Drie Vertellingen
G >>
Gustave Flaubert >> Drie Vertellingen
Pages:
1 |
2 | 3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8
Toch hield hij van gezelligheid, want Zondags, als de dames
Rochefeuille, mijnheer de Houppeville er waren en nieuwe kennissen:
Onfroy, de apotheker, mijnheer Varin en kapitein Mathieu, om hun
partijtje kaart te spelen, vloog hij tegen de ruiten op, en ging met
zoo'n geweld te keer, dat men elkaar onmogelijk kon verstaan.
Het gelaat van Bourais leek hem zeker heel zot toe. Zoogauw hij hem
zag, begon hij uit alle macht te lachen. Het geschater van zijn stem
kaatste over de plaats, de echo herhaalde het, de buren kwamen aan
't venster en lachten ook. Om niet gezien te worden, sloop mijnheer
Bourais den muur langs, en zijn profiel verbergend achter zijn hoed,
ging hij tot bij de rivier, om dan door de tuindeur weer binnen te
komen, en de blikken die hij den papegaai toezond, waren allesbehalve
liefelijk.
Loulou had van den slagersknecht een knip voor den neus gekregen,
omdat hij zich veroorloofd had den kop in diens korf te steken; sedert
trachtte hij altijd hem te pikken door zijn hemdsmouwen heen. Fabu
dreigde hem den hals om te draaien, en toch was hij, ondanks zijn
getatoueerde armen en zijn groote bakkebaarden, niet wreed van aard.
Integendeel! hij mocht den papegaai wel, zoo zelfs, dat hij, in goede
luim, hem vloeken leerde zeggen. Felicite, wie zulke manieren niet
aanstonden, zette hem in de keuken. Zijn ketting werd weggenomen, en
hij zat het heele huis door.
Wanneer hij de trap af moest, stutte hij met de kromming van zijn
snavel op de treden, hief den rechterpoot op, dan den linker, en zij
was bang dat dergelijke gymnastische toeren hem duizelig zouden maken.
Hij werd ziek, kon niet meer praten of eten. Er zat hem een dikte
onder de tong, zooals kippen dit soms hebben. Ze genas hem door dat
vlies met haar nagels los te trekken. Mijnheer Paul was eens zoo
onvoorzichtig, hem den rook van z'n sigaar in den neus te blazen, een
anderen keer toen mevrouw Lormeau hem plaagde met den punt van haar
parasol, hapte hij er het ijzeren dopje af, en ten slotte vloog hij
kwijt.
Ze had hem op het gras gezet om hem een luchtje te laten scheppen, en
ging even weg; toen ze terugkwam, geen papegaai meer! Eerst zocht
ze hem in de struiken, aan den waterkant, op de daken, zonder te
luisteren naar mevrouw, die haar toeriep:--"Wees toch voorzichtig! ge
zijt dwaas!" Toen doorspeurde ze alle tuinen van Pont-l'Eveque, en ze
hield de voorbijgangers staande:--"Hebt u somwijlen toevallig
mijn papegaai gezien?" Wanneer ze hem niet kenden, gaf ze hun een
beschrijving van zijn uiterlijk. Ineens meende ze achter den molen,
laag tegen den wal iets groens te zien rondfladderen. Maar toen ze op
den kant kwam, was er niets! Een sjouwer beweerde, dat hij hem zooeven
gezien had te Saint-Melaine in den winkel van vrouw Simon. Ze liep er
heen. Men begreep daar niet wat ze bedoelde. Eindelijk kwam ze weer
thuis, uitgeput, de sloffen vol gaten, den dood in het hart; en, juist
zat ze midden op de bank, naast mevrouw, heel haar wedervaren te
vertellen, toen een lichte last haar op den schouder viel. Loulou! Wat
drommel had hij uitgevoerd? Misschien was hij een uitstapje gaan doen
in den omtrek.
Ze kon er moeilijk bovenop komen, of liever ze kwam er nooit meer
bovenop.
Ze had kou gevat en kreeg dientengevolge een keelontsteking; kort
daarna een oorziekte. Drie jaar later was ze doof, en ze sprak heel
luid, zelfs in de kerk. Hoewel haar zonden gerust zonder schande voor
haar, of zonder schade voor den evenmensch, naar alle kanten van het
bisdom mochten rondverteld, oordeelde mijnheer pastoor het gepast,
haar niet anders meer dan in de sacristie de biecht te hooren.
Een denkbeeldig, telkens weerkeerend gesuizel bracht haar voorgoed van
de wijs. 't Gebeurde meer dan eens, dat mevrouw zei:--"Mijn hemel!
wat ben je toch dom!" en dat zij daarop met een:--"Ja, mevrouw," iets
zoeken ging in de kamer.
Haar kleine gedachten-kring werd nog enger, en het gebeier der
klokken, het geloei der runderen zelfs, bestond niet meer voor haar.
Alle wezens bewogen zich als schimmen zoo stil. Slechts een enkel
gerucht nog drong tot haar door, de stem van den papegaai.
Als om haar wat afleiding te bezorgen, bootste hij het getiktak van
het braadspit na, den schellen roep van een vischventer, de zaag van
den schrijnwerker aan den overkant, en als 't belde, riep hij met
mevrouw Aubain's stem: "Felicite! open doen! open doen!"
Ze hielden samenspraken, hij tot vervelens toe de zinnen van zijn
repertoire herhalend, en zij er op antwoordend met woorden zonder veel
meer samenhang, maar waarin ze haar hart uitstortte. Loulou was haar,
in haar afzondering, bijna een zoon, een geliefde. Hij klom langs
haar vingers op, knabbelde op haar lippen, klauwde zich vast in haar
omslagdoek, en wanneer ze dan het bevend hoofd voorover boog, werden
de groote vleugels van de muts en de vleugels van den vogel door
eenzelfde trilling bewogen.
Wanneer de wolken zich opstapelden en de donder rommelde, begon hij te
krijschen, misschien zich de stortvlagen herinnerend van de bosschen
waar hij geboren werd. Het geruisch van het water maakte hem razend;
hij fladderde om, buiten zich zelf van angst, klampte zich tegen de
zoldering, gooide alles omver, en ging door het venster, in den tuin
rondploeteren; maar al gauw kwam hij weer op een der haardijzers
neergestreken, en heen-en-weer wippend om zijn veeren te laten drogen,
liet hij nu eens zijn staart, dan zijn bek zien.
Op een morgen in den strengen winter van 1837, toen ze hem wegens de
koude voor den schoorsteen had gezet, vond ze hem dood midden in zijn
kooi, de kop omlaag, de nagels in het ijzerdraad. Hij had zeker een
congestie gehad. Zij dacht aan een vergiftiging met peterselie, en
ondanks alle gebrek aan bewijs, vatte ze kwade vermoedens op tegen
Fabu.
Zoo schreide ze, dat mevrouw zei:--"Kom, kom! laat hem dan opzetten!"
Ze ging raad vragen aan den apotheker, die altijd goed was geweest
voor Loulou.
Hij schreef naar Havre. Een zekere Fellacher nam het werk op zich. Per
diligence raakten de pakgoederen soms kwijt, en daarom besloot ze haar
armen Loulou zelf tot Honfleur weg te brengen.
De appelboomen stonden bladerloos langs den weg. IJs dekte de
slooten. Honden blaften bij de hoeven; ze hield de handen onder haar
schoudermantel, en met haar zwarte klompjes en haar karbies, spoedde
ze zich voort, midden over de keien.
Ze ging dwars door het bosch, kwam Haut-Chene voorbij, en bereikte
Saint-Gatien.
Achter haar kwam in een dichte stofwolk een postdiligence met dolle
vaart als een windhoos de helling afrollen. Toen hij daar een vrouw
gewaar werd, die rustig bleef loopen waar ze liep, bukte de conducteur
zich voorover uit de kap, en ook de postiljon schreeuwde, terwijl zijn
vier paarden, die hij niet kon inhouden, hun draf versnelden; de twee
voorste waren zoo nabij, dat ze haar raakten; met een schok van de
teugels rukte hij het vierspan den berm op, maar woedend hief hij den
arm, en uit alle macht striemde hij Felicite met zijn lange zweep zoo
fel langs borst en aangezicht, dat ze achterover viel.
Toen ze weer bijkwam, was het haar eerste werk, de mand te openen.
Gelukkig, Loulou was ongedeerd! Zij voelde een brandende pijn aan de
rechterwang; toen ze met de handen er langs streek, werden die rood.
Er liep bloed uit.
Ze ging op een kiezelhoop zitten, bette zich het gelaat met den
zakdoek, at toen een korst brood, die ze uit voorzorg in haar mand had
gestopt, en troostte zich over haar wonde door den vogel te bekijken.
Op den heuvel van Ecquemauville gekomen, zag ze de lichten van
Honfleur, die in den nacht tintelden, als even zooveel sterren; verder
nog schemerde het vage vlak der zee. Toen voelde ze zich wee
worden van uitputting. Ze moest stilstaan, en de ellende van haar
kinderjaren, de teleurstelling harer eerste liefde, het heengaan van
haar neefje, Virginie's dood, het kwam alles tegelijk weer op in haar
hart, zooals bij vloed de golven opkomen, het steeg haar naar de keel
en verstikte haar den adem.
Toen wilde ze den kapitein der boot spreken, en zonder te zeggen wat
er in de mand verpakt was, vroeg ze hem er vooral goed voor te zorgen.
Fellacher hield den papegaai lang. Hij beloofde hem telkens voor de
volgende week.
Na verloop van zes maanden berichtte hij, dat er een kist afgezonden
was; toen hoorde ze er verder niets van. Het scheen wel dat Loulou
nooit meer zou terugkomen. "Ze hebben hem gestolen!" dacht ze.
Eindelijk kwam hij,--prachtig, recht-zittend op een tak die in een
mahoniehouten voet stond geschroefd, een poot in de lucht, den kop
schuin, en knabbelend op een noot, door den vogelopzetter, uit
liefhebberij voor 't indrukwekkende, verguld!
Ze borg hem in haar kamer.
Dit plekje van het huis, waar ze bijna niemand toeliet, leek evenveel
op een kapelletje als op een bazaar, zooveel devotie-dingen en zooveel
rommel waren er bijeen.
De deur ging moeielijk open, omdat er een groote kast in den weg
stond. Tegenover het venster aan de tuinzijde was een zolderraampje
dat uitzag op de plaats voor het huis. Op een tafel naast het veldbed
lagen, bij een lampetkan, twee kammen en een stuk blauwe zeep op
de scherf van een schoteltje. Tegen de muren hingen: rozenkransen,
medailles, verschillende Lieve-Vrouwtjes, een wijwaterbakje van een
kokosnoot; op de latafel als een altaar met een witten doek bedekt,
stond de schelpendoos die Victor haar had gegeven, en ook een gieter
en een bolle flesch; schrijfboeken lagen er, de aardrijkskundige
prenten, een paar schoenen, en aan den spijker van den spiegel, hing,
aan zijn linten, het pluchen hoedje! Zoo ver dreef Felicite deze soort
van vereering, dat ze zelfs een der pandjassen van mijnheer bewaarde.
Alle oude prullen waar mevrouw Aubain genoeg van had, nam ze mee voor
haar kamer. Zoo kwam het, dat er opgemaakte bloemen langs den rand der
latafel stonden, en dat het portret van den graaf van Artois er in de
nis van het zoldervenstertje hing.
Bij middel van een plankje werd Loulou tegen een uitspringende
schouwgang geplaatst. Iederen morgen bij haar ontwaken zag ze hem in
het licht van den aanbrekenden dag, en zonder hartzeer, heel rustig,
dacht ze dan aan de vervlogen jaren, en aan de onbeduidendste
voorvallen tot in hun minste bijzonderheden.
Daar ze met geen mensch meer gemeenschap kon hebben, leefde ze, als
een slaapwandelaarster, in een durende verdooving. De processies van
Sacramentsdag deden haar weer opleven. Ze ging bij de buren kaarsen
en matten vragen om er het rustaltaar mee te sieren, dat in de straat
werd opgericht.
In de kerk schouwde ze altijd naar de duif, die den Heiligen Geest
voorstelde, en vond dat ze wat geleek op haar papegaai. Die gelijkenis
scheen haar nog treffender op een plaat van Epinal, den doop Onzes
Heeren weergevend. Die duif met haar purperen vleugels en haar romp
van smaragd, ze leek wezenlijk het portret van Loulou.
Ze kocht die plaat en hing ze waar de graaf van Artois gehangen
had;--zoo zag ze hen in eenen oogopslag. In haar gedachten werden ze
een, de papegaai als gewijd door zijn overeenkomst met die duif. En ze
bad met de oogen naar de plaat, maar een klein weinigje wendde ze zich
nu-en-dan toch naar haar vogel toe.
Ze wilde zich in de Maria-congregatie laten opnemen, doch mevrouw
Aubain praatte haar dit uit 't hoofd.
Ineens was er iets heel buitengewoons: het huwelijk van Paul.
Na eerst notarisklerk te zijn geweest, was hij achtereenvolgens in den
handel, bij de invoerrechten en bij de belastingen gegaan, en zelfs
had hij gepoogd bij de jacht en visscherij te komen, toen, zes en
dertig jaar oud, had hij ineens, als door een ingeving van den hemel,
zijn weg gevonden: de registratie! een zoo grooten aanleg toonde hij
ervoor, dat een verificateur hem zijn dochter ten huwelijk bood en hem
zijn protectie beloofde.
Paul, die 't nu ernstig meende, bracht haar bij zijn moeder. Ze
smaalde op de gewoonten van Pont-l'Eveque, speelde de prinses,
beleedigde Felicite. Het was mevrouw Aubain een heele verlichting toen
ze vertrok.
De week daarop kwam de tijding dat mijnheer Bourais in Neder-Bretagne
in een herberg was dood gebleven. Het gerucht van een zelfmoord werd
bevestigd; er rees twijfel aan zijn eerlijkheid. Mevrouw Aubain zag
nauwkeurig haar rekeningen na, en vond al spoedig een lange reeks
van ongerechtigheden, verduistering van achterstallige schulden,
verdonkermaande houtverkoopen, valsche kwitanties, enz.
Die schelmerijen deden haar veel verdriet. In Maart 1853 werd
ze aangetast door een longziekte; haar tong scheen bewasemd; de
bloedzuigers bedaarden de benauwdheid niet, en den negenden avond
stierf ze, juist twee en zeventig jaar oud.
Niemand had haar voor zoo bejaard aangezien, omdat ze nog niets grijs
was. Ze droeg het bruine haar in platte banden tegen het bleeke, door
de pokken geschonden gezicht. Ze liet niet veel vrinden na, die leed
hadden over haar heengaan. Ze had iets hooghartigs over zich, dat de
menschen op een afstand hield.
Felicite treurde over haar zooals geen dienstbaren over hun meesters
treuren. Dat mevrouw eerder stierf dan zij, bracht haar geest in de
war, scheen haar in te druischen tegen den gewonen loop der dingen,
het leek haar onaannemelijk en al te wreed.
Tien dagen later (juist de tijd die er noodig was voor de reis van
Besancon) kwamen ineens de erfgenamen. De schoondochter doorzocht de
laden, koos meubels uit, verkocht de overige, daarna keerden ze samen
naar Paul's registratie-bureau terug.
Mevrouws fauteuil, haar tafeltje, haar stoof, de acht stoelen waren
weg. De plaatsen waar de gravures hadden gehangen, teekenden zich
als vierkante gele plekken af midden op de wanden. Ze hadden de twee
ledikantjes meegenomen, ook de matrassen, en in de muurkast was niets
meer te vinden van Virginie's kleinooden! Felicite klom van de eene
verdieping naar de andere, buiten zich zelve van verdriet.
Den volgenden dag zat er een plakkaat op de deur; de apotheker
schreeuwde haar in 't oor, dat het huis te koop stond.
Ze wankelde en moest gaan zitten.
Het zolderkamertje te moeten verlaten, waar die arme Loulou zoo'n goed
plaatsje had, dit was wel haar grootste verdriet. Met een angstigen
blik op haar vogel, bad ze of de Heilige Geest hem wilde beschermen,
en zoo vernevelden haar zinnen, dat ze langzamerhand de afgodische
gewoonte aannam, haar gebeden te prevelen neergeknield voor den
papegaai. Soms raakte de zon, die door het zoldervenstertje viel,
juist zijn glazen oog, en deed er een grooten glanzenden lichtstraal
uitschieten, die haar in vervoering bracht.
Ze had een inkomen van driehonderdtachtig franken 's jaars, een legaat
van mevrouw. De tuin leverde haar groenten op. Kleeren had ze voor
levenslang genoeg, en door te gaan slapen, zoo gauw de avond viel,
spaarde ze het licht uit.
Ze zette nooit meer een voet op straat, om den uitdragerswinkel te
mijden, waar eenige van de oude meubels te koop stonden. Sinds haar
geest zoo begon te verzwakken, sleepte ze het eene been, en omdat haar
krachten afnamen, kwam vrouw Simon, die in haar kruidenierszaakje
alles verloren had, iederen morgen haar hout klooven en water pompen.
Haar oogen werden steeds zwakker. De zonneblinden gingen niet meer
open. Veel jaren verliepen er. En er kwamen noch huurders, noch
koopers voor het huis.
Vreezende dat men haar zou aanzeggen het huis te verlaten, vroeg
Felicite om geen enkele reparatie. De binten van het dak waren aan
't rotten; een winterlang was haar peluw doortrokken van 't nat. Na
Paschen gaf ze bloed op. Toen ging vrouw Simon een dokter roepen.
Felicite wilde weten, wat haar scheelde. Maar ze was te doof om het
te kunnen verstaan, een enkel woord slechts drong tot haar door:
"Longontsteking." Ze kende dit woord, en zei zachtjes:--"O, juist als
mevrouw," ze vond het heel natuurlijk hetzelfde te hebben als haar
meesteres.
De dag van de rustaltaartjes naderde.
Het eerste stond altijd aan 't einde van den oeverwal, het tweede voor
de post, het derde zoowat halfweg de straat. Er ontstond een wedijver
over de plaats van dit laatste, en de vrouwen der parochie kozen ten
slotte de voorplaats van mevrouw Aubain.
De benauwdheden en de koorts namen toe. Felicite trok het zich erg
aan, niets te kunnen doen voor het altaartje. Kon ze er tenminste nog
iets op neerzetten! Ze dacht toen aan den pagegaai. Dat voegde
niet, wierpen de buurvrouwen tegen. Maar de pastoor gaf toch wel
toestemming. Ze was daar zoo gelukkig mee, dat ze hem vroeg Loulou van
haar te willen aannemen na haar dood, Loulou haar eenigen rijkdom.
Van Dinsdag tot Zaterdag voor Sacramentsdag hoestte ze veel meer.
's Avonds was haar gezicht vertrokken, haar lippen kleefden aan het
tandvleesch, ze begon brakingen te krijgen, en den volgenden morgen,
in de vroegte, voelde ze zich heel minnetjes en liet een priester
roepen.
Drie buurvrouwen waren bij haar, toen ze het heilig oliesel ontving.
Daarop zei ze, noodig met Fabu te moeten spreken.
Hij kwam in z'n zondagsche kleeren, slecht op zijn gemak in al die
narigheid.
--"Vergeef me," zei ze met een poging om den arm uit te strekken, "ik
heb altijd gemeend, dat gij hem hadt dood gemaakt."
Wat was dat voor lasterpraat? Hem verdacht te hebben van een moord,
een man als hij! Hij maakte zich boos, begon te razen en te tieren.
--"Ge ziet toch wel, dat ze niet meer bij zinnen is!"
Nu en dan was Felicite met schimmen aan 't praten. De drie buurvrouwen
gingen heen. Vrouw Simon dronk koffie.
Een oogenblik later nam ze Loulou, en hem Felicite voorhoudend:
--"Kom! zeg hem vaarwel!"
De wormen knaagden aan hem, al was hij dan ook opgezet, een van zijn
vleugels hing gebroken, het vulsel puilde hem uit den buik. Maar ze
was nu blind, ze kuste hem op den kop en hield hem tegen haar wang.
Toen nam vrouw Simon hem weer terug, om hem op 't altaartje te zetten.
V
Uit de weien woei de zomergeur aan; vliegen gonsden; de zon
overglansde de rivier en blakerde de leien. Vrouw Simon was
teruggekomen en viel zachtjes in slaap.
Klokgelui maakte haar wakker; de vespers waren uit. Felicite kwam weer
bij. Ze dacht aan de processie en zag die voor haar oogen, alsof ze er
in meeging.
Alle schoolkinderen, de zangers en de brandweergasten liepen over
de stoepen, terwijl midden in de straat de hondenslager met zijn
hellebaard, de onderkoster met den kruisstaf voorttogen, ook de
onderwijzer, die een waakzaam oog hield op de schooljongens, en de
zuster vol zorg voor haar kleine meisjes; drie van de allerliefste,
met krullekopjes als engelen, wierpen rozeblaadjes in de lucht; de
diaken temperde, met uitgebreide armen, de muziek, en twee knapen
met wierookvaten keerden zich bij iedere schrede naar het Heilig
Sacrament, dat onder een hel-rooden troonhemel, dien vier kerkmeesters
torsten, gedragen werd door mijnheer Pastoor in zijn prachtige
kazuifel. Een stroom van menschen volgde, tusschen het witte doek, dat
de muur der huizen bedekte; en men kwam aan 't eind van den oeverwal.
Felicite's slapen waren klam van 't koude zweet. Vrouw Simon bette ze
met een stuk linnen, peinzend hoe ook zij eenmaal dit alles zou moeten
doorstaan.
Het gegons der menigte nam toe, was een oogenblik zeer luid, en
verwijderde zich.
Een losbarsting van geweerschoten deed de ruiten trillen. Het waren
de postiljons die het Allerheiligste groetten. Felicite rolde met de
oogen, en zei, zoo duidelijk ze vermocht, vol zorg voor den papegaai:
"Staat hij goed?"
Haar doodsstrijd begon. Een gereutel, dat steeds sneller werd,
deed haar zijden schokken, 't Schuim blies tot bellen op in haar
mondhoeken, en heel haar lichaam beefde.
Niet lang, of men hoorde het geschal der koperen bashoorns, de heldere
kinderstemmen, de zware stem der mannen. Bij tusschen-poozen was
alles stil, en het treden der voetstappen, gedempt door het
bloemen-strooisel, geleek op het geschuifel van een kudde, die
voorttrekt over het gras.
De schaar van priesters verscheen op de voorplaats. Vrouw Simon
klauterde op een stoel om bij het zolderraampje te komen, en zag zoo
vlak neer op het altaartje.
Groene guirlanden hingen er over en het was versierd met een strook
van Engelsche kant. Middenop stond een schilderijtje met relikwieen,
twee oranjeboompjes op de hoeken, en in het rond zilveren luchters en
porseleinen vazen, waaruit zonnebloemen oprankten, lelies, pioenen,
campanula's, bossen hortensia's. Dit kleurgewemel daalde schuin omlaag
van de eerste verdieping tot op het vloerkleed, dat tot ver over de
straatsteenen lag uitgespreid; en vreemdsoortige voorwerpen trokken
het oog. Een verguld zilveren suikerpot droeg een kroon van viooltjes,
hangers van Alenconschen steen schitterden op een laagje mos, twee
Chineesche horretjes stalden hun landschappen ten toon. Loulou stond
onder rozen verborgen, en van hem was niets te bespeuren dan
't bovenste van zijn blauwen kop, en dit blonk als een plakje
lazuursteen.
De kerkmeesters, de zangers, de kinderen schaarden zich aan de drie
zijden van de plaats. De priester besteeg langzaam de altaartreden, en
zette op de kanten dwale zijn monstrans, die straalde als een
groote gouden zon. Allen knielden. Er zonk een diepe stilte. En de
wierookvaten gleden in breeden uitzwaai op hun kettingen weg en weder.
Een azuren waas steeg naar de kamer van Felicite. Haar neusgaten
zetten zich uit terwijl ze den wierook inademde met een mystiek
welbehagen; dan sloot ze de oogen. Haar lippen glimlachten. De
bewegingen van haar hart vertraagden een voor een, telkens flauwer,
telkens zachter, zooals een fontein uitgeput neerruischt, zooals een
echo wegsterft; en terwijl ze den laatsten adem uitblies, waande ze
in de open hemelen een reusachtigen papegaai te zien, zwevend boven
haar hoofd.
DE LEGENDE VAN SINT-JULIAAN DEN GASTVRIJE
I
De vader en de moeder van Juliaan bewoonden een kasteel midden in
bosschen op de helling van een heuvel.
De spitsen van de vier hoektorens waren met looden schubben bedekt,
en de voet der muren steunde op rotsen, die steil neerhelden naar de
grachtdiepte.
Het plaveisel van het binnenplein was gaaf als dat van een kerkvloer.
Draken met den gapenden muil nederwaarts, spuwden het regenwater uit
de dakgoten naar den put, en op ieder vensterkozijn, alle verdiepingen
langs, bloeide in een beschilderden aarden pot, een bos balsemkruid of
heliotroop.
Een tweede omheining van steenen palen omsloot vooreerst een boomgaard
en een tuin, waar de bloemen in bonte schikking naamletters teekenden
op de perken; verder een wijngaard met lustprieelen, en een kolfbaan
voor de pages. Aan de andere zijde bevonden zich de hondenhokken en
de stallen, bakkerij en druivenpers, en de schuren. Het geheel was
omgeven door groene weiden, die op hare beurt omsloten werden door een
zware haag van meidoorns.
De vrede duurde reeds zooveel jaren door, dat de valpoort tot vaste
brug diende; de grachten waren vol water; de zwaluwen bouwden haar
nest in de kanteelen, en de boogschutter die den lieven langen dag
op den middenwal heen-en-weer moest wandelen, dook weg in het
wachttorentje, zoodra de zon te fel begon te branden, en lag er
met een gerust gemoed, uren lang ongestoord te slapen. Binnenshuis
schitterde het beslag van hengsels en sloten overal als zilver;
kostbare wandtapijten beschutten de kamers tegen de koude; de kasten
waren overvuld van het fijnste lijnwaad; in de kelders lagen de tonnen
met wijn hoog opgestapeld, en de eikenhouten koffers kraakten onder
het gewicht der geldzakken.
In de wapenzaal, waren tusschen ruitervanen en roofdierkoppen, wapenen
uit alle tijden en van alle volken te vinden: van de slingers der
Amalekieten en de werpspiesen der Garamantijnen, tot de kromzwaarden
der Saracenen en de malienkolders der Normandiers.
Aan het groote braadspit in de keuken kon wel een os geroosterd
worden. De huiskapel was weidsch en rijk als die van een koning. In
een achterafhoek van het kasteel was zelfs een romeinsch bad, maar de
burchtheer maakte er nooit gebruik van, wijl hij dit een heidensche
zede achtte.
In een pelsmantel van vossevel wandelde hij door zijn huis; hij sprak
recht onder zijn vazallen, en legde de twisten van zijn naburen bij.
's Winters keek hij naar de dwarrelende sneeuwvlokken, of hij liet
zich verhalen voorlezen. Maar zoodra het mooie weer begon, reed hij op
zijn muilezel langs de wegjes door het groene koren, praatte met de
dorpers en gaf hun goeden raad.
Na een zeer avontuurlijk leven had hij een jonkvrouw van hooge
geboorte tot gemalin genomen. Ze was zeer blank, en wat trotsch
en ernstig. De punten van haar huive raakten den bovenbalk der
deurposten; de plooien van haar lakensch gewaad sleepten drie schreden
achter haar aan. Haar huishouding was regelmatig als die in een
klooster; iederen morgen verdeelde ze het werk onder haar dienstboden;
ze hield het oog over den vruchten-inmaak en de zalven-bereiding; zat
achter het spinnewiel of borduurde dwalen voor het altaar. Op haar
aanhoudend bidden werd haar een zoon geboren.
Toen heerschte er groote vreugde, en er werd een feestmaal aangericht.
Dit duurde drie dagen en vier nachten bij toortslicht en harpspel, op
strooisel van lenteloovers. Men at er de zeldzaamste specerijen, en
hoenders zoo groot als schapen; ter opluistering kwam er een dwerg uit
een pastei. Toen er geen bekers genoeg meer waren, wijl de menigte der
gasten steeds aangroeide, was men genoodzaakt uit horens en helmen te
drinken.
Pages:
1 |
2 | 3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8