A / B / C / D / E /  F / G / H / I / J /  K / L / M / N / O /  P / R / S / T / UV / W / Z

Editorial
This paper argues that discourses of love in Ghanaian market literature for youth offer a view into complex negotiations of agency and empowerment. Drawing on Deborah Durham's notion of youth as "social `shifters'" and Francis Nyamnjoh's conception of the "interconnectedness" of agency, I take Ghanaian market literature as one specific case of how African literature for youth foregrounds questions of continuity and change as African societies enter into increasingly complex global relations. In this literature for youth, received notions of love, often constructed out of impressions from American pop and hip hop music, carry new notions of agency that compete with existing "domesticated" forms. Authors like Ike Tandoh and Evelyn Tay employ discourses of love to offer youth alternative avenues for empowerment in a context of socio-economic disenfranchizement. In a creative process of "straddling", this writing both reveals and reproduces the contradictions that obtain in youth configurations of agency.

Drie Vertellingen

G >> Gustave Flaubert >> Drie Vertellingen

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8


Produced by Miranda, Marc D. and the Distributed Online Proofreading Team.





DRIE VERTELLINGEN DOOR GUSTAVE FLAUBERT


EEN EENVOUDIGE ZIEL

DE LEGENDE VAN SINT JULIAAN DEN GASTVRIJEN

HERODIAS


VERTAALD DOOR MARIE KOENEN


Gebaseerd op de editie gepubliceerd in 1917, te Bussum.





EEN EENVOUDIGE ZIEL




I


Een halve eeuw lang werd mevrouw Aubain door de dames van
Pont-l'Eveque benijd om haar meid Felicite.

Voor honderd franken per jaar deed zij de keuken en het huishouden,
naaide, waschte en streek ze, wist ze een paard op te tuigen, de
hoenders vet te mesten, de melk te karnen, en bleef ze trouw aan haar
meesteres, die toch geen aangename vrouw was.

Mevrouw Aubain had een knappen jongen getrouwd zonder geld, die in 't
begin van 1809 stierf, haar twee heel jonge kinderen nalatend en
veel schulden. Ze verkocht toen haar vaste goederen, op de hoeve van
Toucques en de hoeve van Geffosses na, die hoogstens 5,000 franken
rente opbrachten, en ze verliet haar huis te Saint-Melaine voor een
voordeeliger, dat had toebehoord aan haar familie en gelegen was
achter de hallen. Dit huis, met zijn leien dak, lag tusschen een open
gang en een steegje, uitloopend op de rivier. Binnen struikelde men
er over het hoog-en-laag der ongelijke vloeren. Een enge vestibuul
scheidde de keuken van de zaal, waar mevrouw Aubain den dag lang
in een rieten fauteuil bij het openslaand raam zat. Tegen het wit
geverfde beschot stonden in een rij acht mahoniehouten stoelen.
Een oude piano torste, onder een barometer, een pyramide van
opeengestapelde bussen en kartonnen doozen. Twee trijpen armzetels
stonden ter weerszijden van den geel marmeren schoorsteen in stijl
Louis XV. De pendule, in het midden, stelde een vestaalschen tempel
voor,--en heel het vertrek rook wat duf, daar de plankenvloer lager
lag dan de tuin.

Op de eerste verdieping was, om te beginnen, de kamer van "mevrouw",
zeer groot, met flets gebloemd papier behangen, en waarin zich het
portret bevond van "mijnheer" in saletjonkersdos.

Ze stond in verbinding met een kleiner vertrek, waar men twee
kinderledikantjes zag, zonder matras. Dan kwam het salon, altijd
gesloten, en vol meubels onder lakens. Een gang leidde vervolgens naar
een studeerkamertje; boeken en paperassen vulden de planken van een
bibliotheek-kast, welke langs drie zijden een groote zwart-houten
schrijftafel omgaf. De twee achterpaneelen waren bedekt met
penteekeningen, landschappen in waterverf en platen van Audran,
gedachtenissen aan betere tijden en aan een vergane weelde.

Een zoldervenstertje op de tweede verdieping verlichtte de kamer van
Felicite, die uitzicht had op de weien.

Heel vroeg stond ze op, om de mis niet te verzuimen, en ze werkte
tot 's avonds zonder ophouden; dan, als het maal was afgeloopen, het
vaatwerk opgeruimd, de deur goed gesloten, dekte ze het houtvuur met
asch en dutte ze in voor den haard, den rozenkrans in de hand. Niemand
bij loven en bieden zoo koppig als zij. En wat zindelijkheid aangaat,
zoo blankgeschuurd waren haar braadpannen, dat ze de andere meiden de
oogen verblindden. Zuinig als ze was, had ze de gewoonte heel
langzaam te eten, en met den vinger pikte ze de broodkruimels van de
tafel,--een brood van twaalf pond werd opzettelijk voor haar gebakken,
en ze deed het daar twintig dagen mee.

Winter en zomer droeg ze een katoenen halsdoek, met de punt in den
rug vastgespeld, een muts die haar haren verborg, grijze kousen,
een rooden onderrok, en over haar jak een boezelaar, zooals de
ziekenzusters.

Haar gezicht was mager en haar stem schel. Toen ze vijf-en-twintig
was, zag men haar voor veertig aan. Na haar vijftigste viel, op haar
uiterlijk, haar leeftijd niet meer te bepalen,--en, stil, steil,
met haar afgemeten gebaren, leek ze een houten vrouwtje, dat zich
automatisch bewoog.




II


Ze had, zoo goed als een ander, haar liefdesgeschiedenis gehad.

Haar vader, een metselaar, was van een steiger doodgevallen. Daarna
stierf haar moeder, haar zusters verspreidden zich, zij werd door een
pachter opgenomen, voor wien ze, hoe klein ook, de koeien moest hoeden
langs de wegen. Ze bibberde onder haar lompen, dronk plat voorover
liggend het water uit de poelen, werd om een niemendal geslagen, en
ten slotte joeg men haar weg om een diefstal van dertig stuivers, dien
ze niet begaan had. Ze kwam op een andere hoeve, werd er stalmeid, en
omdat ze in den smaak viel van haar meesters, waren haar kameraden
jaloersch.

Op een Augustusavond (ze was toen achttien jaar) namen ze haar mee
naar de kermis van Colleville. Bij den eersten aanblik stond ze stom
van verbazing, overbluft door het geschetter der dorpsmuzikanten,
door de lichten in de boomen, de bonte kleeren, de kanten, de gouden
borstkruisen, al dat hossende volk. Ze hield zich bloode achteraf,
maar een jonkman, die er welgesteld uitzag, en die zijn pijp rookte
met de twee ellebogen op den disselboom van een ladderwagen, kwam haar
ten dans nooden. Hij trakteerde haar op cider, koffie en koek, kocht
haar een zijden halsdoek, en vroeg of hij haar naar huis zou brengen.
Onderweg greep hij haar vast. Ze werd bang en begon te roepen. Hij
ging.

Een anderen avond, wilde ze, op den weg naar Beaumont, een groote
hooikar voorbij stappen, die langzaam voortschokte, en langs de raders
schuivend herkende ze Theodore.

Kalmpjes sprak hij haar aan, zeggend dat ze hem vergeven moest, het
was door "den drank" gekomen.

Ze wist niet, wat te antwoorden en had zin om weg te loopen.

Dadelijk begon hij over den oogst en over de notabelen van de
gemeente, want zijn vader had Colleville verlaten om de hoeve van
Ecocs te betrekken, zoodat ze nu buren waren.

--"He!" zei ze.

Hij voegde er aan toe, dat men hem graag gevestigd zou zien. Maar
overigens, haast had hij niet, en hij zou wachten tot hij een vrouw
vond naar zijn keus. Ze boog het hoofd. Toen vroeg hij haar of ze
dacht te trouwen. Ze antwoordde, met een glimlach, dat het niet mooi
was, met iemand den spot te drijven.

--"Wel neen, ik denk er niet aan!"

En hij sloeg haar den linkerarm om het middel. Ze liep zoo voort
gesteund door zijn arm; hun stap vertraagde. De wind was zwoel, de
sterren schitterden, voor hen wankelde de reusachtige kar met hooi; de
vier paarden begonnen te sleepvoeten en joegen het stof op. Toen, uit
eigen beweging, wendden ze zich rechtsaf. Hij omhelsde haar nog eens.
Ze verdween in het duister. De volgende week wist Theodore haar tot
samenkomsten over te halen. Ze ontmoetten elkaar achter een erf,
bij een muur, onder een eenzamen boom. Ze was niet onnoozel als een
jongejuffrouw, maar haar gezond verstand en de haar ingeschapen
eerbaarheid behoedden haar voor misstappen.

Die weerstand wakkerde Theodore's liefde aan, zoodat hij om er aan te
voldoen (of onnoozel-weg misschien) voorsloeg haar te trouwen. Ze kon
het niet gelooven. Hij zwoer dure eeden. Weldra echter kwam hij met
slecht nieuws voor den dag: zijn ouders hadden verleden jaar een
remplacant voor hem genomen, maar elken dag kon hij worden opgeroepen,
en de gedachte onder dienst te moeten, joeg hem schrik aan. Die
lafhartigheid was voor Felicite een bewijs van liefde, en de hare werd
er dubbel zoo groot door. Bij hun samenkomsten kwelde Theodore haar
met zijn onrust en zijn gedwing.

Eindelijk vertelde hij haar, dat hij zelf naar de prefectuur zou
gaan om inlichtingen, die hij haar aanstaanden Zondag zou meedeelen
tusschen elf uur en middernacht.

Toen het tijd was, liep ze Theodore tegemoet.

In zijn plaats vond ze een zijner vrinden, die haar zei dat ze
Theodore niet zou weerzien.

Om zich aan de lichting te onttrekken had hij een oude, heel rijke
vrouw gehuwd, Madame Lehoussais, uit Toucques.

Het was een al te groot verdriet. Ze wierp zich op den grond, stootte
kreten uit, riep den goeden God aan, klaagde en jammerde heel alleen
in het veld, totdat de zon opging. Dan kwam ze terug op de hoeve, zei
haar dienst op, en toen de maand om was en ze haar loon had ontvangen,
knoopte ze al haar hebben en houden in een zakdoek, en begaf ze zich
naar Pont-l'Eveque.

Voor het logement vroeg ze om inlichtingen aan een burgerdame met een
weduwkap, en juist had deze een keukenmeid van noode. Het meisje kende
niet veel, maar ze leek zooveel goeden wil te hebben en zoo weinig
eischen, dat mevrouw Aubain eindigde met te zeggen:

--"Goed, ik huur je."

Een kwartier later was Felicite in haar huis opgenomen.

In 't begin leefde ze er in een bevend ontzag voor "den trant van het
huis", en de herinnering aan "mijnheer", die zweefde over alles! Paul
en Virginie, de een zeven jaar, de andere nauwelijks vier, schenen
haar van een kostbare materie geschapen; ze liet hen paardrijden
op haar rug, en mevrouw Aubain zei haar, hen niet elk oogenblik te
zoenen, hetgeen haar diep bedroefde. Toch voelde ze zich gelukkig. De
vrindelijkheid der omgeving had haar alle verdriet doen vergeten.

Alle donderdagen trouw kwamen kennissen een partij bostonneeren.
Felicite maakte tevoren de kaarten en de stoven in orde. Klokke-acht
kwamen ze, en op slag van elf gingen ze heen.

Iederen maandagmorgen stalde de uitdrager, die in de steeg woonde,
langs den grond zijn oud-roest uit. Dan kwam de stad vol gegons van
stemmen, vermengd met paarden-gehinnik, schapengeblaat, varkensgeknor
en het geratel der boerenwagentjes over de straat.

Tegen twaalf uur als de marktdrukte in vollen gang was, zag men een
ouden boer op den drempel verschijnen, een langen man met een krommen
neus, de pet achterover, Robelin de pachter van Geffosses.

Kort daarna was er Liebard, de pachter van Toucques, klein, blozig,
zwaarlijvig, die een grijs vest droeg en slobkousen van sporen
voorzien.

Beiden kwamen ze hun eigenares kippen of kaas te koop aanbieden.
Felicite was hun altijd weer te slim af, maar vol achting voor haar
gingen ze heen.

Op ongeregelde tijden ontving mevrouw Aubain bezoek van den markies de
Gremanville, een harer ooms, berooid door zijn liederlijk leven, en
die te Falaise op het laatste lapje van zijn grond woonde. Altijd kwam
hij op het uur van het tweede ontbijt, vergezeld van een afschuwlijken
poedel, die met zijn pooten alle meubels vuil maakte.

Hoewel hij zijn pogingen een heer te schijnen zoo ver doordreef, dat
hij bij ieder: "wijlen mijn vader", den hoed lichtte, toch was de
slechte gewoonte hem te machtig, telkens vulde hij zijn glas, telkens
liet hij gewaagde aardigheden los.

Felicite zette hem met een zoet lijntje het huis uit: "U hebt genoeg
voor vandaag, mijnheer de Gremanville! Tot later!" En ze sloot de deur
achter hem.

Met genoegen opende ze die voor mijnheer Bourais, oud-procureur. Zijn
witte das en zijn kaal hoofd, de jabot van zijn overhemd, zijn wijde
bruine pandjas, de armronding waarmee hij zijn snuifje nam, geheel
zijn persoon maakte een verwarrenden indruk op haar, zooals de aanblik
van buitengewone mannen dit doet.

Daar hij de eigendommen van "mevrouw" beheerde, sloot hij zich
urenlang met haar op in het kabinet van "mijnheer", was altijd bang
voor opspraak, had een grenzenloozen eerbied voor de rechterlijke
macht, en liet er zich op voorstaan Latijn te kennen.

Om de kinderen spelend te doen leeren, gaf hij hun een serie
aardrijkskundige prenten ten geschenke.

Ze stelden verschillende tafereelen van het wereldrond voor,
menscheneters met veeren gekroond, een aap die een juffrouw ontvoerde,
Bedouinen in de woestijn, een walvisch dien men harpoeneerde, enz.

Paul gaf aan Felicite den uitleg van die platen. Dit was al geletterde
opvoeding, die ze kreeg.

Die der kinderen was aan Guyot toevertrouwd, een armen drommel, klerk
op het stadhuis, befaamd om zijn mooie hand van schrijven, en die zijn
pennemes aanzette op z'n laars.

Wanneer het helder weer was, begaf men zich reeds vroegtijdig naar de
hoeve van Geffosses.

Het erf helt af, het woonhuis staat in 't midden, en de zee is
zichtbaar in de verte als een grijze vlek.

Felicite haalde plakken koud vleesch uit haar karbies, en er werd
ontbeten in een vertrek aansluitend aan de melkerij. Dit was het
laatste overschot van een nu verdwenen zomerverblijf. Het in flarden
gescheurd behang trilde in den tocht. Mevrouw Aubain boog het hoofd,
overstelpt door herinneringen; de kinderen durfden niet meer te
praten. "Ga toch spelen", zei ze; ze maakten dat ze wegkwamen.

Paul klom op den hooizolder, ging vogels vangen, keilde steenen over
den poel, of sloeg met een stok op de groote vaten, die hol opklonken
als trommen.

Virginie voerde de konijnen, vloog vooruit om korenbloemen te plukken,
en om haar rappe beenen wipten de geborduurde strooken van haar
broekje.

Op een herfstavond keerden ze gevieren door de weilanden huiswaarts.

De wassende maan verlichtte een stuk van den hemel, en een nevelstreep
dreef als een sluier over de bochten van de Toucques. Runderen, die
midden in het gras lagen uitgestrekt, zagen kalm die vier menschen
voorbijgaan. In de derde wei hieven er eenige zich op, die kwamen in
een halven kring hun den weg versperren.--"Wees maar niet bang!" zei
Felicite, en met klagend geprevel streelde ze het dier, dat dichtstbij
stond, over den rug; het draaide zich half om, de andere deden dit na.

Maar den volgenden beemd doortrekkend, hoorden ze een ontzettend
gebrul opgaan. Het was een stier, door den nevel onzichtbaar. Hij kwam
de twee vrouwen al nader. Mevrouw Aubain wilde hard wegloopen. "Neen!
neen! niet zoo vlug!" Toch versnelden ze den pas, en ze hoorden achter
zich een steeds duidelijker ademgesnuif. De hoeven sloegen als hamers
over het weigras; daar had hij 't, zoowaar, ook nog op een draf gezet!

Felicite keerde zich om, en met beide handen rukte ze aardkluiten los,
die ze hem in de oogen gooide. Hij dook den snuit, schudde de horens,
rillend van woede onder afgrijselijk geloei.

Mevrouw Aubain was met haar twee kinderen aan 't eind van de wei, en
zocht, buiten zichzelf van angst, hoe over den hoogen kant te komen.
Felicite week aldoor achterwaarts met den stier voor zich, en wierp
almaar met graskluiten die hem blind maakten, terwijl ze bleef roepen:
"Haast u dan toch! Haast u dan toch!"

Madame Aubain stapte in de droge sloot, duwde Virginie en dan Paul
voor zich uit, struikelde telkens terwijl ze tegen den glooienden
wegboord trachtte op te klimmen, wat haar door moedig voltehouden ten
laatste toch gelukte.

De stier had Felicite tegen een haag geduwd; zijn kwijl spatte haar
in 't gezicht, nog een seconde en zijn horens gingen haar het lichaam
openrijten. Juist nog had ze den tijd tusschen twee palen door te
glippen, en het zware dier bleef verbluft staan.

Deze gebeurtenis was jarenlang een onderwerp van gesprek in
Pont-l'Eveque. Felicite liet er zich heelemaal niets op voorstaan,
giste zelfs niet iets heldhaftigs te hebben verricht.

Virginie alleen hield haar gedachten bezig; want ten gevolge van den
schrik had deze een zenuwaandoening gekregen, en mijnheer Poupart, de
dokter, ried de zeebaden van Trouville aan.

Ze werden nog niet bezocht in dien tijd. Mevrouw Aubain vroeg
inlichtingen, raadpleegde Bourais, en maakte toebereidselen als voor
een langdurige reis.

Haar koffers gingen daags te voren weg, op de kar van Liebard.
Den volgenden dag bracht hij twee paarden voor, het eene met een
dameszadel dat een fluweelen rugleuning had; een opgerolde mantel
vormde een zitting op het kruis van het tweede. Mevrouw Aubain steeg
daar op, achter Liebard. Felicite nam Virginie onder haar hoede, en
Paul zette zich schrijlings op den ezel door mijnheer Lechaptois
afgestaan, mits men er uiterst voorzichtig mee zou zijn.

De weg was zoo slecht, dat men over zijn acht kilometer twee uren
moest doen. De paarden zakten tot over de enkels in de modder en
schokten met de dijen om er uit te raken; ofwel ze struikelden in de
karresporen; een andermaal weer moesten ze een sprong nemen. De merrie
van Liebard bleef hier en daar plotseling stilstaan. Geduldig wachtte
hij tot ze weer verder ging, en hij praatte over de menschen wier
eigendommen langs den weg lagen, moreele beschouwingen vastknoopend
aan hun levensgeschiedenis. Toen ze midden in Toucques, onder
met Oost-Indische kers omrankte vensters doorreden, zei hij
schouderophalend:--"Zoo woont hier een madame Lehoussais, die in
plaats van een jongen man te trouwen..." Felicite verstond de rest
niet; de paarden draafden, de ezel liep in galop; in een rij togen
ze een voetpad langs, een hek week open, twee jongens traden te
voorschijn, en er werd afgestegen, voor de mestvaalt, vlak bij den
deurdrempel. Toen vrouw Liebard haar meesteres voor zich zag, kwam er
geen eind aan haar vreugdbetuigingen. Ze zette haar een ontbijt
voor bestaande uit runderharst, rolpens, bloedworst, gestoofde kip,
schuimenden cider, vruchtentaart, en pruimen op brandewijn, dit alles
kruidend met beleefdheden aan mevrouw, die er zooveel beter uitzag,
aan de jongejuffrouw, die "allerliefst" was geworden, aan mijnheer
Paul die zoo buitengewoon was aangesterkt, zonder hun overleden
grootouders te vergeten, die de Liebards gekend hadden, daar ze van
ouder tot ouder aan de familie verbonden waren. De hoeve had, zooals
zij zelve, iets ouderwetsch over zich. De balken waren vermolmd, de
muren zwart van rook, de vensterruiten grijs bestoven. Een eikenhouten
aanrecht was beladen met allerlei gerief, groote kannen, schotels,
tinnen kommen, wolfsklemmen, scharen om de schapen te scheren, een
reusachtige klisteerspuit, waar de kinderen om lachen moesten. Niet
een boom in de drie hoven, die geen paddenstoelen aan zijn voet had of
in zijn kruin een bos mistel. De wind had er verschillende omgeworpen.
Ze schoten in 't midden opnieuw uit; en alle bogen ze onder den last
hunner appels. De stroodaken die van bruin fluweel leken en ongelijk
van zwaarte waren, weerstonden de hevigste rukwinden. Het wagenhuis
echter was bouwvallig. Mevrouw Aubain beloofde dit in gedachte te
houden, en gaf bevel de rijdieren weer op te tuigen. Nog een half uur
zou er noodig zijn om Trouville te bereiken. De kleine karavaan steeg
af om de Ecores over te gaan, een overhangende rots waaronder schepen
lagen; en na drie minuten kwam men, aan 't eind der kade, op de
binnenplaats van "het gouden Lam", bij vrouw David.

Vanaf de eerste dagen voelde Virginie zich minder zwak, dank zij de
verandering van lucht en de werking der baden. Ze had geen badkostuum
en ging in haar hemdje de zee in; Felicite kleedde haar weer aan in
een tolhuisje, dat de baders gebruiken mochten.

's Namiddags ging men met den ezel de "Zwarte Rotsen" over, den kant
uit van Hennequeville. Eerst steeg het voetpad tusschen weilanden die
glooiden als het gazon van een park, en 't liep uit op een heuvelvlak
waar grasvelden en bouwgrond elkaar afwisselden. Langs den wegrand
groeiden hulstboompjes uit de warrende dorenranken op; hier en daar,
trok een groote doode boom met zijn takken zigzag-lijnen tegen de
blauwe lucht.

Iederen keer bijna rustten ze uit in een kleine wei, aan wier
linkerkant Deauville lag, Havre rechts, en die uitzag op de volle zee.
Ze schitterde in de zon, lag effen als een spiegel, zoo kalm dat men
nauwelijks haar ruischen hoorde; musschen piepten ergens, en het wijde
hemelgewelf overdekte dit alles. Mevrouw Aubain zat neer, bezig
met haar naaiwerk; naast haar was Virginie biezen aan 't vlechten;
Felicite trok lavendelbloemen uit; Paul, die zich verveelde, wilde
weg.

Andere keeren voeren ze de Toucques voorbij, en gingen schelpen
zoeken, 't Laag getij had zee-egels en kwallen op 't droge gelaten,
en de kinderen liepen schuimvlokken na, die de wind meenam. De
sluimerende golven, deinend over de zandbedding, bestreken het strand,
dat zich uitstrekte zoo ver het oog reikte, maar dat aan de landzijde
werd begrensd door de duinen, die het scheidden van de mars, een groot
weiland rond als een renperk.

Wanneer ze langsdaar terugkeerden, werd Trouville, ginds tegen
de heuvelhelling, bij iederen voetstap grooter, en met zijn
onregelmatigen huizenbouw scheen het, in een vroolijke wanordelijkheid,
als open te luiken. Op dagen dat het te warm was, bleven ze in hun
kamer. De verblindende klaarte daarbuiten schoof staven van licht
tusschen de latten der zonneblinden. Niet het minste gerucht in het
dorp. Beneden, op de stoep, niemand. Deze wijde stilte verinnigde de
rust der dingen. In de verte klopten de breeuw-hamers op de
scheepskielen, en een zwoele bries woei teerlucht aan.

De voornaamste vermakelijkheid was de weerkomst der visscherspinken.
Zoo gauw ze de bakens voorbij waren, begonnen ze te laveeren. Hun
zeilen streken neer tot op twee-derde der masthoogte; en met de fok
opgezwollen als een ballon dreven ze aan, gleden ze door het gekabbel
der golven, tot in 't midden der haven, waar het anker ineens
neerplonste. Dan meerde de boot aan de kade. De matrozen wierpen
lillende visschen over de reeling; een rij wagentjes wachtte hen op,
en vrouwen met katoenen mutsen snelden toe om de korven aan te nemen
en hun mannen te omhelzen.

Een harer sprak op zekeren dag Felicite aan, die even later heel blij
de kamer binnenkwam. Ze had een zuster weergevonden; en daar verscheen
Nastasie Barette, huisvrouw Leroux, met een zuigeling aan de borst,
een ander kind aan de rechterhand, en aan haar linkerzij een
scheepsjongetje met de handen in de zij en de platte pet op een oor.

Na een kwartier zei mevrouw Aubain, dat ze moesten gaan.

Sedert liep men dat groepje altijd tegen 't lijf, in de buurt van de
keuken, of op wandeling. De man liet zich niet zien.

Felicite begon van hen te houden. Ze kocht hun een deken, hemden, een
fornuis, 't was duidelijk dat ze haar uitbuitten. Deze zwakhartigheid
ergerde mevrouw Aubain, wie daarenboven de gemeenzaamheid van
het neefje niet aanstond,--dat "je" en "jou" speelde tegen haar
zoontje,--en daar Virginie hoestte en het mooie weer voorbij was, kwam
ze in Pont-l'Eveque terug.

Mijnheer Bourais hielp haar bij de keuze van een Latijnsche school.

Die van Caen gold als de beste.

Paul werd er heen gezonden, en met goeden moed nam hij afscheid, blij
in een huis te gaan wonen, waar hij makkers zou vinden.

Mevrouw Aubain berustte in de afwezigheid van haar zoon, daar die
noodzakelijk was. Virginie dacht minder en minder aan hem. Felicite
miste zijn levenmakerij. Maar een bezigheid kwam haar verstrooiing
geven; van Kerstmis af begeleidde ze iederen dag het kleine meisje
naar den catechismus.




III


Nadat ze bij de deur een kniebuiging had gemaakt, ging ze door de
middenbeuk tusschen de dubbele rij stoelen door, opende mevrouw
Aubains bank, ging daar zitten, en liet den blik rondwaren.

De jongens zaten rechts, de meisjes links in de kanunnikenbanken. De
pastoor bleef staan bij den koorlezenaar; in een venster van de absis
zweefde de Heilige Geest boven de Maagd Maria; een ander toonde haar
geknield voor het kindje Jezus, en achter het tabernakel stelde
een houten groep Sint Michael voor die den draak verslaat. Eerst
behandelde de priester in 't kort de bijbelsche geschiedenis. Ze
waande het paradijs te zien, den zondvloed, den toren van Babel,
steden die in vlammen opgingen, stervende volken, omgestorte
afgodsbeelden; het ontzag voor den Allerhoogste bleef haar bij uit
deze zinsbegoocheling, de vreeze voor Zijn gramschap. Daarna zat ze
te schreien, luisterend naar het lijdensverhaal. Waarom hadden ze
Hem gekruisigd, Hem, die de kinderen liefhad, de scharen voedde, de
blinden genas en die uit ootmoedigheid wilde geboren worden, tusschen
de armelieden, op het meststroo van een stal? De zaaitijd, de oogst,
de wijnpersen, al die welbekende dingen, waarover het Evangelie
spreekt, waren in haar leven ook; langs hen schrijdend had God ze
geheiligd; en ze hield met meer verteedering van de lammeren uit
liefde tot het Lam, van de duiven om den Heiligen Geest.

Het kostte haar moeite zich Zijn wezen voor te stellen; want niet
alleen was Hij een vogel, maar ook een vuur, en soms de voorbijgaande
wind. Misschien is het Zijn licht dat 's nachts dwaalt langs de oevers
der moerassen, Zijn adem die de wolken voortdrijft, Zijn stem die de
klokken welluidend maakt, en ze bleef in aanbidding, genietend van de
koelte der muren en de stilte der kerk.

Van de leerstellingen begreep ze niets, deed er zelfs geen moeite toe
te begrijpen. De pastoor sprak, de kinderen zeiden hun les op. Zij
viel ten laatste in slaap, en werd eensklaps wakker, als, bij het
uitgaan der leering, de klompen over de vloersteenen klapperden.

Zoo, door almaar toe te luisteren, leerde ze den catechismus, dien
ze niet kende, omdat in haar jeugd haar godsdienstige opvoeding
verwaarloosd was, en van toen-af deed ze Virginie in alle vrome
gewoonten na, vastte als zij, biechtte wanneer zij biechtte. Op
Sacramentsdag maakten ze samen een rustaltaartje.

De eerste communie gaf haar van te voren veel zorg. Ze maakte zich
druk over de schoentjes, den rozenkrans, het kerkboek, over de
handschoenen. Met wat een ontroering hielp ze de moeder het kind
kleeden!

Heel de mis door voelde ze een beklemming van angst. Aan de eene zijde
benam mijnheer Bourais haar het gezicht op het altaar, maar recht
tegenover haar scheen de groep der bruidjes, die witte kransen droegen
op de neergeslagen sluiers, een sneeuwveld te vormen; en ze herkende
van ver haar kleine lieveling aan haar fijner halsje en haar ingetogen
houding. De bel klonk. De hoofden bogen; het werd stil. Bij 't galmen
van het orgel zetten de koorzangers en het volk het Agnus Dei in; toen
begonnen de jongens in rijen naar de communiebank te gaan, en na hen
stonden de meisjes op. Met langzame schreden, de handen gevouwen,
gingen ze naar het altaar, dat in licht baadde, knielden op de eerste
trede, ontvingen een voor een de hostie, en keerden in dezelfde
volgorde naar haar bidbank terug. Toen het Virginie's beurt was,
boog Felicite zich voorover om haar te kunnen zien; en door de
verbeeldingskracht die echte liefde ons geeft, waande ze zelf dat kind
te zijn, het gelaat van het kind werd het hare, dat communiekleedje
droeg zij, het hart van het kind klopte haar in den boezem, en
toen het kind den mond moest openen, look zij de oogen en was een
bezwijming nabij.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8
Copyright (c) 2007. topboookz.com. All rights reserved.