep den Babylonier."

Men wachtte.

Zijn vader was zich, met vijfhonderd ruiters, van den oever van den
Euphraat, bij Herodes den Grooten komen aanbieden, om de oostergrenzen
te verdedigen. Na de verdeeling van het rijk was Jacim bij Philippus
gebleven, en thans diende hij Antipas, Hij trad voor met een boog over
den schouder, een zweep in de hand. Bonte koorden waren vast om zijn
verwrongen beenen gesnoerd. Zijn zware armen staken uit een overkleed
zonder mouwen, een muts van dierenpels overschaduwde zijn gelaat met
den in ringen gekrulden baard.

In 't begin veinsde hij den tolk niet te verstaan. Maar Vitellius
wierp een scherpen blik op Antipas, die het bevel onmiddellijk
herhaalde.

Toen duwde Jacim zijn beide handen tegen de deur, en ze gleed weg in
den muur.

Een warme wadem sloeg hun uit de duisternissen tegen.

Met breede bochten daalde daar een weg omlaag. Ze volgden dien en
kwamen op den drempel eener grot, die veel grooter was dan de andere
krochten.

Achter de boog-opening in de verste diepte lag de afgrond, die aan
deze zijde de citadel tot verdediging strekte. Een kamperfoeliestruik
die zich vasthechtte aan het gewelf liet zijn bloemen in het volle
licht neertrossen. Langs den grond liep een ijle water-ader, lichtend
en murmelend.

Witte paarden stonden daar. Het waren er wel honderd. Ze aten gerst
van een plank, die ter hoogte van hun bek was aangebracht. Hun manen
waren blauw geschilderd, en de hoeven staken in wanten van fijn
vlechtwerk. Tusschen de ooren bolde als een pruik een bos van hun
blesharen op. Met den zeer langen staart sloegen ze zich streelerig
langs de kniebogen.

De Proconsul was stil van bewondering.

Het waren wonderschoone dieren, lenig als slangen, licht als vogels.
Ze vlogen weg met de pijlen van hun berijder, wierpen den vijand omver
en beten hem in het onderlijf, vonden zonder struikelen een uitweg
tusschen de rotsblokken, sprongen over afgronden heen, en hielden heel
den dag hun dollen draf door de vlakten vol; een woord echter deed hen
stilstaan. Toen Jacim binnentrad kwamen ze naar hem toe, als schapen
naar hun herder; ze strekten den hals en zagen hem met hun kinderoogen
onrustig aan. Uit gewoonte stiet hij diep uit zijn keel een rauwen
schreeuw uit, die hen ineens opmonterde. Ze steigerden ongeduldig,
hunkerend naar ruimte, en smachtend om weg te rennen.

Alleen uit vrees dat Vitellius hem er van berooven zou, had Antipas ze
gevangen gezet in deze grot, die uitsluitend diende tot berging van
dieren in tijd van oorlog.

"'t Is een slechte stalling hier," zei de Proconsul, "en ge loopt
gevaar dat ze omkomen! Maak de schatting op, Sisenna".

De tollenaar haalde het schrijfplankje uit zijn gordel, telde de
paarden en schreef ze in.

Het was de gewoonte der belastinggaarders de landvoogden ertoe te
brengen hun gewesten uit te plunderen. Deze snuffelde overal met zijn
wezel-snuit, en zijn oogleden knipten.

Eindelijk steeg men weer terug naar het binnenplein.

Ronde bronzen platen midden in het plaveisel bedekten van afstand tot
afstand de putten. Sisenna bekeek een dezer deksels nauwlettender dan
de andere, het was grooter en gaf een doffen klank onder zijn
voeten. Nog eens ging hij de overige bekloppen een voor een, en toen
schreeuwde hij, trappelend van blijdschap:

"Gevonden! Hier zit hij, de schat van Herodes!"

Het zoeken naar dien schat was een dwaze hartstocht onder de Romeinen.

De Viervorst zwoer, dat er geen schatten bestonden.

"Ondertusschen, wat zit hier dan verborgen?"

"Niemendal! een man, een gevangene."

"Laat zien!" zei Vitellius.

De Viervorst gehoorzaamde niet. De Joden behoefden zijn geheim niet te
weten. Zijn weerzinnig gedraai om dat deksel te openen, deed Vitellius
ongeduldig worden.

"Sla het in!" riep hij den bijldragers toe.

Mannaei had geraden waarover ze 't hadden. Toen hij een bijl zag,
meende hij dat ze Jaokanann gingen onthoofden; en hij weerhield den
lictor bij den eersten slag op de plaat, stak behoedzaam een soort van
haak tusschen haar rand en het plaveisel, en zijn lange magere armen
strammend lichtte hij haar langzaam op. Ze wentelde weg; allen
bewonderden de kracht van dien grijsaard.

Onder dat met hout betimmerd deksel was een valluik van gelijke
afmetingen. Een vuistslag deed het openklappen; toen zag men een
reusachtigen hollen koker, waarin zich een trap zonder leuning
wentelde. Zij, die zich over den rand heenbogen, onderscheidden in de
diepte iets vaags en verschrikkelijks.

Een menschelijk wezen lag op den grond uitgestrekt, geheel verborgen
in zijn eigen lang haar, dat zich warde in de harige dierenvacht die
zijn lenden dekte. Hij richtte zich op, en zijn voorhoofd stootte
tegen den rooster die daar plat lag ingemetseld. Van tijd tot tijd
verdween hij weer in de diepte van zijn hol.

De zon weerglansde in de punten der tiara's, in de gevesten der
zwaarden, en gloeide over de vloertegels. Van de dakranden vlogen
duiven op die dansten en duizelden boven het binnenplein, 't Was het
uur waarin Mannaei gewoon was graankorrels voor haar te strooien. Hij
zat neergehurkt voor den Viervorst, die naast Vitellius stond. De
Galileers, de priesters, de soldaten vormden een kring achter hen;
allen zwegen in angstige afwachting van wat komen zou.

Eerst was het een diepe zucht, door een holle stem uitgestooten.

Herodias hoorde dat zuchten aan het ander einde van het paleis.
Aangetrokken door een macht sterker dan zij-zelve, drong ze door de
menigte heen, en voorovergebogen, met de hand op Mannaei's schouder,
luisterde ze toe.

De stem verhief zich:

"Vloek over u, Farizeers en Sadduceers, gij, adderengebroed, gezwollen
wijnzakken, holklinkende cymbalen!"

Men had Jaokanann herkend. Zijn naam ging van mond tot mond. Vele
anderen kwamen toeloopen.

"Vloek over U, o volk! en over de verraders van Judea, over de
dronkenen van Ephraim, over hen die in het vette dal wonen en die
waggelen door den geest van den wijn! "Dat ze verspreid worden
als stroomend water, als de slak die smelt waar ze kruipt, als de
misgeboorte eener vrouw die geen daglicht ziet.

"Gij, Moab, ge zult u moeten verschuilen in de cypressen als de
trekvogels, als de springmuizen in de holen. Lichter dan notenschalen
zullen de poorten der sterkten verbrijzeld worden, de muren zullen
instorten, de steden in vlammen opgaan, en de geeselroede van den
Eeuwige zal niet ophouden. Als de wol in de kuip van den verver, zoo
zal Hij uwe ledematen spoelen in uw bloed. Als een nieuwe egge zal
Hij u verscheuren; over de bergen zal Hij de flarden van uw vleesch
uitstrooien!"

Van welken veroveraar sprak hij? Was het Vitellius? De Romeinen
alleen konden zulk eene verdelging aanrichten. Klachten werden
geslaakt:--"Genoeg! genoeg! doe hem ophouden!"

Maar nog luider ging hij voort:

"Naast het lijk hunner moeders zullen de kleine kinderen door de asch
kruipen. In den nacht zal men brood gaan zoeken tusschen de puinen,
zich blootgevend aan de dolken.

"Jakhalzen zullen elkaar de doodsknekels betwisten op de pleinen waar
de grijsaards saamkwamen tot den avondkout. Aan der vreemdelingen
gastmaal zullen uwe dochters op de luit spelen, en haar tranen
drinken. De kloeksten uwer zonen zullen den rug bukken, gekneusd onder
al te zware vrachten!"

Voor de oogen van het volk doemden de dagen der ballingschap weer op,
alle rampen hunner geschiedenis.

Het waren de woorden der oude Profeten. Jaokanann zond ze, het een na
het andere, over hen als harde slagen.

Maar de stem werd zachter, welluidender en zangerig. Hij boodschapte
een verlossing, glanzende verheerlijking aan het uitspansel, den
nieuw-geborene die een arm stak in het hol van den draak, goud voor
leem, de woestijn openbloeiend als een roos.

"En wat nu zestig sikkels waard is, zal geen obool meer kosten.
Melkbronnen zullen uit de rotsen vloeien; in de wijnpersen zal men
zich verzadigd te slapen leggen! Wanneer komt gij, gij die de hope
zijt van mijn hart? Reeds knielen alle volkeren, en uw heerschappij
duurt in eeuwigheid, Zoon van David!"

De Viervorst deinsde verschrikt terug, het bestaan van een Zoon
Davids bedreigde hem als een smaad. Jaokanann tastte hem aan in zijn
koningschap.

"Geen andere Koning bestaat er dan Hij, die eeuwig is! en met uw
tuinen, met uw standbeelden, met uw meubels van ivoor, zal het u
vergaan als den goddeloozen Achab!"

Antipas rukte het koord stuk van het zegel op zijn borst, en wierp het
in den put, zwijgen gebiedend.

De stem antwoordde:

"Als een beer zal ik roepen, als een woudezel, als een vrouw in
barensnood!

"Reeds treft de straffe uw bloedschande. God straft met
onvruchtbaarheid den bastaard."

Gelach ging er op, dat geleek op gekabbel van water tegen den
oeverrand.

Vitellius bleef halsstarrig staan. Onbewogen herhaalde de tolk, in de
taal der Romeinen, al de hoon-schreeuwen, die Jaokanann in zijn eigen
taal uitstootte. De Viervorst en Herodias waren genoodzaakt ze twee
keeren aan te hooren. Zijn borst zwoegde, terwijl zij staroogend bleef
neerzien naar de diepte van den put.

De verschrikkelijke man wierp het hoofd achterover, en de tralies
vastgrijpend, hief hij het vlakke gelaat tegen den rooster, het geleek
een warrige ruigte, waarin twee vurige kolen gloeiden.

"Ha! zijt gij het, Jezabel! Ge hebt zijn hart u toegeeigend met het
gekraak uwer schoenzolen. Als een merrie hebt ge gehinnikt. Uwe
legerstede spreidet ge op de bergen, om uw offeranden te volbrengen.
Afrukken zal de Heer u uwe oorhangers, uwe purperen gewaden, uw linnen
sluiers, de gouden banden uwer armen, de ringen uwer voeten, de kleine
gouden maansikkels die op uw voorhoofd trillen, uw zilveren spiegels,
uw waaiers van struisvederen, de parelmoeren zolen die uw gestalte
verhoogen, den pronk uwer edelsteenen, het reukwerk van uw haren,
de beschildering uwer nagels, al de kunstige verzinsels uwer
weelderigheid, en keien zullen er niet genoeg gevonden worden om de
echtbreukige te steenigen!"

Haar blik zocht-om naar hulpe. De Farizeers sloegen huichelachtig de
oogen neer. De Sadduceers, die vreesden den Pronconsul te beleedigen,
wendden het hoofd af. Antipas scheen den dood nabij. De stem werd
sterker, zette zich uit, bulderde als het geweld van den donder, en
door de echo der bergen weergalmd, deed ze Machaerous in haar telkens
herhaalde uitbarstingen op zijn grondvesten schudden.

"Strek u uit in het stof, dochter van Babylon! Laat koren tot meel
malen! Maak uw schoenen los, schort uw kleeren op, en doorwaad de
stroomen! uw smaad zal aan den dag komen! uw snikken zullen u de
tanden verbrijzelen. De Eeuwige verafschuwt de walg uwer misdaden!
Vervloekte! vervloekte! Kom om als een hond!"

Het luik viel toe, het deksel sloot zich. Manaei zou Jaokanann willen
verworgen.

Herodias verdween. De Farizeers waren geergerd. In hun midden stond
Antipas zich te verdedigen.

"Ongetwijfeld", begon Cleazar, "men moet zijn broeders vrouw huwen,
maar Herodias was geen weduwe, en had daarenboven een kind,--daarin is
de schande!"

"Dwaling! dwaling!" wierp de Sadduceer Jonathas er tegen in. "De wet
veroordeelt dergelijke huwelijken, zonder ze met duidelijke termen te
verbieden."

"Het doet er niet toe! Men oordeelt over mij zeer onrechtvaardig," zei
Antipas.

Aulus die geslapen had, kwam op dit oogenblik ook naderschrijden. Toen
hij van de zaak op de hoogte was gesteld, viel hij den Viervorst bij.
Over dergelijke dwaasheden moest men geen drukte maken, en hij lachte
luid over den hoon der priesters en den toorn van Jaokanann.

Herodias, die midden op het terras stond, keerde zich tot hem.

"Ge hebt ongelijk, Heer! Hij gebiedt het volk de belasting te
weigeren!"

"Is dat waar?" vroeg toen de tollenaar dadelijk.

De antwoorden waren eenstemmig bevestigend. De Viervorst bekrachtigde
ze.

Vitellius meende, dat de gevangene wel eens kon ontsnappen; en daar
het gedrag van Antipas hem onbetrouwbaar toescheen, zette hij wachten
uit bij de poorten en langs de muren van het binnenplein.

Toen ging hij naar zijn vertrekken. De afgevaardigden der priesters
vergezelden hem, en zonder de vraag van de offer-waardigheid aan te
roeren, legde ieder zijn grieven bloot.

Ze verveelden hem allen te saam. Hij zond ze weg.

Toen Jonathas hem verliet, zag hij op de borstwering, tusschen twee
kanteelen door, Antipas in gesprek met een man, die het haar lang
droeg en in het wit gekleed ging, een Esseer, en hij had spijt den
Viervorst te hebben verdedigd.

De Viervorst had zich met de gedachte getroost, dat Jaokanann nu niet
meer van hem afhing: de Romeinen hadden zich met hem belast! wat een
verlichting!

Juist toen had hij Phanuel over den omgang der wallen zien drentelen.
Hij riep hem, en zeide, terwijl hij naar de soldaten wees:

"Zij daar hebben de macht, ik kan hem niet loslaten! 't Is mijn schuld
niet!"

Het binnenplein was ledig.

De slaven lagen te rusten. Tegen het avond-rood, dat de kim in vlammen
deed oplaaien, teekenden de kleinste rechtstandige voorwerpen zich
zwart af. Antipas onderscheidde de zoutpannen aan de overzijde der
Doode Zee, maar de tenten der Arabieren zag hij niet meer. Waren ze
wellicht heengetogen?

De maan ging op. Rust daalde in zijn hart.

Phanuel bleef neerslachtig staan, met de kin op de borst. Eindelijk
uitte hij, wat hem op het het hart lag:

Sinds het begin der maand bestudeerde hij, voor den dageraad, het
uitspansel wijl het sterrenbeeld van Perseus het zenith had bereikt.
Agalah was nauwelijks te onderscheiden, Algol flikkerde zwakker,
Mira-Coeti was verdwenen; hieruit las hij den dood van een man van
beteekenis, dezen nacht nog, en binnen Machaerous.

"Wie zou dat kunnen zijn? Vitellius werd te goed bewaakt. Jaokanann
zou men niet ter dood brengen.

"Aldus ben ik het zelf!" dacht de Viervorst.

Zouden de Arabieren misschien weerkeeren? De Proconsul zou zijn
betrekkingen met de Parthen kunnen ontdekken! Of sluipmoordenaars
uit Jeruzalem waren wellicht met de priesters meegekomen; ze droegen
dolken onder hun kleeren; de Viervorst twijfelde niet aan Phanuels
kunde.

Het viel hem in zijn toevlucht te zoeken bij Herodias. Toch haatte hij
haar. Maar ze zou hem moed inspreken, en de tooverbanden waarin ze hem
vroeger verstrikt had waren nog niet alle gebroken! Myrrhe rookte er
in een kom van porfier toen hij haar kamer binnentrad, en poeders,
zalven, wolken van luchtige weefsels, ragfijne borduursels lichter dan
veeren, lagen er verspreid.

Hij zei niets van Phanuels voorzegging, noch van zijn vrees voor de
Joden of de Arabieren: een lafaard zou ze hem noemen!

Alleen over de Romeinen sprak hij; Vitellius had hem niets
toevertrouwd van zijn krijgs-plannen. Hij veronderstelde dat hij met
Cajus bevriend was, die op zijn beurt weer omgang had met Agrippa;
en hij, Antipas, zou in ballingschap worden gezonden, waar ze hem
misschien zouden verwurgen.

Herodias trachtte hem met kleinachtende welwillendheid gerust te
stellen. Eindelijk haalde ze uit een kistje een vreemdsoortige
medaille, die den beeldenaar van Tiberius droeg. Dat volstond om de
lictoren te doen verbleeken, en de aanklachten te smoren.

Ontroerd van dankbaarheid vroeg Antipas haar, hoe ze dien talisman
verworven had.

"Hij werd me gegeven!" hernam ze.

Onder een voorhang, vlak tegenover hen, strekte zich een arm uit, een
jeugdige arm, bekoorlijk en zoo schoon alsof Polycletus zelf hem uit
ivoor gerond had. Met een wat linksch maar toch bevallig gebaar,
wiekte die arm in de lucht, om een tunica te grijpen, welke op een
bankje was blijven liggen.

Een oude vrouw gaf ze zachtjes over, den voorhang terzijde schuivend.

De Viervorst had een vage herinnering, aan iets dat hij zich niet
omschrijven kon.

"Is dat eene van uw slavinnen?"

"Wat kan u dat schelen?" antwoordde Herodias.




III


De gasten vulden de feestzaal.

Ze had, als een basiliek, drie beuken die door zuilen van algumimhout
met gebeeldhouwde bronzen kapiteelen gescheiden werden. Ze schraagden
twee open galerijen, en een derde van gouden filigraan rondde
zich achter in de zaal-diepte, recht tegenover een reusachtige
wulfsel-poort, open in den voorwand.

Op de tafels, die door de geheele lengte van het middenschip stonden
aaneengerijd, brandden de luchters als kleine bosschen van vuur,
midden tusschen de beschilderde aarden schalen en de koperen schotels,
de sneeuw-blokken en de opgetaste druiven. Maar onder het hooge gewelf
zweemde die roode klaarte langzaam in schemers weg, en lichtpunten
tintelden daar, als des nachts de sterren door takken heen. Door den
boog van het wijd-open poortvak kon men de toortsen zien vlammen op de
huis-terrassen,--want Antipas onthaalde zijn volk, en allen die zich
aangemeld hadden. Slaven, geschoeid met vilten sandalen, liepen rap
als honden om, en droegen de schotels.

De tafel van den Proconsul stond onder de vergulde galerij, op een
verhevenheid van sycomore-planken, Babylonische tapijten omsloten haar
als met een tente.

Vitellius, diens zoon en Antipas namen de drie ivoren ligbedden in,
die daar opgesteld stonden, een recht in 't midden, met de twee andere
terzijde; de Proconsul lag links, dicht bij de deur, Aulus aan den
rechterkant, de Viervorst op het middelste.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.