Drie Vertellingen
G >>
Gustave Flaubert >> Drie Vertellingen
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8
Den volgenden morgen vroeg meldde ze zich in de sacristie aan, opdat
mijnheer pastoor haar de communie zou uitreiken. Godvruchtig ontving
ze die, maar niet met dezelfde zielsvervoering.
Mevrouw Aubain wilde van haar dochter een echte dame maken, en daar
Guyot haar noch Engelsch, noch muziek kon leeren, besloot ze haar op
kostschool te doen bij de Ursulinen van Honfleur.
Het kind had er niets op tegen.
Felicite zuchtte over mevrouws ongevoelig hart.
Maar ze bedacht, dat haar meesteres misschien gelijk kon hebben. Die
dingen gingen haar verstand te boven.
Eindelijk reed er op zekeren dag een oud tentwagentje voor, en er
stapte een kloosterzuster uit, die de jongejuffrouw kwam halen.
Felicite zette het reisgoed op de imperiaal, drukte den koetsier op
het hart goed voor alles te zorgen, en borg zes potten gelei onder de
rijtuigbank, ook een dozijn peren en een tuiltje viooltjes.
Een diepe snik benam Virginie op 't laatste oogenblik den adem;
ze omhelsde haar moeder, die haar op 't voorhoofd kuste, telkens
zeggend:--"Komaan, moed houden, moed houden!" De tree werd opgeslagen,
het rijtuig reed weg.
Toen kreeg mevrouw Aubain een flauwte, en 's avonds kwamen al haar
vrinden, de Lormeau's, mevrouw Lechaptois, de dames Rochefeuille,
mijnheer de Houppeville en Bourais, om haar te troosten.
In 't begin viel haar 't gemis van haar dochtertje heel smartelijk.
Doch driemaal per week kreeg ze een brief, de andere dagen schreef zij
zelf; ze wandelde in den tuin, las wat, en vulde zoo de leege uren.
Iederen morgen ging Felicite oudergewoonte Virginie's kamer binnen, en
staarde er naar de muren. Het verdroot haar, dat ze het kind niet meer
de haren kon kammen, haar niet meer de schoenen kon dichtrijgen, haar
niet meer warm kon toestoppen 's avonds, dat ze niet meer voortdurend
haar lief gezichtje kon zien, dat ze niet meer met het kind aan een
hand kon uitgaan. Daar ze van dit alles niets meer te doen had,
trachtte ze zich op kantwerken toe te leggen. Haar grove vingers
braken de draden; ze had oor naar niets, sliep niet meer, en was,
zooals ze 't noemde "ondermijnd".
"Om haar zinnen wat te verzetten", vroeg ze, of haar neef Victor nu en
dan eens op bezoek mocht komen.
Sinds kwam hij Zondags na de mis, met rozen op de wangen, de borst
bloot, en om hem heen de geur nog der velden waardoor zijn weg hem
geleid had. Dadelijk zette ze een bord voor hem bij. Als ze dan samen
ontbeten, zaten ze tegenover elkaar, en terwijl ze zelf zoo min
mogelijk at om de onkosten weer uit te sparen, stopte ze hem zoo vol
dat hij ten slotte in slaap viel. Bij 't eerste luiden der vesperklok
maakte ze hem wakker, borstelde zijn broek af, strikte zijn das en
ging kerkwaarts, met moederlijken trots op zijn arm leunend.
Hij moest, op aansporing van zijn ouders, elken keer probeeren
iets van haar los te krijgen, hetzij een buil bruine suiker, zeep,
brandewijn, soms zelfs geld. Hij bracht zijn goed mee om te doen
verstellen, en ze nam dit werk op zich, blij dat er een reden was die
hem tot terugkomen noopte.
In Augustus nam zijn vader hem mee op de kustvaart.
't Was vacantietijd. De komst van de kinderen troostte haar. Maar Paul
kreeg nukken, en Virginie was over den leeftijd heen dat ze met "je en
jou" mocht aangesproken worden, dit kwam hun omgang bemoeilijken, werd
een hinderpaal tusschen haar beiden.
Victor voer achtereenvolgens naar Morlaix. naar Duinkerken en naar
Brighton, en kwam haar na iedere reis een geschenk brengen. Den
eersten keer was 't een schelpendoos; toen een koffiekop; den derden
keer een groote peperkoekenman. De jongen knapte op, was welgebouwd,
er kwam wat dons op z'n bovenlip, hij had een goedigen, vranken
oogopslag, en droeg een leeren hoedje, achterover geschoven als dat
van een loods. Ze had altijd plezier in zijn vertelsels doorspekt met
zeemanstermen.
Op een Maandag, 14 Juli 1819 (ze vergat dien datum niet), kwam Victor
haar zeggen, dat hij voor de groote vaart was aangemonsterd, en dat de
paketboot hem overmorgen-nacht van Honfleur tot bij den schoener zou
brengen, die binnenkort van Havre uitzeilde. Misschien zou hij twee
jaar wegblijven.
Het vooruitzicht van een zoo lange afwezigheid was een groot verdriet
voor Felicite; en om hem nog eens vaarwel te zeggen, trok ze,
Woensdag-avond, toen mevrouw gegeten had, haar klompschoenen aan, en
legde ze in minder dan geen tijd, de vier mijlen af die Pont-l'Eveque
van Honfleur scheiden.
Toen ze bij den Calvarieberg kwam, sloeg ze, in plaats van links,
rechts af, verdwaalde tusschen de scheepswerven, liep terug; de
menschen, die ze aanklampte, zeiden dat ze zich moest haasten. Ze
liep de heele havenkom langs, die vol schepen lag, struikelde over de
trossen; dan helde het terrein laag af, de lichten stonden schots en
scheef door elkaar, en ze meende van de wijs te zijn, toen ze paarden
zag in de lucht.
Langs den kaderand stonden er andere te hinniken, verschrikt door de
zee. Een takel hief hen op en liet ze neer op een boot, waar reizigers
zich verdrongen tusschen de ciderfusten, de kaasmanden, de zakken
met graan; men hoorde kippen kakelen; de kapitein vloekte, en een
scheepsjongen stond, onverschillig voor dit alles, met de ellebogen
op den ankerbalk te leunen. Felicite, die hem eerst niet herkend
had, riep: "Victor!", hij zag op, ze wilde op hem toesnellen, toen
eensklaps de treeplank werd ingehaald.
Vrouwen trokken al zingend de paketboot de haven uit. De spanten
kraakten, zware golven sloegen tegen den voorsteven. Het zeil was
gekeerd, men zag niemand meer;--en op de zee in den zilverschijn der
maan, was ze een zwarte vlek, die aldoor bleeker werd, wegdook en
verdween.
Toen Felicite langs den Calvarieberg terugging, wilde ze wat haar 't
liefste was God aanbevelen, en ze bad langen tijd, recht staande,
het gezicht nat van tranen, de oogen naar de wolken. De stad sliep,
douanen wandelden op en neer, en zonder ophouden viel het water,
ruischend als een stortvloed, door de sluisgaten. 't Sloeg twee uur.
Voor het dag was, zou ze in het klooster niet terecht kunnen, 't Zou
zeker erg lastig voor mevrouw zijn, wanneer ze te laat thuiskwam, en
ondanks haar verlangen het andere kind aan 't hart te drukken, liet ze
Honfleur achter zich. De meiden van het logement werden juist wakker,
toen ze Pont-l'Eveque inkwam.
De arme jongen zou dus maandenlang over de golven moeten zwalken!
Zijn vorige reizen hadden haar niet ongerust gemaakt. Van Engeland en
Bretagne kwam men weer terug; maar Amerika, de kolonien, de eilanden,
dat lag verloren ergens in een geheimzinnige hemelstreek aan 't ander
einde der wereld.
Van toen af dacht Felicite uitsluitend aan haar neef. Op dagen dat de
zon scheen, maakte ze zich bezorgd over den dorst, bij onweer was ze
bang, dat de bliksem hem zou treffen. Als ze den wind hoorde die in
den schoorsteen loeide en de leien van het dak rukte, zag ze hem door
dien zelfden storm aangegrepen, zich vastklampend aan den top van een
verbrijzelden mast, achterover uitgestrekt onder een wade van schuim,
of wel,--herinneringen aan de aardrijkskundige prenten,--hij was
opgegeten door de wilden, in een bosch door apen meegenomen, of liep
te verhongeren langs een onbewoonde kust. En nooit sprak ze van haar
angsten.
Mevrouw Aubain had er andere over haar dochter.
De zusters vonden haar heel lief, maar al te teer. De minste
aandoening maakte haar zenuwachtig. Met de piano moest ze ophouden.
Haar moeder wilde, dat er van 't klooster uit geregeld zou geschreven
worden. Op een morgen toen de besteller niet was gekomen, had ze geen
rust, en ze liep in de zaal op en neer, van haar leunstoel naar het
venster. 't Was werkelijk iets ongewoons! in vier dagen geen tijding!
Om ze te troosten door haar voorbeeld, zei Felicite:--"En ik mevrouw,
ik hoorde in geen zes maanden iets!"
--"Van wie dan toch?"
De meid antwoordde zachtjes:
--"Maar... van mijn neef!"
--"O! je neef!" En schouderophalend begon mevrouw Aubain weer op
en neer te wandelen, wat beteekende: "Daar dacht ik niet aan!--en
daarenboven, 't kan me niemendal schelen! een scheepsjongen, een
schooier, de moeite waard!... en dat terwijl mijn dochter... Verbeeld
je toch!"...
Hoewel met slaag en grove woorden grootgebracht, was Felicite
verontwaardigd over mevrouws doen, doch ze vergat spoedig.
Ze kon immers best begrijpen, dat men 't hoofd kwijt raakte, nu het
zoo met het kleine meisje stond.
De twee kinderen hadden evenveel te beduiden; ze waren een voor haar
hart, en hun beider lot zou hetzelfde zijn.
De apotheker vertelde haar, dat Victors schip te Havanna was
aangekomen. Hij had de tijding in een krant gelezen.
Ze verbeeldde zich, door de sigaren, dat Havanna een land was, waar
men niets deed dan rooken, en Victor wandelde onder de negers in
tabakswolken gehuld. Zou men, zoo noodig, ook over land daar vandaan
kunnen terugkeeren? Hoe ver was 't van Pont-l'Eveque? Om er beter van
op de hoogte te komen, sprak ze mijnheer Bourais aan.
Hij zocht en vond zijn atlas, begon te praten over lengte- en
breedtecirkels, en glimlachte echt schoolmeesterachtig bij Felicite's
verbouwereerdheid.
Op 't laatst wees hij haar met zijn potloodhouder tusschen de
insnijdingen van een ovale vlek een bijna onzichtbare zwarte stip aan,
er bijvoegend: "Ziehier". Ze boog zich over de kaart, het net van
gekleurde lijnen vermoeide haar de oogen, zonder dat ze er wijzer door
werd; en daar mijnheer Bourais haar aanmoedigde te vragen, wat ze op
't hart had, verzocht ze hem haar het huis te wijzen waar Victor woonde.
Bourais sloeg de armen in de lucht, hij nieste, hij schaterde het uit,
en had dolle pret over een zoo groote onnoozelheid. Felicite begreep
niet waarover hij zich zoo vroolijk maakte,--zij, die misschien
verwachtte alles te zien van haar neef, tot het portret toe. Zoo eng
van begrip was ze!
Veertien dagen later kwam Liebard, zooals naar gewoonte op het
marktuur, de keuken binnen, en stelde haar een brief van haar zwager
ter hand. Daar ze geen van beiden lezen konden, riep ze de hulp in van
mevrouw.
Mevrouw Aubain, die de steken van een breiwerk zat te tellen,
legde dit naast zich neer, brak den brief open, ontstelde, en zei
fluisterend, met een diepen blik:
--"'t Is een ongeluk... dat ze je berichten. Je neef..."
Hij was dood. Er stond verder niets.
Felicite viel op een stoel neer, het hoofd tegen het muurbeschot, en
sloot de oogleden die ineens rood werden. Toen, met gebukt hoofd en
neerhangende handen, herhaalde ze bij tusschenpoozen, en star voor
zich uit blikkend:
"Arm ventje! arm ventje!"
Liebard stond al zuchtend naar haar te kijken. Mevrouw Aubain beefde
wat.
Ze stelde Felicite voor, haar zuster in Trouville eens te gaan
opzoeken. Felicite antwoordde, met een handbeweging,
dat ze daar geen behoefte aan had.
Er volgde een stilte. De goede Liebard vond het gepast zich terug te
trekken.
Toen zei ze:
--"Ze geven er niets om, die!"
Haar hoofd zonk weer neer, en bijwijlen lichtte haar hand,
werktuiglijk, van het werktafeltje de lange breinaalden op.
Langs de voorplaats gingen vrouwen met een berrie vol druipend
waschgoed.
Ze zag het door de ruiten, en dacht aan haar eigen wasch, die ze
gisteren had ingezet en vandaag moest spoelen. Toen ging ze de
kamer uit. Haar kuip en haar waschplank stonden aan den rand van de
Toucques. Ze wierp een hoop hemden op den steilen kant, stroopte de
mouwen op, nam den stamper, en zoo hard stampte ze, dat het in de
aangrenzende tuinen te hooren was. De weien waren leeg, de wind
rimpelde de rivier; ginder hing er lang gras over neer, als 't haar
van drijvende lijken. Tot 's avonds bedwong ze zich heel moedig, maar
eenmaal in haar kamer, wierp ze zich plat voorover met het gezicht
in het kussen, de vuisten tegen de slapen, en liet ze haar smart den
vrijen loop.
Heel lang naderhand, hoorde ze van Victors kapitein zelf de
bijzonderheden over zijn dood. Men had hem, tegen de gele koorts, een
te groote aderlating gegeven. Vier dokters tegelijk hielden hem vast.
Hij was dadelijk dood, en de gezagvoerder had gezegd:
--"Mooi zoo! alweer een!"
Zijn ouders hadden hem altijd barbaarsch behandeld. Ze wilde die
liever niet meer zien; zij zelf deden geen enkele toenadering, door
verzuim, of door harteloosheid, verstompt als ze waren door hun
ellende.
Virginie werd almaar zwakker.
Benauwdheden, een hoest, aanhoudende koorts, 't blauwachtig blosje
op haar koonen, verrieden een of andere ernstige ziekte-aandoening.
Mijnheer Poupart had een verblijf in Provence aangeraden. Mevrouw
Aubain wilde er wel toe overgaan, en als de lucht van Pont-l'Eveque
beter was geweest, zou ze haar dochtertje dadelijk hebben
thuisgehaald. Ze maakte beding met een rijtuigverhuurder, die haar
voortaan iederen Dinsdag naar het klooster bracht. In den kloostertuin
is een terras, vanwaar men de Seine kan zien. Steunend op haar moeders
arm wandelde
Virginie er over de afgevallen wingerdbladeren. Als ze uitzag naar de
zeilen in de verte, of de heele kim, vanaf het kasteel van Tancarville
tot de vuurtorens van Havre, met haar blik omvatte, deed de
doorbrekende zon haar soms met de oogen knippen. Moe gewandeld gingen
ze rusten in het prieel. Haar moeder had een klein fust malaga-wijn
aangeschaft, en lachend dat ze misschien dronken zou worden, nam
Virginie er twee teugjes van, meer niet.
Ze kwam weer wat op krachten. De herfst vlood vreedzaam heen. Felicite
stelde mevrouw Aubain gerust. Maar op een avond, na een boodschap in
de buurt, zag ze de sjees van mijnheer Poupart voor de deur, hij zelf
stond in de vestibuul. Mevrouw Aubain strikte haar hoed vast.
--"Geef me mijn stoof, mijn beurs, mijn handschoenen; wat gauwer,
toe!" Virginie had een bezetting op de borst; misschien was het
hopeloos.
--"Nog niet!" zei de dokter, en ze stegen beiden in het rijtuig,
terwijl de sneeuwvlokken om hen heen dwarrelden, 't Begon nacht te
worden. Het was heel koud.
Felicite spoedde zich de kerk in, om een kaars aan te steken. Toen
liep ze de sjees na, die ze een uur later inhaalde, wipte er achter
op, en hield zich aan de riemen vast. Maar ineens schoot haar de
gedachte door het hoofd: "De plaats is niet gesloten! als er eens
dieven binnenkwamen!" En ze sprong weer op den grond.
Toen het den volgenden ochtend evenmaar begon te schemeren, meldde
ze zich bij den dokter aan. Hij was wel teruggekomen, maar opnieuw
uitgereden naar buiten. Toen bleef ze in het logement talmen, meenend
dat vreemde menschen een brief zouden brengen. Eindelijk, bij 't
eerste licht van den dag, nam ze de diligence naar Lisieux.
Het klooster lag aan 't eind van een steil straatje. Halverwegen dit
straatje gekomen hoorde ze een vreemd geluid, het geklep van een
doodsklok, "'t Is voor iemand anders," dacht ze, en hard liet ze den
klopper neervallen.
Na verloop van meerdere minuten, kwam er iemand aansloffen, de deur
week op een kier. Het was een der zusters. Het nonnetje zei met een
godzaligen blik, dat "het kind juist overleden was." Meteen begon de
doodsklok der Sint-Leonarduskerk met dubbele kracht te luiden.
Felicite kwam eindelijk op de tweede verdieping.
Reeds toen ze over den kamerdrempel trad, zag ze Virginie liggen,
uitgestrekt op den rug, de handen gevouwen, den mond open, en het
hoofd achterover onder een zwart kruis, dat tot haar overgebogen hing
tusschen de roerlooze gordijnen, minder bleek dan haar gelaat. Mevrouw
Aubain zat aan 't voeteneind van het bedje, dat ze met haar armen
omklemde. Ze snikte als een zieltogende. Rechts stond de overste.
Drie luchters brandden op de latafel, de kaarsevlammen schenen roode
vlekken, wit wolkte de nevel voor de vensters. Een paar zusters
voerden mevrouw Aubain weg.
Twee nachten lang verliet Felicite de doode niet. Ze herhaalde aldoor
dezelfde gebeden, sprenkelde wijwater op de lakens, ging weer zitten,
en schouwde naar haar. Op 't eind der eerste nachtwake bemerkte ze,
dat het gelaat geel was geworden, de lippen werden blauw, de neus
scherp, de oogen zonken in. Ze kuste die nog en weer, en groot zou
haar verbazing niet geweest zijn, als Virginie weer had opgezien; voor
dergelijke zielen is het bovennatuurlijke iets gewoons. Ze legde het
kind af, hulde het in de lijkwa, kistte het, zette haar het kransje
op het hoofd, en spreidde de haren breed uit. Deze waren blond en
bijzonder lang voor zoo'n jong meisje. Felicite knipte er een lok
af, waarvan ze de helft op haar hart verborg, vast besloten er nooit
afstand van te doen.
Het lijk werd naar Pont-l'Eveque overgebracht, op verlangen van
mevrouw Aubain, die den rouwwagen volgde in een gesloten koets.
Na de mis waren er nog drie kwartier noodig om het kerkhof te
bereiken. Paul liep aan 't hoofd van den stoet en snikte. Hem volgde
mijnheer Bourais, dan de voornaamste ingezetenen, de vrouwen, in
zwarte mantels, en Felicite. Ze dacht aan haar neef, en hoe ze hem
deze laatste eer niet had kunnen bewijzen, toen werd haar droefheid
nog grooter, want het leek haar of men nu tegelijk hem met Virginie
begraven ging.
De smart van mevrouw Aubain kende geen grenzen.
Eerst was ze in opstand tegen God, dien ze onrechtvaardig vond, haar
dit kind te hebben ontnomen, dat toch nooit kwaad gedaan had en wier
geweten zonder vlek was! Maar ach! ze had met Virginie naar 't
Zuiden moeten gaan. Andere dokters zouden haar wel gered hebben. Ze
beschuldigde zich zelf, wilde bij haar zijn, en 's nachts in haar
droomen schreeuwde ze 't uit van wanhoop. Een droom vooral kwelde haar
telkens weer. Haar man kwam als matroos gekleed van een verren tocht
terug, en zei haar schreiend, dat hij bevel ontvangen had Virginie mee
te nemen. Ze besloten dan samen ergens een schuilhoek te zoeken.
Eens kwam ze heel ontdaan uit den tuin binnen. Zooeven (ze wees de
plaats aan) waren vader en dochtertje haar verschenen, dicht naast
elkaar, en ze deden niets, bleven haar aanzien.
Maandenlang zat ze willoos in haar kamer. Felicite sprak haar telkens
toe met zacht vermaan. Ze moest voor zich zelve zorgen, om wille van
haar zoon en de nagedachtenis van "haar".
--"Haar?" hernam mevrouw Aubain dan, alsof ze wakker werd. "Ach ja!...
ja!... Ge vergeet het niet!" doelend op het kerkhof, waarvan men haar
angstvallig verwijderd hield.
Felicite ging er iederen dag heen.
Klokslag vier schoof ze langs de huizen, klom de helling op, opende
het hek en ging tot bij Virginie's grafteeken. Het was een zuiltje van
rose marmer, rustend op een platten steen, en omgeven door kettingen
die een tuintje insloten. De randen waren vol bloemen. Ze begoot de
bladeren, ververschte het zand en ging op de knieen zitten om den
grond beter te kunnen bewerken. Toen mevrouw Aubain er weer komen
mocht, troostte haar de aanblik van dat wel-onderhouden graf, haar
smart werd er door gelenigd.
Toen gingen er jaren voorbij die alle op elkaar geleken, met geen
andere afwisseling dan de cirkelgang der hooge feesten, Paschen,
Maria-Hemelvaart, Allerheiligen. Huiselijke gebeurtenissen stelden
datums vast, waarop men zich naderhand beriep. Zoo geelden in 1825
twee glazenmakers de vestibuul; in 1827 had een stuk van het dak, dat
op de voorplaats neerviel, bijna een man gedood. In den zomer van
1828, was 't mevrouw Aubain's beurt om het Sint-Hubertusbrood te
geven; omstreeks denzelfden tijd ging mijnheer Bourais uit de stad,
en niemand wist waarheen; en de oude kennissen vielen langzaam weg:
Guyot, Liebard, Mevrouw Lechaptois, Robelin, oom Gremanville die sinds
jaren verlamd was.
Op een nacht bracht de conducteur van de post-diligence in
Pont-l'Eveque de tijding der Juli-omwenteling. Enkele dagen later werd
er een nieuwe sous-prefect benoemd, baron de Larsonniere, die consul
was geweest in Amerika, en die, behalve zijn vrouw, zijn schoonzuster
meebracht met drie bijna volwassen freuletjes, welke in losse blouses
gekleed, over 't gazon van haar open tuin drentelden. Ze hadden een
neger en een papegaai. Ze legden een visite af bij mevrouw Aubain, die
niet naliet haar een tegenbezoek te brengen. Zoo gauw Felicite haar in
de verte zag aankomen, ging ze mevrouw haastig waarschuwen. Doch een
ding slechts scheen deze maar ter harte te gaan: de brieven van haar
zoon.
Hij bracht zijn tijd in herbergen zoek, deugde voor geen enkele
loopbaan. Ze betaalde zijn schulden; hij raakte er opnieuw in; en de
zuchten die mevrouw Aubain slaakte, terwijl ze te breien zat bij het
venster, drongen door tot Felicite, die in de keuken haar spinnewiel
deed snorren.
Ze drentelden samen langs de leiboomen en praatten aldoor over
Virginie, zich afvragend, hoe dit of dat haar zou hebben aangestaan,
wat ze bij deze of die gelegenheid waarschijnlijk zou gezegd hebben.
In de kamer met de twee ledikantjes waren al haar kleine schatten en
benoodigdheden in een muurkast opgeborgen. Mevrouw Aubain zag die
dingen zoo weinig mogelijk na. Op een zomerdag ging ze er eindelijk
eens toe over, en er vlogen vlinders de kast uit.
Haar jurken hingen naast elkaar onder een plank, waarop drie poppen
lagen, bij hoepels en een keukentje en de waschkom, die ze altijd
gebruikt had. Ze haalden de onderrokken, zoowel als de kousen en de
zakdoeken te voorschijn, en eer ze het opnieuw toevouwden, werd alles
op de twee bedjes uitgespreid. De zon scheen over die arme dingen,
deed de vlekken in 't oog vallen, en de kreuken die Virginie's
bewegingen erin gelaten hadden. De lucht was blauw en warm, een merel
kweelde, 't scheen alles te leven in een innige vreedzaamheid. Ze
vonden een hoedje van langharig pluche terug, kastanjekleurig; maar 't
was heelemaal door de mot opgegeten. Felicite vroeg of zij 't hebben
mocht. Ze zagen elkander aan, haar starre oogen vulden zich met
tranen; tot mevrouw de armen opende, de meid wierp zich aan haar hart,
en ze hielden elkaar omstrengeld, leniging zoekend voor het bittere
verdriet in een kus, die haar tot gelijken maakte.
Het was den eersten keer in haar leven. Mevrouw Aubain had een zeer
gesloten karakter. Felicite was dankbaar voor die gevoelsuiting als
voor een weldaad, en met vrome vereering had ze haar lief voortaan,
trouw als een hond.
De goedheid van haar hart werd steeds ruimer.
Wanneer ze in de straat de trommen hoorde van een langsrukkend
regiment, ging ze met een kruik appelwijn aan de deur staan en bood
den soldaten te drinken. Ze verpleegde choleralijders. Ze nam de Polen
onder haar bescherming, en een hunner verklaarde zelfs, haar te willen
trouwen. Maar ze kregen oneenigheid, want op een morgen na het angelus
uit de kerk terugkomend, vond ze hem in de keuken: hij was er binnen
geslopen, had er zich een azijnsausje toebereid en zat daar rustig van
te smullen.
Na de Polen, kwam de oude Colmiche aan de beurt, een grijsaard, die
den naam had in 93 leelijke dingen te hebben uitgevoerd. Hij leefde
aan den rivierkant in den bouwval van een varkenskot. De straatjongens
gluurden hem af door de spleten van den muur, en gooiden naar hem met
steenen, die op de brits vielen waar hij neerlag, aanhoudend heen en
weer geschud door een zwaren hoest; zijn haar was heel lang gegroeid,
zijn oogleden waren ontstoken, en op den arm had hij een gezwel nog
grooter dan zijn hoofd. Ze verschafte hem linnengoed, trachtte zijn
krot schoon te maken, en het werd haar droom, hem in hun wasch-huis
onderdak te brengen, zonder dat hij mevrouw zou hinderen. Toen de
kankerbuil was opengebroken, verbond ze hem alle dagen, soms bracht
ze hem eigengebakken koekjes mee, of ze zette hem in de zon op een
stroobos; zeeverend en bevend dankte de arme oude-man haar met zijn
klanklooze stem, was bang haar te moeten missen, strekte de handen uit
zoo gauw ze een beweging maakte om heen te gaan. Hij stierf; ze liet
een mis lezen voor de rust zijner ziel.
Dienzelfden dag viel haar een groot geluk te beurt: op 't oogenblik
dat het diner was opgediend, stond de neger van mevrouw de Larsonniere
aan de bel, met den papegaai in zijn kooi, den stok, den ketting en
het hangslot. De barones deelde mevrouw Aubain per briefje mede, dat
ze dien avond nog gingen vertrekken, daar haar man tot prefect benoemd
was; en ze verzocht haar dien vogel aan te nemen ter gedachtenis en
als een bewijs harer hoogachting.
Hij hield sinds langen tijd Felicite's verbeelding bezig, omdat hij
uit Amerika kwam; dit woord deed haar aan Victor denken, zoo zelfs dat
ze den neger had aangesproken om er het hare van te weten. Eens zelfs
had ze gezegd: "Wat zou mevrouw gelukkig zijn met dien vogel!"
De neger had die uitlating aan zijn meesteres oververteld, en daar ze
den papegaai niet kon meenemen, ontdeed ze er zich op deze wijze van.
IV
Hij heette Loulou. Zijn romp was groen, de punt van zijn vleugels
roset, zijn kop blauw en zijn borst goudkleurig.
Maar hij had de onhebbelijke gewoonte in zijn stok te bijten, trok
zich de veeren uit, maakte de kamer vuil, morste het water uit
zijn bad; hij verveelde mevrouw Aubain, en ze gaf hem voorgoed aan
Felicite.
Deze poogde hem praten te leeren; algauw zei hij haar na: "Lieve
jongen! Uw dienaar, mijnheer! Weesgegroet, Maria!" Hij stond dicht bij
de voordeur, en menigeen was verwonderd dat hij niet luisterde naar
den naam Jacquot, daar alle papegaaien toch Jacquot heeten. Men zei,
dat hij een gans was, een domkop; het waren evenveel dolksteken door
Felicite's hart! En die vreemde stijfhoofdigheid van Loulou, nooit te
willen praten, als iemand naar hem keek!
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8