A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Annual Bibliography of Commonwealth Literature 2007
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

Drie Vertellingen

G >> Gustave Flaubert >> Drie Vertellingen

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8



Het leek of er klokgelui doorklonk in die hooge stem.

Nadat Juliaan zijn lantaarn ontstoken had, trad hij buiten de hut. De
nacht was een woedende orkaan. Zwaar hingen de duisternissen neer,
hier en daar door de onstuimigheid der wilde golven in flarden
verscheurd.

Even weifelde Juliaan, toen knoopte hij het meertouw los. Dadelijk
werd het water rustig, de boot gleed er over en bereikte den anderen
oever. Daar wachtte een mensch.

Hij was gehuld in een verrafeld linnen kleed. Zijn gelaat leek een
pleisteren dooden-masker, zijn oogen rooder dan vurige kolen. Toen
Juliaan de lantaarn naar hem ophief, zag hij dat een afzichtelijke
melaatschheid hem overdekte; toch lag er in zijn houding iets van de
waardigheid eens konings. Zoodra hij in de boot trad, zonk deze neer,
zoo diep alsof ze bezweek onder zijn zwaarte; een schok wierp haar
weer op, en Juliaan begon te roeien.

Bij iederen slag met de riemen lichtte de branding den boeg omhoog.
Het inktzwarte water stuwde woest aan van beide oevers. Er groeven
zich afgronden, er stapelden zich bergen op. De sloep sprong er
overheen, en tuimelde dan weer weg in de diepten, waar ze, door den
storm gestuwd en gestooten, bleef omwervelen.

Juliaan boog voorover, strekte de armen, en met de voeten zich
schragend, wierp hij zijn wringend lijf achteruit om meer kracht te
hebben. De hagel striemde hem de handen, de regen stroomde over zijn
rug, de wilde storm verstikte hem, en hij hield in. Toen werd de sloep
meegesleept door den stroom. Maar Juliaan begreep, dat het ging om
iets zeer gewichtigs, om een gebod waaraan hij niet weerstaan mocht,
en hij greep weer naar de riemen. Toen werd de groote stem van den
storm onderbroken door het geklapper der roeipinnen. Daar voor hem
brandde het lantaarntje. Rondfladderende vogels deden het bijwijlen
schuil gaan. Maar de oogen van den Melaatsche wendden zich niet van
hem af, en hij zag hem staan, hoog opgericht bij den achtersteven,
roerloos als een zuil.

En dit alles duurde zeer, zeer lang.

Toen ze in de hut gekomen waren, sloot Juliaan de deur, en hij zag den
Melaatsche op het bankje zitten. De lijkwa die hem omhuld had, was
neergezakt tot op de heupen; en zijn schouders, zijn borst, zijn
magere armen waren overdekt met roven en zweren. Ontzaglijke rimpels
doorgroefden zijn voorhoofd. Op de plaats van den neus was, als in een
bekkeneel, een zwarte holte, en van zijn blauwige lippen ademde een
zware wan-riekende walm.

"Ik heb honger", sprak hij.

Juliaan bood hem, wat hij bezat: een stuk ranzig spek en korsten
roggebrood.

Toen hij ze verorberd had, droegen tafel, nap, en het heft van zijn
mes, eendere plek-als zijn lichaam.

En hij sprak: "Ik heb dorst".

Juliaan haalde zijn kruik en toen hij ze opnam, steeg er een geur uit,
die zijn reuk en zijn hart streelde. Het was wijn; wat een vondst!
Maar de Melaatsche strekte den arm, en ledigde de kruik in een teug.

Toen sprak hij: "Ik heb het koud!"

Juliaan deed met zijn toorts, midden in de hut, een bos varens
aanvlammen.

De Melaatsche kwam er zich bij warmen; en zooals hij daar zat,
neergehurkt op de hielen, huiverde hij over al zijn leden en scheen
zwakker en zwakker te worden. Zijn oogen schitterden niet meer, zijn
wonden etterden, en met bijna klanklooze stem fluisterde hij; "Je
bed". Hij sleepte zich er heen, Juliaan hielp hem zacht, en spreidde
zelfs, om hem onder te dekken, het zeil van zijn bark over hem heen.

De Melaatsche steende. Zijn mondhoeken trokken weg en lieten de tanden
bloot. Een heftig gehijg schokte zijn borst, en bij iederen ademtocht
sloeg het onderlijf holler in, alsof het wegkromp naar de ruggegraat.

Toen sloot hij de oogen.

"Als ijs, als ijs zoo koud! Kom dichter bij me!"

En Juliaan schoof het zeil weg, en legde zich dicht naast hem op de
dorre bladers, zijde aan zijde.

De Melaatsche wendde het hoofd naar hem toe: "Ik wil de warmte van je
lichaam voelen,--trek je kleeren uit!"

Juliaan ontkleedde zich en legde zich zoo weer op het leger, hij
voelde de huid van den Melaatsche tegen de zijne, killer dan die van
een slang en ruw als een rasp.

Hij poogde hem moed in te spreken; en de andere antwoordde
hijgend:--"O, ik ga sterven! kom dan toch dichter bij me, verwarm
me dan toch. Neen, niet met je handen, met geheel je lichaam".--En
Juliaan legde zich lijdzaam neer, borst tegen borst met den
Melaatsche, aangezicht tegen aangezicht.

En dit was het oogenblik dat de Melaatsche hem in de armen sloot; dat
zijn oogen plotseling begonnen te lichten als starren, dat zijn haren
neergolfden als zonnestralen; en zijn adem kreeg een geur van rozen.
Een wierookwolk wademde op uit den haard, de golven zongen, en een
overmaat van geluk, een bovenaardsche zaligheid, daalde als een
overvloeiende zegening in Juliaans zwijmelende ziel, en degene wiens
armen hem omstrengelden, werd aldoor grooter en grooter, raakte
met hoofd en voeten de beide wanden der hut. Het dak verzwond. Het
uitspansel ontrolde zich als een tente; en Juliaan steeg de blauwe
ruimten in, borst tegen borst, aangezicht tegen aangezicht met Jezus
onzen Heer, Die hem ten hemel droeg.

En ziedaar de geschiedenis van Sint Juliaan den gastvrije, zooals men
ze vindt tennaastenbij op een kerkraam in mijn land.





HERODIAS


I

De citadel van Machaerous verhief zich ten oosten van de Doode Zee op
een kegelvormige bazalt-rots. Vier diepe dalen lagen er omheen, twee
bezijden, een er tegenover, het vierde aan den achterkant. De huizen,
opgestapeld aan haar voet, werden ingesloten door een ringmuur, die
met de oneffenheden van den grond meegolfde.

Een weg, zig-zag uitgehouwen in de rots, verbond de stad met de
sterkte, wier muren honderd-twintig elleboogslengten hoog waren en
talrijke uitsprongen hadden, kanteelen langs hun rand, en hier en daar
ook torens: het starre lofwerk aan die kroon van steenen hangend boven
den afgrond.

Het binnenste der citadel was een met zuilengangen versierd paleis,
bedekt met een platform, dat omgeven werd door een leuning van
sycomore-hout, en waar staken stonden opgericht om een velarium uit te
spannen.

Op zekeren uchtend--de zon was nog niet opgegaan--kwam de viervorst
Hero-des-Antipas zich over de balustrade heenbuigen, en zag-uit.

De bergen aan zijn voeten begonnen hun kam op te heffen uit de
schaduwen waarin hun logge gevaarten, tot in de diepte der afgronden
die ze scheidden, nog verhuld lagen. Nevels zwierven om, scheurden
open, en de omtrekken der Doode Zee werden zichtbaar. De dageraad
die achter Machaerous rees, verspreidde een roodigen schijn. Deze
verlichtte weldra den zandigen zeeoever, de heuvelen, de woestijn,
en in verder verschiet, de bergen van Judea met hun grillige grijze
glooiingen.

Engaddi trok door het midden zijn zware zwarte lijn; Hebron in de
diepte rondde zich koepelvormig, Esquol droeg granaatboomen, Sorek
wijnstokken, Karmel sesamkruid, en het reusachtig blok van den toren
Antonia bestreek Jeruzalem. De Viervorst wendde den blik af om te
rechterzijde de palmen van Jericho te beschouwen; en hij peinsde
over de andere steden van Galilea: Capharnauem, Endor, Nazareth,
Tiberias--waar hij waarschijnlijk nimmer meer komen zou.

En almaar stroomde de Jordaan door de barre vlakte, die in haar witte
dorheid verblindend was als een sneeuwveld. Het meer scheen, in deze
stonde, van vloeiend lazuur; en aan zijn zuidelijke punt, naar de
richting van Yemen, werd Antipas gewaar, wat hij vreesde te zien:
Bruine tenten stonden daar verspreid, mannen met lansen schreden heen
en weer tusschen de paarden, en smeulende vuren twinkelden als vonken
laag tegen den grond.

Het waren de troepen van den Arabischen koning, wiens dochter hij
verstooten had voor Herodias, de vrouw van een zijner broeders, die in
Italie woonde zonder te streven naar macht.

Antipas wachtte hulp van de Romeinen, en hij werd door onrust
verteerd, omdat Vitellius, stedehouder in Syrie, nog steeds niet kwam
opdagen.

Agrippa zou hem ongetwijfeld bij den keizer in ongenade hebben
gebracht. Philippus, zijn derde broeder, vorst van Batanea, wapende
zich zeker in 't geheim. De Joden hadden genoeg van zijn afgodische
zeden, de anderen van zijn overheersching; zoodat hij weifelde
tusschen twee plannen: of de Arabieren tot vrede te stemmen, of een
verbond te sluiten met de Parthen; en, onder voorwendsel van zijn
geboortefeest te vieren, had hij voor dezen zelfden dag nog, de
aanvoerders van zijn troepen, al zijn rentmeesters en de oppersten van
Galilea, op een groot gastmaal genoodigd.

Hij liet zijn blik spiedend weiden over de wegen: ze waren nog leeg.
Arenden vlogen boven zijn hoofd om: de soldaten langs de wallen
sliepen tegen den muur, en binnen het paleis bewoog niets.

Maar eensklaps deed een verre stem, die uit de diepten der aarde
scheen te komen, den Viervorst verbleeken. Hij boog zich voorover om
te luisteren. De stem zweeg.

Maar toen ze herbegon, klapte hij in de handen, en riep:

"Mannaei! Mannaei!"

Een man trad te voorschijn, naakt tot den gordel, zooals de masseurs
bij de baden. Hij was zeer groot, oud, uitgemergeld, en droeg op de
heup een korte kling in bronzen scheede. Zijn haardos door een
kam opgehouden verhoogde nog de gerektheid van zijn voorhoofd.
Slaperigheid verdoofde nu de kleur zijner oogen, maar zijn tanden
glinsterden. Zijn geheele gestalte had een aapachtige lenigheid, en
licht drukten zijn teenen den vloer. Zijn gelaat was ondoorgrondelijk
als dat eener mummie.

--Waar is hij? vroeg de Viervorst.

Mannaei antwoordde, terwijl hij met den duim iets achter hen aanwees:
"Ginds! Altijd-door!"

"Ik meende hem te hooren".

En na een diepe ademhaling vroeg Antipas berichten over Jaokanann,
denzelfden dien de Latijnen Sint Joannes den Dooper noemen. Had men de
twee mannen nog weergezien, die men uit welwillendheid verleden maand
had toegelaten in zijn kerker? en wist men nu ten laatste, waartoe ze
gekomen waren?

Mannaei antwoordde:

"Ze hebben geheimzinnige woorden gewisseld, zooals dieven doen, 's
avonds op den viersprong der wegen. Daarna zijn ze heengetogen naar
Noord-Galilea, aankondigend dat ze een groot nieuws zouden brengen."

Antipas boog het hoofd. Toen als in angst:

"Bewaak hem! bewaak hem! En laat niemand binnen. Sluit de deur goed!
Bedek den put! Men mag niet vermoeden dat hij leeft!"

Zonder die bevelen ontvangen te hebben, had Mannaei ze toch steeds
uitgevoerd, want Jaokanann was een Jood, en, zooals alle Samaritanen,
verfoeide hij de Joden. Hun tempel van Garizim door Mozes als hart
en middelpunt van Israel aangewezen, bestond niet meer sinds koning
Hyrcan, en die van Jeruzalem deed hen, als een blijvend en hoonend
onrecht, in wrok en woede leven. Mannaei was er binnengedrongen om
er het outer met doodsbeenderen te schennen. Zijn gezellen, minder
behendig dan hij, waren onthoofd geworden. Hij zag op dit oogenblik
dien tempel, door de inzinking tusschen twee heuvels heen. De zon deed
de wit-marmeren muren weerglanzen, en de gouden platen van het dakwerk
schitterden. Het geleek een berg van licht, iets bovenaardsch, dat
alles overheerschte door zijn rijkdom en zijn trots.

Toen strekte Mannaei de armen uit naar Sion, en, hoog opgericht, het
gelaat geheven, de vuisten gebald wierp hij zijn vervloeking naar die
stad, wanend dat zijn woorden een werkelijke macht in zich hadden.

Antipas hoorde het aan, en leek in 't minst niet geergerd.

Toen hervatte de Samaritaan: "Bij wijlen is hij onrustig. Hij zou dan
't liefst willen ontvluchten, en hoopt op verlossing. Andere keeren
lijkt hij kalm als een ziek dier, en ook wel heb ik hem heen en weer
zien loopen in het donker, voor-zich-heen herhalend: "Wat deert het?
Hij moet grooter, maar ik kleiner worden."

Antipas en Mannaei zagen elkander aan. Maar de Viervorst was het moe
verder na te denken.

Al die bergen om hem heen, opstapelingen gelijk van versteende golven,
de zwarte draaikolken langs de rotsige kusten, de eindeloosheid van
den blauwen hemel, het schelle glanzen van den dag, de diepte der
afgronden verbijsterden hem; en toen zijn oogen weiden gingen over
de woestijn, werd hij nog mistroostiger, bij het zien van die woest
doorwoelde gronden met hun bouwvallen van amphitheaters en paleizen.

Op de heete windademen dreef een zwavelreuk aan, als een uitwaseming
van de vervloekte steden, die, dieper dan de oevervlakten, bedolven
liggen onder de zware wateren.

Deze teekenen van een eeuwige gramschap joegen zijn gedachten
verschrikt op, en hij bleef met de ellebogen op de balustrade, het
hoofd in de handen, staroogend staan.

Iemand raakte hem aan.

Hij wendde zich om.

Herodias stond daar.

Een licht purperen samaar omhulde haar tot op de sandalen.

Ze was overhaast uit haar kamer getreden en droeg noch parelsnoeren,
noch oorhangers; een vlecht van heur zwarte haren viel haar over den
arm op den boezem. Haar hoog opgetrokken neusvleugels trilden; de
vreugde van een triomf glansde over haar gelaat, en met forsche stem
begon ze, terwijl ze den arm van den Viervorst schudde:

"Cesar is ons welgezind! Agrippa is gekerkerd!"

"Wie heeft het u gezegd?"

"Ik weet het!"

En ze voegde erbij:

"'t Is wijl hij het keizerschap wenschte voor Cajus."

Hij die van hun aalmoezen leefde, had gestaan naar den koningstitel,
dien zij-zelve even begeerig najoegen als hij!

Maar voortaan geen vrees meer!

"De kerkers van Tiberius worden moeielijk ontsloten, en men is er niet
altijd zeker van zijn leven!"

Antipas begreep haar, en hoewel zij Agrippa's zuster was, leek haar
wreedaardige bedoeling hem gerechtvaardigd. Die moorden volgden uit
den samenloop der dingen, en waren een noodlot van de Koningshuizen.
In dat van Herodes was hun aantal niet te tellen.

Toen begon ze haar welgeslaagden toeleg uiteen te zetten; de
omgekochte clienten, de gevonden brieven, de verspieders aan alle
deuren, en hoe ze erin geslaagd was Eutyches tot aanklacht te
verleiden.

"Het viel me niet moeielijk, ik heb immers wel andere dingen gedaan
voor U? Verliet ik zelfs mijn dochter niet?"

Na haar echtscheiding, hopend in haar huwelijk met den Viervorst wel
moeder te worden van andere kinderen, had ze dat dochtertje in Rome
gelaten. Ze sprak er nimmer over.

Daarom zocht de Viervorst nu naar de beweegreden van die opwelling van
teederheid.

Men had het velarium ontplooid en, gedienstig, groote kussens bij
gebracht. Herodias zonk er in neder, en weende met afgewend gelaat.
Toen streek ze met de hand over de oogleden, en zeide dat ze verder
niet meer eraan denken wilde; dat ze zich gelukkig voelde; en ze
herinnerde hem hun gesprekken ginds in het atrium, hun ontmoetingen
bij de baden, hun wandelingen langs den Via Sacra en in de groote
villa's des avonds bij het murmelen der fonteinen, terwijl ze uitzagen
onder de bloemenbogen door over de Romeinsche Campagna. En ze blikte
naar hem op als toen ter tijd, met streelerige gebaren zich vlijend
aan zijn borst. Hij stootte haar van zich af. De liefde, die zij
wilde doen herleven, was zoo verre thans. Al zijn rampen waren er uit
voortgekomen, want reeds twaalf jaar duurde de oorlog. De Viervorst
was er door verouderd. Zijn rug was gedoken in de donkere, paarsom
rande toga; zijn witte haren golfden samen met die van zijn grijzenden
baard, en de zon, die door den baldakijn drong, stortte een stroom van
licht over zijn wrevelend voorhoofd. Ook Herodias' voorhoofd zette
rimpels. Aangezicht tegenover aangezicht stonden ze, en in wrokkende
kwaadaardigheid maten ze elkander met den blik.

Er begon beweging te komen op de bergpaden. Herders dreven ossen
voort, kinderen trokken ezels mee aan den toom, stalknechten leidden
hun paarden. Zij die afdaalden van de hoogten voorbij Machaerous,
verdwenen achter in den burcht, anderen togen door de rotsklove aan
den voorkant verder, en in de stad gekomen zetten ze hun pakken en
lasten op de binnenplaatsen neer. Dit waren de hofmeesters van den
Viervorst en knechten die de gasten voorafgingen.

Doch daar trad plotseling aan den linkeropgang van het terras een
Esseer te voorschijn, geheel in 't wit gekleed, blootsvoets, en met
het uiterlijk van een Stoicijn. Tegelijkertijd stortte Mannaei, van
tegenovergestelde zijde uitschietend, zich met getrokken zwaard op hem.

"Steek hem dood!" riep Herodias den beul toe.

"Houd in!" beval de Viervorst.

Manaei bleef onbeweeglijk staan; de andere evenzoo.

Toen trokken ze zich terug, achteruittredend, ieder langs een andere
trap, en zonder elkaar uit het oog te verliezen.

"Ik ken hem!" zei Herodias, "zijn naam is Phanuel, en hij tracht tot
Jaokanann door te dringen, wiens leven door uw dwaasheid zoo veilig
bewaard blijft".

Antipas wierp haar tegen, dat Jaokanann hun vandaag of morgen van
dienst zou kunnen zijn. Zijn aanvallen tegen Jeruzalem zouden de rest
der Joden tot hen doen overloopen.

"Neen!" hernam zij. "Ze buigen zich onder alle meesters en zijn niet
in staat een eigen rijk te vormen!" En wat dengene betrof, die de
gemoederen in beweging bracht door een hoop op te wekken, die sinds
Nehemias voortleefde onder het Joodsche volk, was het niet 't meest
doeltreffend hem uit den weg te ruimen?

Volstrekt geen haast had dit, volgens den Viervorst: Jaokanann
gevaarlijk! Komaan nu! en hij deed alsof hij erom lachen moest.
"Zwijg!" En zij herbegon het verhaal van de diepe vernedering, welke
ze ondergaan had, op den dag toen ze naar Galaaed was getogen voor den
balsem-oogst.

Er waren aan de rivier menschen die zich herkleedden. Terzijde, op een
lagen heuvel, stond een man te spreken. Hij droeg een kemelshuid om
de lenden, en zijn hoofd leek op dat van een leeuw. "Van 't eerste
oogenblik dat hij me gewaar werd, wierp hij me alle vervloekingen der
profeten toe. Zijn oogen schoten vlammen, zijn stem huilde, hij hief
de armen als om den bliksem neer te halen. Geen mogelijkheid hem te
ontvluchten, de raderen van mijn wagen waren tot de assen in het zand
gezonken; en langzaam ging ik heen, me beschuttend met mijn mantel,
verbijsterd door zijn hoon, die op me viel als een stortvlaag." Zij
kon niet verder leven, zoolang Jaokanann bestond. Toen hij gevangen
werd genomen en met koorden gebonden, was den soldaten bevolen hem te
dooden, zoo hij zich verweren mocht; hij had zich zachtmoedig betoond.
Men had slangen in zijn kerker gezet; ze waren er doodgegaan.

De nutteloosheid van die verraderlijke lagen bracht Herodias' geduld
ten einde. En daarenboven, waarom zijn strijd tegen haar? Welk belang
dreef hem aan? Zijn predikingen tot het volk hadden zich verspreid,
gingen van mond tot mond; alom hoorde zij ze fluisteren, ze vervulden
de lucht. Legioenen zou ze getrotseerd hebben. Maar deze macht, feller
dan een tweesnijdend zwaard, en die zich niet aangrijpen liet, ze
werkte geestverlammend. Bleek van woede, geen woorden meer vindend om
uit te stooten wat haar den adem benam, schreed ze heen en weer over
het terras.

En tegelijkertijd kwelde haar de gedachte, dat de Viervorst wellicht
bezwijken zou voor des volks oordeel, en zoo ertoe gebracht worden
haar te verstooten. Dan ware alles verloren! Sinds haar kinderjaren
koesterde ze den droom van een groot keizerrijk. En om er toe te
geraken, had ze haar eersten gemaal verlaten, om zich met Antipas te
verbinden in wien ze zich bedrogen had, dacht ze.

"Ik koos een hechten steun, toen ik in uw familie trad!"

"Ze staat met de uwe gelijk!" zei de Viervorst kalm-weg.

Herodias voelde in haar aderen het bloed koken van de priesters en
koningen, die haar voorvaders waren.

"Maar uw grootvader veegde den tempel van Ascalon! De anderen waren
herders, roovers, karavaanleiders, een zwervende stam, schatplichtig
aan Judea sinds koning David! Al mijn voorvaders hebben de uwe
verslagen. De eerste der Makkabieten heeft u verjaagd van Hebron,
Hyrcan dwong u tot de besnijdenis!" Het was de patricische vrouw die
den peblejer haar verachting in 't aangezicht wierp, den haat van
Jacob tegen Edom. Ze verweet hem zijn gevoelloosheid voor smaad en
hoon, zijn lankmoedigheid jegens de Farizeers die hem verrieden, zijn
lafheid jegens het volk dat haar haatte.

"Ge zijt als zij, beken het! en ge betreurt het Arabische meisje dat
rondom steenen danst. Neem haar weer tot u! Keer tot haar weer in haar
linnen huis; verorber haar brood, dat onder de asch gebakken werd,
zwelg de gestremde melk van haar schapen! kus haar blauwe wangen! en
vergeet mij!"

De Viervorst luisterde niet meer. Hij tuurde uit naar het platform van
een huis, waar zich een jong meisje bevond met een oude vrouw, die een
zonnescherm ophield aan een rieten stok zoo lang als de hengelroe van
een visscher. Midden op het vloer-tapijt stond een groote reismand met
open deksel. Gordels en sluiers, hangers en ketens van goud warden er
uit. Bij tusschenpoozen boog het meisje zich over die dingen heen om
ze uit te slaan in de open lucht. Ze was als een Romeinsche gekleed,
in een tunica die overplooid werd door een peplum, afgezet met akers
van smaragd. Blauwe banden omsloten haar kapsel, dat te zwaar leek,
want van tijd tot tijd bracht ze er de hand aan. De schaduw van het
zonnescherm bewoog zich boven haar, en verhulde haar ten deele.
Antipas onderscheidde twee of drie keeren de fijne lijnen van haar
hals, den winkel van haar oog, den hoek van een kleinen mond. En
geheel haar gestalte, van de heupen tot het hoofd, zag hij buigen en
zich oprichten met veerkrachtige bewegingen. Nog eenmaal wilde hij dat
gebaar zien, en terwijl hij het afwachtte, ging zijn adem zwaarder, en
zijn oogen schitterden.

Herodias bespiedde hem.

Hij vroeg: "Wie is dat?" Ze zeide er niets vanaf te weten, en ging,
plotseling gerustgesteld heen. Onder de zuilengangen werd de Viervorst
door Galileers opgewacht, zijn griffier, den opzichter van den
veestapel, den rentmeester der zoutpannen, en een Babylonischen Jood
die het bevel voerde over zijn ruiters. Hij werd met gejuich begroet,
maar wendde zich af, heenschrijdend in de richting, der binnenzalen.

Phanuel dook op uit een hoek in een der gangen.

"Wat! nog hier? Ge komt zeker voor Jaokanann?"

"En voor U! ik moet U iets gewichtigs mededeelen."

En, zonder Antipas meer te verlaten, drong hij achter hem aan een
duisterig vertrek binnen.

Het licht viel door tralies, die, onder de kroonlijst, den geheelen
lengtekant innamen. De muren waren beschilderd in granaat-tint, op
zwart af. In de kamerdiepte stond een ebbenhouten bed, welks ligmat
uit riemen van ossenleder was gevlochten.

Er boven hing een gouden beukelaar, die glansde als een zon. Antipas
ging dwars de zaal door en strekte zich uit op het bed.

Phanuel bleef opgericht staan. Hij hief den arm en sprak, als in
bezieling:

"De Allerhoogste zendt bijwijlen een zijner zonen. Jaokanann is een
van hen. Indien gij hem verdrukt, zult ge gestraft worden."

"Ik word door hem vervolgd!" riep Antipas uit. "Hij heeft van mij het
onmogelijke gevergd! Sinds dat oogenblik kwelt hij me. En waarlijk, ik
was niet hardvochtig in den beginne. Zelfs van Machaerous zendt hij
mannen uit, die mijn provincies in beroering brengen. Vloek over zijn
bestaan! Ik verweer me, waar hij me aanrandt!"

"Wat geeft het, al moge zijn gramschap te heftig zijn? Ge moet hem
vrijlaten."

"Men laat geen dolle beesten los!" zei de Viervorst.

De Esseer antwoordde: "Verontrust u niet! Hij zal naar de Arabieren
gaan, naar de Galliers of de Scythen. Zijn arbeid moet zich
uitstrekken tot des aardrijks einden!"

Antipas scheen verloren in een droomgezicht. "Wel groot is zijn
macht!... ondanks me-zelf, heb ik hem lief."

"Welnu dan, laat hem!"

De Viervorst schudde het hoofd. Hij was bang voor Herodias, voor
Mannaei, en voor den onbekende.

Phanuel trachtte hem te overtuigen, door hem, ten rugsteun voor
zijn plannen, de onderwerping der Esseers aan de koningen voor te
spiegelen.

Men had ontzag voor die mannen, arm aan aardsche goederen, die in ruw
linnen gekleed gingen, door lijfstraffen niet te buigen waren en die
de toekomst lazen uit de sterren.

Antipas herinnerde zich daar het woord van straks.

"En welk nu is het gewichtig nieuws, dat ge me zoudt mededeelen?"

Op hetzelfde oogenblik trad een neger het vertrek binnen. Zijn lichaam
was wit bestoven. Hij hijgde schor en kon niets anders uitbrengen,
dan:

"Vitellius!"

"Wat? Komt Vitellius?" "Ik heb hem gezien. Voor het derde middaguur is
hij hier."

Het was alsof een windvlaag door zalen en gangen toog en de
voorhangsels in beweging bracht. Een luid gerucht vulde het paleis,
geraas van af- en aandravende lieden, van versleepte meubelen, van
ineen-rinkelende stapels zilverwerk, en hoog van de torens schalden de
bazuinen, om de verspreide slaven te waarschuwen.




II


De wallen wemelden van menschen, toen Vitellius op het binnenplein
kwam. Hij steunde op den arm van zijn tolk. Een groote roode
draagstoel, met pluimen en spiegels versierd, volgde hem. Hij droeg
de toga-laticlava en de sandalen der consuls en werd door bijldragers
omgeven. Ze zetten hun roeden-bundels tegen de poort, twaalf door
een riem saamgehouden staven, met een bijl in 't midden. En allen
sidderden voor de majesteit van het Romeinsche volk.

De draagstoel, die door acht mannen gehanteerd werd, stond stil. Een
zwaarlijvige jongeman steeg er uit, het gelaat vol puisten en de
vingers vol paarlen. Hem werd een drinkschaal met wijn en aroma's
aangeboden. Na ze geledigd te hebben, vroeg hij er nog eene.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.