A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Annual Bibliography of Commonwealth Literature 2007
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

Drie Vertellingen

G >> Gustave Flaubert >> Drie Vertellingen

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8



De jonge moeder woonde deze feesten niet bij. Ze lag rustig op haar
legerstede. Toen, in een avonduur,--ze had gesluimerd en sloeg zacht
de oogen op,--zag ze in een manestraal, die door het venster gleed,
iets bewegen. Schaduw of schimme? Het was een grijsaard in haren pij,
een rozenkrans aan den gordel, den bedelzak op den schouder. Een
kluizenaar. Hij naderde het hoofdeinde van haar bed, en zei zonder de
lippen te ontsluiten: "Verheug u, o moeder! Uw zoon zal een heilige
worden!"

Bijna schreide ze het uit van schrik, maar de schimme gleed heen langs
den manestraal, steeg zachtjes omhoog en verdween in het ijle licht.
De zangen van het festijn klonken helderder op. Zij echter hoorde
engelenstemmen. Haar hoofd viel terug in het kussen, waarboven,
tegen den muur, een martelaarsreliek hing, gevat in een lijst van
karbonkels.

Den volgenden dag werd heel de dienaarschap ondervraagd. Allen
verklaarden eenstemmig, geen kluizenaar gezien te hebben. Maar--droom
of werkelijkheid--kon het anders dan een hemelboodschap zijn? De
burchtvrouw wachtte zich echter wel, die overtuiging uit te spreken.
Ze vreesde dat men haar van hoovaardij betichten zou.

De gasten vertrokken bij het krieken van den morgen. Toen Juliaans
vader den laatsten uitgeleide gedaan had, en eenzaam bij de
burchtpoort achterbleef, zag hij ineens in den nevel een bedelaar voor
zich staan. Het was een zigeuner. Hij droeg den baard gevlochten en
had zilveren ringen aan beide armen. Zijn oogen flonkerden. En, als
bij ingeving, mompelde hij deze onsamenhangende woorden:

"Welzoo! uw zoon!... veel bloed!... veel roem!... altijd gelukkig! in
de maagschap van een keizer!"

Hij bukte naar de hem toegeworpen aalmoes, en zonder een spoor achter
te laten, was hij tusschen het gras verdwenen.

De burchtheer keek naar links en rechts, riep zoo luid hij kon.

Niemand! De wind blies, de uchtendnevels verwoeien.

Hij weet dit droomgezicht aan de vermoeienis van zijn hoofd, na den
slapeloozen nacht.

"Wat zouden ze lachen, zoo ik er van gewaagde!"

En toch--hoe vaag de voorzegging ook scheen, en droom of
waarheid?--ondanks zijn twijfel bleef hij almaar uitturen in de
glanzende toekomst die zijn zoon beloofd was. Ze verblindde hem.

De vader en de moeder hielden ieder voor zich hun geheim in het hart
verborgen. Beiden droegen ze het kind een even groote liefde toe.
Ieder voor zich beschouwden ze het als een geroepene Gods. Ze hadden
er de vroomste zorgen voor. Zijn bedje was met het zachtste dons
gevuld. Een lamp in den vorm eener duif brandde voortdurend er boven,
drie voedsters moesten over hem waken. En zoo: vast in zijn doeken
gewikkeld, met zijn roze-blozend gezichtje en zijn blauwe oogen, met
zijn brokaten mantel en zijn kapertje vol parels, geleek hij wel
het kindje-Jezus zelve. Hij kreeg tanden zonder een enkelen keer te
schreien.

Toen hij zeven jaar was, leerde zijn moeder hem zingen.

Om hem dapper te maken tilde zijn vader hem op een groot paard. Het
kind glimlachte van voldoening, en het duurde niet lang, of hij wist
alles van ros en tuig.

Een zeer wijze, oude monnik onderrichtte hem in de heilige Schrift,
leerde hem de arabische cijfers en de latijnsche letters en liet hem
aardige miniaturen schilderen op perkament. Ze werkten samen hoog in
een toren, waar geen geluid hen kon hinderen. Na de les daalden ze
af in den hof, waar ze voet voor voet omwandelden en de bloemen
bestudeerden.

Het gebeurde soms dat men diep uit het dal een rij lastdieren zag
naderen, gedreven door een op oostersche wijze uitgedosten voetganger,
in wien de burchtheer een koopman herkende. Hij liet hem door een
dienaar ontbieden, en de vreemdeling richtte dan in goed vertrouwen
zijn schreden burchtwaarts. In de halle binnengeleid, haalde hij
stukken sameet en zijde uit zijn koffers, cantille-goud en reukwerken,
en allerlei andere vreemdsoortige zaken waarvan men het gebruik niet
kende. Ten laatste ging de man weer heen, met goede winst, en zonder
het minste geweld verduurd te hebben. Een andermaal klopte er een
troep pelgrims aan de poort. Hun natte kleeren dampten voor den haard.
Wanneer hun honger gestild was, begonnen ze te verhalen van hun
tochten, hoe ze op de schuimende zee hadden gezwalkt en te voet door
het brandende zand der woestijnen getogen waren. Ze hadden het over de
wreedheid der heidenen, over de Kribbe en het Heilig Graf, en gaven
den kleinen jonker schelpen van hun mantel.

Dikwijls onthaalde de burchtheer zijn oude wapenmakkers. En altijd
weer onder het drinken, kwamen ze los over hun oorlogen, over den
stormloop op de vestingen, als de werptuigen om hen henen raasden,
over hun wonden zonder weerga. En Juliaan, die niet moede werd te
luisteren, begon krijgskreten uit te stooten. School er niet een groot
veroveraar in dien knaap? Zijn vader was er van overtuigd. Maar 's
avonds, na de vespers, als Juliaan tusschen de eerbiedig nijgende
armelieden de kerk uitschreed, kon hij zoo deemoedig en met een gebaar
zoo edel in zijn gordelbeurs tasten, dat zijn moeder vast geloofde hem
mettertijd aartsbisschop te zien.

Zijn plaats in de kapel was tusschen zijn ouders in. De diensten
duurden soms lang, maar hij bleef geknield, de baret voor de bidbank
op den grond, de handen gevouwen.

Op zekeren dag, toen hij onder de Mis even opkeek, zag hij een wit
muisje uit een gat in den muur komen. Het trippelde over de eerste
altaar-trede, en na twee of drie malen over-en-weer wippen, vluchtte
het terug naar den kant vanwaar het geslopen kwam. Den volgenden
Zondag moest Juliaan onder het bidden telkens denken, dat het muisje
wel eens weerom kon komen. En waarlijk, het kwam.

Nu wachtte hij er voortaan iederen Zondag op. Het begon hem zelf te
vervelen. Hij vatte een haat op tegen het muisje en besloot er zich
van te ontdoen.

Op een Zondag-middag sloop hij alzoo alleen de kapel binnen, en na de
deur behoedzaam gesloten te hebben, strooide hij zoete kruimels op
de altaartreden, en stelde zich toen op voor het muizengat, met een
stokje in de hand.

Na heel lang wachten kwam er een roze snuitje te voorschijn, toen de
heele muis.

Hij raakte haar met een lichten slag, en bleef verstomd staan voor dat
kleine roerlooze lichaampje.

Een druppel bloed vlekte op den vloersteen. Hij wischte het schielijk
af met de mouw, wierp de muis weg, en sprak er met niemand over.
Korten tijd later bemerkte hij dat allerlei vogels de zaden uit den
tuin wegpikten. Toen zocht hij een hol riet, en stopte het vol erwten.
Wanneer hij nu voortaan piepen of kweelen hoorde in een boom, naderde
hij heel zoetjes, richtte zijn schietbuis, blies de wangen op, en de
diertjes regenden hem zoo overvloedig op de schouders, dat hij zich
niet weerhouden kon te lachen om zijn sluwheid.

Eens op een morgen, toen hij over den middenwal uit den hof terugkeerde,
zag hij op de kap der borstwering een groote duif zitten, die zich
borstte in de zon. Juliaan bleef staan om er naar te kijken. Er was een
bres in den wal op die plaats en vlak voor de hand vond hij een diggel
van het metselwerk. Hij hief den arm op, en de steen raakte den vogel,
die in de gracht neerviel. Hij haastte zich naar de diepte, scheurde
handen en kleeren in de struiken en snuffelde overal, rapper dan een
jonge hond.

De duif hing met gebroken vleugels te beven in de takken van een
haagheester.

Het ergerde den knaap, dat ze nog leefde. Hij neep haar de keel toe.
De stuiptrekkingen van zijn gewurgde prooi deden zijn hart bonzen, ze
riepen er een wilden en onstuimigen wellust wakker. Bij haar laatste
doodskramp stokte zijn adem.

Onder het avondeten beweerde zijn vader toevallig, dat een knaap op
zijn leeftijd moest leeren jagen, en hij ging een oud schrijfboek
halen, dat in vragen en antwoorden, de geheele uiteenzetting der
jacht bevatte. Een meester onderwees er zijn leerling in de kunst der
honden-dressuur en in het africhten van valken, hoe strikken te leggen
en hoe een hert aan zijn lucht, een vos aan zijn spoor, een wolf aan
zijn voetstap te onderkennen; het beste middel om hun gangen te
weten; op welke manier men ze moet opjagen; waar zich gewoonlijk hun
schuilplaatsen bevinden; welke de gunstigste wind is; met de opsomming
der verschillende geluiden en de regels der buitverdeeling.

Toen Juliaan al deze dingen uit het hoofd kon opzeggen, bracht zijn
vader een troep jachthonden voor hem samen.

Daar waren vooreerst vier-en-twintig barbarijsche hazewinden onder,
vlugger dan gazellen, soms niet te weerhouden; ook zeventien koppels
bretonsche honden, wit gevlekt op rosse huid, zeker van hun doel,
sterk van borst en sterke blaffers. Voor de wilde-zwijnenjacht en de
gevaarlijke achtervolging waren er veertig brakken, harig als beren.

Tartaarsche bulhonden, bijna zoo hoog als ezels, vuurkleurig, breed
gerugd en recht van knie, waren bestemd om den oeros te jagen. De
zwarte vacht der poedels glom als satijn. Op een afzonderlijke
binnenplaats gromden acht vlaamsche doggen, rukkend aan hun ketting
en met de oogen rollend, ontzaglijke dieren, die paard en ruiter
bespringen en voor een leeuw niet terugdeinzen.

Allen aten weitebrood, dronken uit steenen troggen en ieder droeg een
klinkenden naam. Zoo mogelijk was de valkerij nog volmaakter in haar
samenstelling dan dit leger van honden. Door geen kosten te ontzien
had de burchtheer zich kaukasische valken weten te verschaffen,
sacervalken uit Babylonie, duitsche valkgieren, en rotsvalken,
gevangen op de steile kusten aan verre koude zeeen; ze hadden hun
verblijf in een huis met strooien dak, en zaten in volgorde van hun
grootte naast elkaar op stok, met een graszode voor zich, waarop ze nu
en dan werden neergezet, om ze lenig te houden.

Weitasschen, angels, klemmen, allerlei jachttuig werd er gereed
gemaakt.

* * * * *

Toen begon men de op vogelvangst afgerichte honden naar het veld te
brengen. Ze roken daar al spoedig buit en stonden stil.

Dan kwamen de jagermeesters voet voor voet nader, en spreidden over
hun onbeweeglijke lichamen een reusachtig net uit.

Een bevelend woord deed hen blaffen; de kwartels vlogen op; en de
edelvrouwen uit de omgeving, die met hun ridders waren uitgenoodigd,
de kinderen, de hofdames, allen vielen er op aan, en maakten ze
gemakkelijk buit.

Een andermaal sloeg men den roffel om de hazen uit hun leger op te
jagen; vossen vielen in hinderlagen, of wel een losspringende klemveer
vatte een wolf bij den poot.

Maar Juliaan minachtte die gemakkelijke kunstjes. Hij verkoos ver
buiten de menschen-wereld te jagen, alleen met zijn paard en zijn
valk. Het was bijna altijd een groote Scythische jachtvalk, zoo wit
als sneeuw. Zijn lederen kapje was met een pluim versierd, en gouden
belletjes rinkelden aan zijn blauwe pooten; hij zat stil en recht op
zijns meesters arm, terwijl het paard draafde, en de landschappen
wisselden.

Juliaan maakte dan zijn lussen los en liet hem ineens vrij; recht als
een pijl uit den boog steeg het stoutmoedige dier de lucht in, en
men zag dan twee ongelijke stippen wenden en wentelen, saamkomen en
verdwijnen in de diepten van het hemelblauw. De valk daalde weldra
neer, met een of anderen vogel tot prooi, en kwam zich opnieuw maar
met trillende vleugels, op den handschoen neerzetten. Juliaan maakte
zoo jacht op reiger en wouw, op kraaien en gieren. Hij hield er van,
in den horen te stooten en zijn honden te volgen, die de heuvels op
renden, over beken sprongen, van bosch naar bosch draafden; als het
hert begon te sterven onder de wreede beten, sloeg hij het behendig
neer. Dan was het hem een wellust toe te zien, hoe de woedende
buldoggen hun prooi verscheurden en bloed-rookend verslonden.

Op nevelachtige dagen ging hij diep het moeras in, en lag in lage naar
ganzen, otters en wilde eenden.

In den vroegsten uchtend reeds wachtten hem drie stalknechten aan
den voet van het bordes: en of de oude monnik zich ook-al uit zijn
torenvenster boog en gebaarde om hem terug te roepen, Juliaan zag niet
om. Hij ging dwars door de brandende zon, door regen en storm, dronk
bronwater uit de holle handen; deed voortdravend zijn maal aan wilde
appels, en als hij vermoeid was, legde hij zich onder een eik te
rusten. In 't midden van den nacht kwam hij thuis met bloed en slijk
bedekt, dorens in het haar en de kleeren doortrokken van de lucht
der wilde dieren. Hij werd aan hen gelijk. Wanneer zijn moeder hem
omhelsde, liet hij haar onverschillig begaan, alsof hij over verre en
diepzinnige dingen mijmerde.

Hij doodde beren met messteken, stieren met den bijl, everzwijnen
met de werpspies, en eenmaal zelfs heeft hij met een stok, zijn
laatstovergebleven wapen, een grooten troep wolven van zich
afgeslagen, die lijken verslonden aan den voet van een galg.

Zoo dan trok hij op zekeren wintermorgen uit. De dag was nog niet
aangebroken. Hij was goed toegerust, droeg den boog over den schouder,
den pijlenkoker aan den zadel-knop.

Zijn deensche hengst, gevolgd door twee dashonden, deed den grond
onder zijn gelijkmatigen draf opklinken.

IJzeldruppels kleefden aan zijn mantel; er woei een snerpende
Noordenwind.

Langzaam werd de oosterkimme lichter.

Toen zag Juliaan in den witten uchtend-schemer konijnen heen en weer
springen bij den rand van hun hol. De twee dassen stortten er
zich dadelijk op, beten in het wilde weg, en vermorzelden hun de
ruggegraat.

Weldra kwam hij dan in een bosch. Op het uiteinde van een tak sliep
een korhaan met den kop onder de vleugels, versteven van kou. Juliaan
sloeg hem met een zwaardslag de beide pooten af, en zonder hem op te
rapen, vervolgde hij zijn weg.

Drie uur later stond hij op een bergspits, zoo hoog, dat ze de wolken
raakte. Voor hem, boven een afgrond, helde een rots neer, smal en
kantig als een uitspringende muur; op haar uiteinde bevonden zich twee
wilde bokken, die in de diepte tuurden.

Daar hij geen pijlen had (zijn paard was achtergebleven) besloot hij
na eenig bezinnen langs den rotskam af te dalen en hen zoo te naderen;
gedoken en blootsvoets kwam hij ten slotte bij den eersten der twee
bokken en stiet hem een dolk in de flanken. Opgejaagd door den schrik,
sprong de tweede de leege diepte in. Juliaan schoot toe om hem nog te
raken, maar zijn rechtervoet gleed uit, en hij viel voorover op het
lijk van den eersten, het gelaat boven den afgrond en de beide armen
wijd uit.

In de vlakte reed hij langs een rij wilgen, die een rivier bezoomde.
Van tijd tot tijd kwamen hem laag-vliegende kraanvogels boven het
hoofd gestreken. Juliaan sloeg ze alle dood met zijn zweep, en miste
er geen enkele.

Intusschen had de luwte den rijm doen dooien. Breede nevelsluiers
zweefden om, en de zon brak door. Heel in de verte zag hij het
loodkleurige vlak van een bevroren meer blinken. Midden op dat ijsveld
stond een dier, dat hij niet kende, een bever met zwarten snuit.
Ondanks den afstand velde de eerste pijl het neer. Juliaan had grooten
spijt de vacht niet te kunnen meenemen.

Toen kwam hij door een dreef van groote boomen, wier kruinen aan den
woud-ingang een eereboog leken te vormen.

Een ree sprong uit het kreupelhout, een damhert bleef staan op een
viersprong, een das kwam uit een hol, op een grasvlak pronkte een pauw
met zijn staart;--en toen hij ze alle gedood had, kwamen er andere
reeen, andere damherten, andere dassen, andere pauwen, merels en
meerkollen, bunzings, vossen, egels, lynxen, almaar-door nieuwe
dieren, ontelbaar en bij iedere schrede talrijker. Ze wendden en
keerden om hem heen en zagen hem aan met zachtaardigen, smeekenden
blik. Maar Juliaan werd het niet moe ze alle te dooden, nu eens zijn
boog spannend, dan zijn zwaard trekkend, of stekend met zijn knijf, en
hij had heugenis of nagedachte over niets ter wereld. Hij was op jacht
in een of ander land, sinds onbestemden tijd, en hij jaagde omdat
hij leefde, leefde omdat hij jaagde, alles voltrok zich zoo licht en
gemakkelijk als in een droom. Een buitengewoon schouwspel hield hem
echter staande. Een vallei, die den vorm had van een renperk, stond
vol herten; dicht saamgedrongen verwarmden ze elkaar met hun adem, die
men in den nevel zag om-wademen. Het vooruitzicht van zoo'n slachting
versmachtte hem van lust, oogenblikken lang. Toen sprong hij van zijn
paard, stroopte de mouwen op en begon aan te leggen. Bij het fluiten
van den eersten pijl wendden alle herten tegelijk hem den kop toe. Er
kwamen bressen in hun massa; klagende stemmen kermden, en een groote
beweging ontrustte de kudde.

De hellingen der vallei waren te hoog; ingesloten sprongen de dieren
om, en zochten een uitweg. Juliaan mikte en schoot, de pijlen vielen
als regenstralen bij een onweer. De getergde herten weerden zich,
steigerden, sprongen op elkander, en hun lichamen met hun verwarde
geweien vormden een breeden heuvel, die zich verplaatste en
ineenstortte. Ten laatste stierven ze, uitgestrekt op het zand, het
schuim op den bek en met uitpuilende ingewanden. Het zwoegen van hun
lichaam werd zwakker en zwakker. Toen was alles stil.

De nacht begon te duisteren, en achter het bosch, tusschen de takken
door, was de hemel rood als een bloed-doordrenkte dwale.

Juliaan leunde met den rug tegen een boom. Met wijd-gesperde oogen
stond hij naar het monsterachtige bloedbad te staren, niet begrijpend,
hoe hij het had kunnen aanrichten.

Aan de andere zijde van het dal, bij den boschrand, werd hij toen
ineens een ander hert gewaar, met een hinde en haar jong.

Het hert dat zwart was en reusachtig van gestalte, droeg zestien
takken in zijn gewei en een witte sik. De hinde, blondbruin zooals
dorre bladers zijn, graasde, en het gevlekte reebokje volgde zijn
moeder.

Toen snorde de boog nogmaals. Het reetje was dadelijk dood. De
moeder sloeg den blik omhoog en huilde met een diepe, menschelijke,
hartverscheurende stem. Dit tergde Juliaan, en hij velde haar met
een pijl in de borst. Het groote hert had dit gezien, het deed een
zijsprong, en Juliaan schoot zijn laatsten pijl er op af. Die raakte
het in 't voorhoofd, en bleef daar steken.

Het groote hert scheen dit niet te voelen; het stapte over de doode
hinde en het bokje heen en naderde hem steeds dichter met gebukt
gewei, om zich op hem te werpen en hem het lichaam open te rijten.

Door angst bevangen deinsde Juliaan terug. Het wonderbare dier stond
stil; en met vlammende oogen, plechtig als een patriarch en een
richter, herhaalde het tot driemaal toe, terwijl er een klok luidde in
de verte:

"Vervloekt! vervloekt! vervloekt! De dag zal komen, wreedaardig hart,
dat ge uw vader en moeder vermoorden zult."

Het boog de knieen, sloot zacht de oogen en stierf.

Juliaan was verstomd blijven staan; toen deed een plotselinge
vermoeienis hem ineen-zinken, en een weerzin, een eindelooze droefenis
overstelpten hem. Met het hoofd in de handen bleef hij schreien.
Hij was zijn paard verloren, zijn honden hadden hem verlaten, de
eenzaamheid die hem omgaf, voelde hij dreigen met onbestemde gevaren.
En eensklaps vluchtte hij verschrikt weg, dwars de velden door, over
het eerste het beste voetpad, en zonder te weten hoe, stond hij ineens
voor de burchtpoort.

's Nachts sliep hij niet. Bij het weifelig schijnsel der hanglamp zag
hij voortdurend het donkere reuzenhert, wiens vloek hem kwellen bleef.
Hij vocht er tegenin. "Neen! neen! neen! ik kan ze niet dooden, nooit
of nimmer!" maar even later: "En zoo ik er toch, ondanks alles, toe
komen zou?" Steeds grooter werd zijn angst, dat de Booze hem zou
aandrijven.

Drie maanden lang bad Juliaans moeder in doodsangst aan zijn sponde;
en zijn vader liep aanhoudend zuchtend heen en weer door de gangen.
De meest beroemde geneesmeesters liet hij komen. Ze schreven groote
hoeveelheden artsenijen voor en beweerden, dat Juliaans kwaal werd
veroorzaakt, of door een kwaden luchtstroom, of door een verlangen
naar liefde. Maar de jonker schudde op alle vragen het hoofd.

Eindelijk begon hij toch weer bij krachten te komen; en hij wandelde
nu op het binnenplein, tusschen den ouden monnik en den burchtheer in,
die hem ieder bij een arm ondersteunden.

Toen hij geheel hersteld was, wilde hij, in halsstarrig verzet, van
geen jagen meer hooren.

Zijn vader wilde hem een genoegen doen en schonk hem een groot
saraceensch zwaard. Het hing in een wapenrek, boven tegen een pijler.
Er moest een ladder gehaald worden. Juliaan klom er op. Het al te
zware zwaard viel hem uit de handen, en raakte in zijn val den
burchtheer zoo dicht, dat het zijn mantel openscheurde. Juliaan
meende, dat hij zijn vader had gedood en viel in onmacht.

Sedert had hij een afschrik van wapens. De aanblik van een blanke
kling deed hem bleek worden. Deze blooheid van Juliaan werd zijn
omgeving tot groot verdriet.

Ten laatste bezwoer de oude monnik hem, om Gods wil en der vaderen
eer, ridderspel en wapenhandel weer op te vatten.

De schildknapen vermaakten zich toen juist iederen dag met het
hanteeren van den werp-schicht. Juliaan muntte weldra uit in dat spel.
Hij mikte zijn schicht in den hals eener flesch en trof de hoogste
windwijzers, dat hun punten versplinterden. Op honderd passen afstand
raakte hij de nagelkoppen in de deuren.

Op een zomeravond, in het uur dat de schemer de dingen doet vervagen,
zag hij, terwijl hij in de wingerddreef aan 't wandelen was, heel
in de verte daar twee witte vleugels fladderen, ter hoogte van het
lat-werk. Hij meende niet anders, of 't was een ooievaar, en hij wierp
zijn schicht.

Een schelle kreet klonk op. Het was zijn moeder, wier breed geslipte
huive aan den muur bleef vastgespietst.

Juliaan vluchtte uit den burcht en keerde niet terug.




II


Hij sloot zich aan bij een voorbijtrekkenden troep avonturiers.

Hij leerde honger en dorst kennen, koortsen en ongedierte. Hij werd
gewoon aan het geraas der vechtpartijen en den aanblik van den dood.
De wind taande zijn huid. Zijn leden hardden onder de wapenrusting,
en daar hij zeer sterk, moedig, matig en wakker was, stond hij reeds
spoedig zelf aan het hoofd van een troep.

Wanneer de slag zou beginnen, bezielde hij zijn soldaten door een
breeden zwaai met zijn zwaard.

Langs een knoopladder beklauterde hij 's nachts de fortmuren, terwijl
de storm hem heen-en-weer slingerde, terwijl de vonken van het
grieksch vuur aan zijn kuras kleefden, en ziedend hars en gesmolten
lood uit de schietgaten stroomden. Dikwijls werd zijn schild door een
steenworp verbrijzeld. Bruggen stortten in onder den al te zwaren
last zijner benden. Met een zwaai van zijn knots ontdeed hij zich van
veertien ruiters, en in het strijdperk versloeg hij allen, die zich
met hem dorsten meten. Meer dan twintig keer waande men hem dood. Dank
zij de Goddelijke genade ontkwam hij het telkens; want hij beschermde
de kerken, weduwen en weezen, en vooral de oude lieden.

Wanneer er een grijsaard voor hem uitging, riep hij hem aan, om zijn
gelaat te onderkennen, als in vreeze hem bij vergissing te dooden.
Weggeloopen slaven, muitende boeren, verraders zonder goede kans,
allerlei waaghalzen stroomden toe onder zijn vaandel, en hij vormde
een steeds aangroeiend leger. Hij werd befaamd. Men dong om zijn hulp.

Om beurten stond hij den Franschen dauphijn bij en den koning van
Engeland, de tempeliers van Jeruzalem, den surena der Parthen, den
negus van Abbessynie en den keizer van Calicuta. Hij streed tegen de
Scandinaviers, die met vischschubben overdekt waren, tegen Negers
op rosse muildieren en met rondassen van nijlpaardenleer; tegen
koperkleurige Indianen, die boven hun veeren hoofdtooi breede
spiegelblanke klingen zwaaiden. Hij verwon holbewoners en
menschen-eters. Hij trok door zulke heete luchtstreken, dat de
zonnehitte het haar van zijn soldaten verschroeide en vlam deed vatten
als een fakkel. Elders heerschte zoo'n koude, dat de armen er van het
lichaam losvroren en op den grond vielen.

In andere landen hingen de nevels zoo dicht, dat zijn troepen om hem
heen verwaasden tot stoeten van schimmen.

Republieken, die in moeilijkheden waren, raadpleegden hem. Bij de
samenkomst der afgezanten verkreeg hij onverhoopte voorwaarden.
Wanneer een vorst zich misdroeg, verscheen hij ineens om hem te
vermanen. Hij vocht volken vrij. Hij verloste koninginnen uit de
torens, waar ze gekerkerd zaten. Hij, en niemand anders, doodde de
slang van Milaan en den draak van Ober-birbach.

Welnu dan: de keizer van Occitanie, die de Spaansche Muzelmannen
overwon, had de zuster van den kalief van Cordova getrouwd; ze schonk
den keizer een dochter, die hij in den Christelijken godsdienst
opvoedde. Maar de kalief wendde voor, dat hij zich bekeeren wilde en
kwam hem zoo, met talrijk geleide, een bezoek brengen. Hij
verdelgde toen de heele bezetting, en wierp den keizer zelf in een
onderaardschen kerker, waar hij hem zeer hardvochtig behandelde, om
schatten als losgeld te krijgen.

Juliaan snelde hem ter hulp, versloeg het leger van de verraders,
belegerde de stad, doodde den kalief, hieuw hem het hoofd af, en rolde
het als een bal over de wallen heen. Toen verloste hij den keizer uit
den kerker en plaatste hem weer op den troon, in tegenwoordigheid van
zijn geheele hof.

De keizer wilde hem, tot dank voor zulk een dienst, korven vol geld
geven. Juliaan begeerde het niet. Meenend dat hij meer verlangde, bood
de keizer hem toen drie-vierde-deel van zijn rijkdommen aan; nieuwe
weigering. Ten einde raad stelde de keizer hem voor het rijk met hem
te deelen, en nog bedankte Juliaan. Toen schreide de keizer van spijt
en wist niets meer. Maar plotseling sloeg hij zich voor het voorhoofd.
Hij fluisterde een hoveling iets toe; een wandtapijt werd opgelicht en
daar trad een jonkvrouw te voorschijn.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.